donderdag 8 november 2012

Visies op het hiernamaals: deel 2, de zeven niveaus

 
Zowel oosterse als westerse tradities hebben het over zeven niveaus of sferen in het hiernamaals. Die indeling is niet dwingend; het is gewoon een manier om structuur aan te brengen in de beschrijvingen van het leven na de dood. Hierin is het onderste niveau dat van de aarde. Alle aardgebonden geesten verblijven daar; het zijn de geesten waarvan men aanneemt dat ze tijdens Halloween komen ‘spoken’. Ze kunnen dat niveau pas verlaten als ze zich niet meer zo sterk aan het materiële hechten en het tot hen is doorgedrongen dat ze zijn gestorven. Ook moeten ze accepteren dat ze hulp nodig hebben om verder te komen.
Wie dat eenmaal heeft geaccepteerd, komt terecht in de Hades. Dat is het gebied waar je de zwakheden van je karakter ervaart en ervan moet leren. Voor veel mensen is het een nevelig gebied waar ze kunnen uitrusten. De omgeving ziet er ongeveer net zo uit als op aarde, maar dan droomachtig. Sommigen worden er geplaagd door spijt en berouw over wat ze anderen hebben aangedaan, want bij de terugblik op hun leven hebben ze die pijn zelf ondergaan. Deze wereld wordt gevormd door de emoties van de geesten die er verblijven, maar ook door de projecties van de mensen die nog op aarde leven. Die zijn soms akelig.
Je zou je kunnen afvragen waarom sommige mensen na hun dood nog moeten lijden. Het antwoord is simpel. Alle visies gaan er namelijk van uit dat de mens na de dood niet beter of slechter is dan op het moment waarop hij sterft. “De dood maakt van zondaars geen heiligen”, zoals de Britse professor Ralph Harlow het uitdrukte. In moreel opzicht kun je immers niet over je eigen schaduw heen springen. Pas als je je eigen fouten en zwakheden hebt ingezien en je jezelf daarvan wilt zuiveren, kom je na de dood verder. Maar er zijn ook mensen die daar geen boodschap aan hebben. Bij hen gaat de ontwikkeling langzamer.     
Verwant aan de Hades is het begrip ‘hel’. Dit kun je als een zwaardere variant van de Hades beschouwen. De zuivering van de ziel is hier dieper en grondiger, maar in de christelijke traditie wordt deze sfeer door veel mystici en kerkvaders niet als definitief beschouwd. Het Tibetaanse boeddhisme zit ook op die lijn: je zit niet voor eeuwig in de hel, maar moet er je slechte karma uitboeten. Daarna kun je verder.
Het volgende niveau is dat van de illusie. De omgeving in deze sfeer wordt bepaald door de mentale beelden van de mensen die zich daar bevinden. De geesten vormen hier groepen van gelijkgezinden die zich tot elkaar aangetrokken voelen. Sommige groepen wonen er in een mooie, vreedzame omgeving, andere in steden. Het is belangrijk om te weten dat dit projecties zijn van die geesten: het gaat hier niet om een tastbare, fysieke realiteit. Iedereen creëert hier zijn eigen werkelijkheid.
Op den duur bevredigt dit bestaan op het niveau van de illusie niet meer, omdat men het wisselvallige en betrekkelijke ervan inziet. De geesten komen dan terecht in het ‘niveau van de kleur’ of het ‘zomerland’. Evenals het niveau van de illusie is deze sfeer een projectie van de bewoners ervan, maar er is een wezenlijk verschil: men schept hier zijn omgeving heel bewust d.m.v. gedachtekracht, terwijl men op het vorige niveau nog ten prooi was aan zijn eigen illusies. Ziekte en pijn komen er daarom niet meer voor. Qua uiterlijk lijkt deze sfeer sterk op de traditionele voorstellingen van de hemel en het paradijs. Opvallend is verder dat hoogstaande kunst, ontdekkingen en uitvindingen in eerste instantie in dit mentale gebied plaatsvinden en vervolgens d.m.v. dromen en inspiratie op aarde worden gerealiseerd. Dat gegeven komt zowel uit BDE-verslagen als uit parapsychologisch onderzoek naar voren.
Als de geest zich nog verder ontwikkelt, daagt het bewustzijn dat men zich moet bevrijden van de vormen die aan het leven op aarde zijn ontleend. Al het aardse is immers eindig en tijdelijk, terwijl het geestelijke oneindig en onsterfelijk is. Deze vormen voldoen dus niet meer: men wil door die barrière heen breken naar de ultieme werkelijkheid, die veel groter is. Via de drie hoogste sferen, die alleen maar abstract kunnen worden beschreven omdat ze zo ver van de aardse werkelijkheid af staan, klimt de mens tenslotte op naar het allerhoogste, goddelijke niveau.
Fontana verwijst in dit verband naar Plato, naar het Tibetaanse boeddhisme en naar het hindoeïsme. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze alle drie uitgaan van de essentie van de werkelijkheid zelf, waaruit de aardse vormen voortkomen. Deze essentie wordt in het hiernamaals uiteindelijk ook bereikt: voor de hindoes is dat het ‘Brahman’, voor mystici zoals meister Eckhart is dat de sfeer van de godheid, voor de christelijke gnostici het ‘pleroma’. Daar nadert men de bron van het bestaan zelf in het zevende en hoogste niveau van het geestelijke leven.
Bij dit alles is er wel een essentieel verschil tussen oosterse en westerse ontwikkelingswegen. Oosterse tradities stellen dat de mens puur op eigen kracht alle illusies en gehechtheden moet overwinnen, terwijl westerse tradities geloven dat de mens daarbij hulp van anderen - in het christendom van Christus - nodig heeft. Die hulp van buitenaf bekort die ontwikkelingsweg trouwens wel enorm. Boeddhisten en hindoes moeten telkens reïncarneren om op eigen kracht de uiteindelijke verlichting te bereiken, terwijl Jezus de mens zijn zonden kan vergeven, zodat hij niet meer terug hoeft te komen om zich te vervolmaken. Het eindpunt is echter voor iedereen gelijk: uiteindelijk bereikt de mens een sfeer waarin hij volmaakt gelukkig is en alle aardse vormen en beperkingen achter zich heeft gelaten. Hij is dan in staat om oneindig en in alle vrijheid te scheppen en lief te hebben – wie zou dat niet willen?
Literatuur:
David Fontana:  “Na de dood – wat kunnen we verwachten?”. Ned. vert. uitgeverij Ankh-Hermes, 2010.
Raymond Moody: “Een blik in de eeuwigheid – gedeelde ervaringen met de dood”, Ned. vert. uitgeverij Bruna, 2011.
Betty Eadie, “Geleid door het licht”, Ned. vert. uitgeverij Bruna, 2008. 

Matthias Schreiber, "De onsterfelijke ziel", Ned. vert. uitgeverij Forum, 2008.

maandag 5 november 2012

Visies op het hiernamaals: deel 1, de levensschouw

Het wegen van het hart. Tafereel uit het Egyptische Dodenboek. Zo te zien loopt het goed af, want het hart is lichter dan de veer, die de Ma'at voorstelt,
het principe van de gerechtigheid bij de oude Egyptenaren.   

Halloween is het feest waarbij men viert dat de geesten van overledenen terugkeren naar de aarde. In de religie en de parapsychologie wordt uitgelegd hoe zoiets mogelijk is. Het gaat hierbij om geesten die vaak niet beseffen dat hun lichaam gestorven is en daarom hier blijven rondzwalken. Toch gaat dat gelukkig lang niet voor iedereen op. Bovendien is het maar een voorbijgaande fase in de ontwikkeling die sommige mensen na de dood doormaken. Interessant wordt dan de vraag hoe dat hiernamaals er in zijn totaliteit uitziet. Welke stadia doorloopt de mens in het geestelijke leven dat hem na de dood  te wachten staat? Wie een serieus antwoord wil op deze vraag– en wie vraagt zich dat nooit eens af – heeft, denk ik, nog het meest aan de opvallende overeenkomsten tussen de beelden die de religies, de parapsychologie en het BDE-onderzoek schetsen van het leven na de dood.

Laat ik beginnen met het bekende beeld van de drenkeling die zijn hele leven in één ogenblik voorbij ziet flitsen. Allerlei belangrijke momenten uit zijn leven ziet hij tegelijkertijd voor zich, zowel beelden uit de kindertijd als uit zijn latere leven. Het lijkt wel een reusachtig tableau dat zich buiten tijd en ruimte bevindt, maar desondanks enorm indringend is.

Dit levenspanorama – ook wel ‘levensschouw’ genoemd – komt voor in alle wereldreligies, in heel veel bijna-dood-ervaringen en in verslagen van tal van séances. Het is een universele ervaring van de mensheid, die ook al bekend was in de oudheid. Kenmerkend hiervoor is, dat men niet alleen beelden ziet uit het eigen leven, maar ook rechtstreeks ervaart welk effect het eigen gedrag op anderen heeft gehad, zowel in positieve als in negatieve zin. Hieraan wordt vaak een soort beoordeling verbonden van het voorbij leven, maar dat hoeft niet meteen te resulteren in straf of zelfs in een vorm van verdoemenis. Je zou beter van herbeleving kunnen spreken. Alles, wat wezenlijk voor je is, passeert nog eens de revue, zodat je je daar zelf een oordeel over kunt vormen. Het belangrijkste criterium daarbij is hoe liefdevol je voor anderen en jezelf bent geweest. Hoe veel mededogen, begrip en verdraagzaamheid heb je voor anderen opgebracht? In BDE-verslagen wordt melding gemaakt van een engel, die bij dit levenspanorama naast je staat en je kalm en vol mededogen helpt om deze indrukken – die schokkend kunnen zijn – te verwerken.
Ik denk dat met ‘het Laatste Oordeel’, dat volgens het Nieuwe Testament zal plaatsvinden op ‘de jongste dag’, deze levensschouw onder leiding van een engel wordt bedoeld. Iedereen krijgt dan de kans om zijn eigen leven te beoordelen en er lering uit te trekken. De ‘jongste dag’ is dan de eerste of jongste dag in het leven na de dood.  
Volgens de Dodenboeken van de Oude Egyptenaren t.t.v. het Nieuwe Rijk (1550-1070 v.Chr.) ging het er in het hiernamaals heel wat pittiger aan toe. Na de dood werd het hart van de overledene, dat alle goede en slechte daden bevatte, op een weegschaal gelegd. Aan de andere kant van de weegschaal legden de goden de Ma’at, de veer die de goddelijke gerechtigheid voorstelde. Als je hart zwaarder was dan de Ma’at, werd het opgevoerd aan een vrouwelijk monster dat al likkebaardend klaar stond om het te verslinden. Was je hart ‘licht’, dan ging je naar hemelse oorden waar de zon altijd scheen en niemand ooit tekort kwam. Dat oordeel werd geveld in het bijzijn van de dodengod Osiris en zijn 42 dodenrechters.
In de piramideteksten van het Oude Rijk (2600-2200 v.Chr.) wordt verhaald dat de ziel van de overleden farao opsteeg naar een eeuwig verblijf tussen de sterren. Om de opgang van zijn ziel te vergemakkelijken waren zelfs schachten in de piramide aangebracht: ze wezen naar de ster die in die tijd de poolster was (Alpha Draconis). Iets dergelijks doet me denken aan de tunnelervaring van BDE’ers: heel in de verte ziet men dan een licht opdoemen, waarachter de hemel zichtbaar wordt. Misschien verwijzen de piramideschachten naar die oerervaring van veel mensen.

Het Oud-Egyptische dodenoordeel was streng maar rechtvaardig, zonder de mogelijkheid van boetedoening waarna het alsnog met je in orde kwam. Daarin verschilt deze rigoureuze visie van de Egyptenaren van de voorstellingen, die men zich in de meeste hedendaagse wereldreligies maakt van het leven na de dood. Hierin keert het levenspanorama terug, maar dat mondt niet uit in een definitief oordeel over de gestorvene: er wordt een vervolg aan gegeven.   
Hoe dat vervolg eruit ziet beschrijft de Britse hoogleraar en parapsycholoog David Fontana in zijn boek “Na de dood – wat kunnen we verwachten?”. Gemakshalve deelt hij het hiernamaals in zeven fasen in. Voor dat doel heeft hij de gegevens van drie vakgebieden verzameld en met elkaar vergeleken, t.w. de grote wereldreligies, BDE-verslagen en het parapsychologisch onderzoek. Centraal staat hierbij de gedachte dat de geest in het hiernamaals eerst vier fasen doorloopt, waarin alles zich hult in vormen die aan het aardse leven zijn ontleend. Daarna volgen er drie fasen of niveaus waarin de ziel zich ook van de beperkingen van die aardse vormen heeft bevrijd en een bijna grenzeloze vrijheid geniet om op alle mogelijke manieren te scheppen en zich in te zetten voor anderen. Graag ga ik daar in het laatste deel van deze artikelen over het hiernamaals op in.  

dinsdag 30 oktober 2012

Halloween: waan of werkelijkheid?



Op 31 oktober wordt vooral in Angelsaksische landen Halloween gevierd. De oorsprong ervan is Keltisch. Voor de Kelten begon het nieuwe jaar op 1 november. De laatste dag van oktober was voor hen dus de laatste dag van het oude jaar. Niemand hoefde dan te werken. Wel moest je oppassen dat je niet door een geest werd aangevallen. De Kelten geloofde namelijk dat op die dag de geesten van de overledenen hun graf verlieten en teruggingen naar de plaatsen waar ze vroeger hadden gewoond. Daar zouden ze zich meester proberen te maken van het lichaam van een levende. Om dat te voorkomen was het handig om een masker te dragen, of zelfs een mal pakje, want men dacht dat dat geesten afschrikte. Ook de pompoenen, die men tegenwoordig uitholt en met een kaarsje verlicht, zijn bedoeld om boze geesten te verjagen.
De oorsprong van Halloween is dus bekend, maar wat is er nu in geestelijke zin ‘waar’ van die tradities? Kunnen de geesten van overledenen werkelijk terugkeren naar de aarde? Zo ja, zijn daar bewijzen voor te vinden en hoe kunnen we dat verschijnsel verklaren? 
Een echte expert op dit gebied was de in 2010 overleden David Fontana. Tijdens zijn leven was hij hoogleraar psychologie aan de universiteit van Cardiff. Ook leidde hij enkele jaren de beroemde Britse ‘Society for Psychical Research’, een instituut dat wetenschappelijk onderzoek verricht naar paranormale verschijnselen. In verschillende publicaties ging hij in op de vragen naar het hiernamaals. Een voortreffelijk boek hierover is “Na de dood – wat kunnen we verwachten?” Een heel sterk punt van dat werk vind ik, dat Fontana de uitkomsten van parapsychologisch onderzoek voortdurend vergelijkt met de ervaringen van BDE’ers en met de uitspraken van de wereldreligies over het leven na de dood. Daardoor krijg je een systematisch overzicht van wat er over het hiernamaals bekend is. Een belangrijk element daarvan is de kennis over geesten, die op de één of andere manier nog aan de aarde gebonden zijn en zich af en toe manifesteren. Dat zijn dus de entiteiten waar het bij Halloween om draait.
Globaal onderscheidt Fontana vier soort aardgebonden geesten. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze zich er meestal niet van bewust zijn dat ze zijn gestorven. Ze denken dat ze nog op aarde leven en hechten daarom sterk aan het materiële bestaan. Toch zijn er tussen die vier groepen belangrijke verschillen. Zo zijn er geesten die plotseling zijn overleden, bijvoorbeeld bij een ramp of een verkeersongeluk. Meestal zijn ze verward en gedesoriënteerd. Daardoor klampen ze zich vast aan bekende plaatsen en personen. Ze hebben nog geen tijd gehad om zich aan de nieuwe situatie aan te passen en denken dat ze nog leven.  

Een heel andere categorie wordt gevormd door geesten, die nog steeds gebonden zijn aan het materiële leven doordat hun nabestaanden of vrienden maar geen afscheid van hen kunnen nemen. De sterke emotionele binding, die de achterblijvers met de overledenen hebben – bijvoorbeeld door intense rouw - verhinderen dat zij zich in de geestelijke wereld verder kunnen ontwikkelen en houden hen in zekere zin binnen de aardse sfeer gevangen.

Een derde groep bestaat uit overledenen die op aarde zijn blijven ronddwalen doordat er onafgemaakte zaken zijn waar ze maar geen afscheid van kunnen nemen. Ze koesteren bijv. wrok tegen iemand of zijn ontevreden over de manier waarop er met hun nalatenschap wordt omgegaan. Deze geesten hebben met elkaar gemeen dat er iets is dat hen kwelt; dat moeten ze nog recht zetten voordat ze de aardse sfeer kunnen verlaten. Dat kan zich uiten in verschijningen en poltergeist-toestanden. Het zal duidelijk zijn dat vooral entiteiten uit deze categorie nog wel ‘es willen spoken. Sommige geesten zijn zelfs uitgesproken kwaadaardig.

Tenslotte is er nog een groep die gekenmerkt wordt doordat ze tijdens hun leven nooit in een hiernamaals hebben geloofd. Zij kunnen zich niet voorstellen dat hun bewustzijn na de dood blijft bestaan. Daarom klampen ze zich aan het aardse leven vast. Ook kunnen ze agressief worden door wat er na de dood met hun dierbaren of bezittingen gebeurt, want ze willen de gang van zaken op aarde nog steeds naar hun hand zetten, ook al zijn ze overleden.

Om verschillende redenen kunnen mensen na hun dood dus nog gehecht zijn aan het leven, dat ze hier hebben geleid, waardoor ze zich niet verder kunnen ontwikkelen. In geestelijke zin werken ze daardoor nog op aardse gebeurtenissen in. Ik denk dat Halloween ons herinnert aan de kennis, die er in oude culturen over deze geestenwereld bestond. Maar hoe past dit binnen het totale plaatje van het leven na de dood, zoals dat uit de parapsychologie, het BDE-onderzoek en de grote wereldreligies bekend is? Wat zijn de grote lijnen die bij een vergelijkend onderzoek hiernaar zichtbaar worden? Graag ga ik daar in een volgend artikel op in.       

maandag 22 oktober 2012

Recensie van "Maanlicht" van Hella Haasse


Het overkomt elke schrijver wel eens: je hebt een verhaal of artikel geschreven waar je redelijk tevreden over bent, maar toch is het voor je gevoel niet helemaal af. Eigenlijk zou je het nog wat moeten bijschaven. Om de een of andere reden kom je daar gewoon niet toe. Je legt het weg in een la, tussen een stapel oude boeken of in een groezelig mapje. Maanden later schiet je opeens te binnen dat je het geschreven had. Met het zweet onder de oksels haal je al je boeken uit de kast. Je doorzoekt de laden van je bureau en zet je hele kamer op de kop  - maar het is verdorie weg. Verdwenen. Opgelost in het niets. Maanden later herhaal je die hele operatie, maar opnieuw zonder resultaat. Een gevoel van doffe berusting maakt zich op den duur van je meester, een subtiel rouwproces, af en toe nog vermengd met een sprankje hoop.  
 
Zo ongeveer moet het Hella Haasse zijn vergaan toen ze zocht naar een witte map met verhalen die ze ooit nog wilde uitgeven. Enkele jaren voor haar dood begon ze er over, maar nooit slaagde ze erin die teksten te vinden. Pas na haar dood kwamen enkele verhalen te voorschijn. Niet in een witte map, maar in allerlei laden en kasten. Sommige van die teksten bevatten doorhalingen en correcties. Twee ervan waren al eerder gepubliceerd, maar ze heeft ze later aangepast. Gelukkig heeft men besloten er een bundel van samen te stellen, want ze zijn beslist de moeite waard.
Wat mij in deze bundel vooral aantrok was de wervende tekst in de advertenties: het zou gaan om ‘duistere, geheimzinnige gebeurtenissen en onverklaarbare verschijningen’.  Nieuwsgierig begon ik er daarom in te lezen. Ik moet bekennen dat de inhoud mij niet tegenviel. Deze verhalen, geschreven tussen (waarschijnlijk) 1938 en 1950, hebben allemaal als rode draad dat er een verbinding is tussen de materiële wereld en een ander bestaansniveau, dat zich ófwel in een andere tijd, ófwel buiten alle tijd en ruimte lijkt te bevinden.
In het eerste verhaal verliest een vrijgezelle man, die bij een bank werkt en een eentonig leven leidt, alle houvast als hij ’s avonds laat de stad in gaat en allerlei kroegen bezoekt. In een uitgestorven steeg kijkt hij om zich heen. Opeens krijgt hij daarbij het gevoel dat de wereld, die hij ziet, beangstigend en onwerkelijk is. Daarop wordt hij aangesproken door een vreemdeling die hem desondanks bekend voorkomt; het lijkt wel een dubbelganger van hemzelf. Deze neemt hem mee naar een danszaal, waar de werkelijkheid steeds groteskere vormen begint aan te nemen. Op den duur wordt hij door de man meegenomen naar een grot, waar de dansmuziek vandaan komt. De musici blijken duivelse monsters te zijn;  de wereld als geheel ervaart hij als ‘een demonisch dansfeest’. ’s Anderendaags  vlucht hij daarom naar een verlaten eiland, waar hij zijn verhaal vertelt aan iemand die het eiland op doorreis aandoet.
Het verhaal ‘Maanlicht’ is beslist het beste van deze bundel. De hoofdpersoon hierin verblijft een paar dagen in een royaal Amsterdams grachtenpand. Dit zestiende-eeuwse optrekje doet in het begin heel aangenaam en verstild aan. Die stilte wordt op den duur beklemmend als er boven in het huis het gehuil weerklinkt van een grote hond, die ook op een muur is afgebeeld. Plotseling verandert het perspectief en beleeft de hoofdpersoon gebeurtenissen uit de zestiende eeuw, waarbij een agressieve hond door zijn baas wordt doodgeschoten.
Hetzelfde motief – een afbeelding die als een soort toegangspoort naar een andere werkelijkheid fungeert – kom je tegen in het derde verhaal ‘Landschap in olieverf’. Een vrouw, die samen met haar man bij haar schoonmoeder is ingetrokken, raakt gefascineerd door een schilderij en stapt op den duur door het doek het schilderij binnen. Vaag is ze zich dan nog van de gewone wereld bewust.
Het laatste verhaal “Caulder Hall” vond ik minder geslaagd omdat het wel heel onwaarschijnlijk is. Een eenzame Nederlandse dame logeert een paar dagen in een afgelegen landhuis in Schotland waar excentrieke, mismaakte mensen wonen.’s Avonds hoort ze uit de kamer naast haar de vertrouwde geluiden van een moederlijk type dat zich gereed maakt voor de nacht en dan het licht uitdoet. Ze denkt dat daar de eigenaresse slaapt die zich overdag heel ongastvrij tegenover haar gedraagt. Dat klopt niet, want het spookt daar. Die kamer is namelijk helemaal leeg.
“Maanlicht” vond ik een bundel met fascinerende verhalen. Een echte aanrader voor liefhebbers van vertellingen waarin de alledaagse werkelijkheid in verbinding staat met een diepere, occulte wereld, die als een soort onderstroom vol duister, instinctief leven wordt beschouwd. Misschien is het daarom wel niet helemaal toevallig dat juist deze occulte verhalen pas na haar dood zijn verschenen.

woensdag 17 oktober 2012

Het land van de vergeten zielen

 

Het moet een uur of drie zijn geweest toen ik wakker werd van een gerucht vlak naast mijn bed. Het klonk alsof iemand zijn keel schraapte. Slaapdronken sloeg ik de ogen op, maar in het halfduister van de slaapkamer kon ik niets bijzonders ontdekken. Gerustgesteld draaide ik mij om in een poging weer de slaap te vatten. Ik was al bijna weer ingedommeld toen het geluid opnieuw klonk, iets harder nu dan eerst. Geschrokken richtte ik mij op en staarde vol ontzetting naar de gestalte die aan het voeteneind van mijn bed stond. Daar stond een man in blinkend witte kleren. Er straalde zo’n gloed van hem af dat de hele kamer erdoor werd verlicht. “Ik wil je iets laten zien, een gebied waar je nooit eerder bent geweest”, zei hij kalm. “Wees niet bang, want ik zal jou de ogen openen voor dingen waar je nooit eerder bij stil hebt gestaan.”
Er was iets in die man – een engel, zo besefte ik nu – wat me vertrouwen inboezemde. Hij straalde enorm veel kracht uit, maar ook wijsheid. Zijn houding was vaderlijk en  tactvol. Daarom sloot ik mijn ogen, benieuwd naar wat me te wachten stond.
Hij legde zijn linkerhand op mijn hart. Met de vingertoppen van zijn rechterhand beroerde hij vluchtig mijn voorhoofd. Daarop zonk ik weg. Het was alsof ik me pijlsnel door een tunnel bewoog. Steeds sneller ging het; met een duizelingwekkende vaart trokken allerlei beelden aan me voorbij. Ook was er een geluid als van duizend stemmen, dat aanzwol totdat ik dacht het bewustzijn te zullen verliezen.
Opeens hield dit alles op en ik sloeg mijn ogen open. Ik bevond me in een glooiend weidelandschap, omzoomd door bossen. Er was geen zon te zien, maar toch was het midden overdag; het licht leek overal vandaan te komen. De engel stond vlak naast me. Hij wees naar iemand die over de heuvels naderde. “Dit is een vriend van je die jaren geleden is overleden. Hij wil jou graag iets zeggen.”
Hij zag er nog precies zo uit als vijftien jaar geleden, toen ik hem voor het laatst in levende lijve zag: Werner, de Duitser. Door het werk in een drukkerij had hij loodvergiftiging opgelopen. In de V.S. was hij daarvoor behandeld, maar uiteindelijk was hij eraan bezweken. Op een avond, toen hij net als anders alleen thuis was, was hij gestorven. De t.v. stond nog aan toen ze hem vonden, de omroepgids lag opengeslagen naast hem op een bijzettafeltje.
Met uitgestoken hand kwam hij op mij af. “Ik ben blij je weer te zien”, sprak hij. “We hebben samen vaak gesproken over de dood. Jij zei dat je zeker wist dat er een hiernamaals was. Ik was daar niet zeker van. Nu wel.” Hij keek me guitig aan. “Het is hier mooier dan op aarde. Ik ben niet meer ziek. Kijk maar: mijn handen zijn nu gaaf, mijn gezicht ook.“ 
Hij pauzeerde even, zocht naar woorden. “Maar ik heb je de laatste jaren van mijn leven wel gemist. Waar was je al die tijd? Ik werd zieker en zieker, durfde je niet te bellen omdat je een druk gezin had. Was je me vergeten?”
Ik stamelde wat, probeerde me te verontschuldigen, maar het was al niet meer nodig. Hij las mijn gedachten. “Je wilde misschien wel, maar kwam er door al jouw besognes gewoon niet aan toe. Jammer.” Zijn gezicht lichtte op: “Ik ga nu verder, want ik ben bezig deze wonderlijke wereld te ontdekken. Later zullen we elkaar opnieuw tegenkomen.” Hij groette me hartelijk. Al snel verdween hij uit het zicht.
Een andere gestalte kwam nu naar me toe. Ik herkende hem: het was Gerben. Met een stralend gezicht kwam hij op me af. “Ik ben nu gelukkig, want wat had ik het zwaar in mijn laatste maanden. Mijn hele buik zat vol kanker.” Opeens viel er een schaduw over zijn gezicht. “Waarom heb je me niet opgezocht toen ik zo ziek was? We zouden toch samen gaan sterren kijken?”
Ik voelde een brok in mijn keel, wist niet waar ik kijken moest. Gelukkig vatte hij het niet zwaar op. “Het drong niet echt tot je door hoe ziek ik was en ik durfde het tegenover anderen ook niet toe te geven. Maar ik had je nog graag even gezien de laatste maanden.” Hij verdween weer. Maar ik zag in de verte méér mensen aan komen lopen, het was een hele rij.
Beschaamd keek ik op naar de engel. Kalm, zonder oordeel, keek hij me aan. “Dat is wat ik je wilde laten zien. Maar je bent niet de enige. Heel veel mensen kwijnen weg in eenzaamheid. Ze zouden zich al een stuk beter voelen als anderen wat meer naar hen omkeken. Dat klinkt heel simpel. Toch is het in de praktijk vaak ontzettend moeilijk. Vroeg of laat wordt iedereen met de gevolgen van zijn eigen daden geconfronteerd. Dat geldt ook voor het ontlopen van mensen die ernstig ziek zijn.”
Opnieuw legde de engel mij de handen op. Daarop zonk ik weg; het landschap om mij heen vervaagde. Even later werd ik badend in het zweet wakker en keerden de contouren van mijn slaapkamer weer. Ik keek op de wekker: het was vijf voor half vier. Die nacht sliep ik niet meer.

Bij het overlijden van Hendrik Kremer.
Opgedragen aan al mijn vergeten zielen, die toch niet vergeten zijn.
Bijpassende song: Memories - Within Temptation. 

 
 

vrijdag 12 oktober 2012

Vision - Film over het leven van Hildegard von Bingen


Beeld uit "Vision": Barbara Sukowa in haar rol als Hildegard von Bingen
 

In 1975 maakte Margarethe von Trotta als regisseur een daverend debuut met de film “Die verlorene Ehre der Katharina Blum” – een felle aanklacht tegen de Duitse schandaalpers - en in 1981 won ze met het psychologische drama “Die bleierne Zeit” de Gouden Leeuw op het Venetiaanse filmfestival. Ik was dan ook zeer benieuwd naar “Vision”, de door haar geregisseerde biografie over de twaalfde eeuwse mystica Hildegard von Bingen. Na het zien van deze film moet ik zeggen dat het resultaat mij niet tegenviel. “Vision”, uitgebracht in 2009, is niet geschikt voor liefhebbers van actiefilms, want die zullen vast gillend de zaal uitlopen. Voor mensen die houden van psychologische drama’s is hij echter zeer de moeite waard. Trotta is erin geslaagd om een goed beeld te geven van de sfeer van de vroege Middeleeuwen. Ook de karaktertekening van Hildegard en haar tijdgenoten komt vrij goed overeen met wat er in literaire bronnen over haar bekend is.

De titel van deze rolprent geeft aan wat de drijvende kracht was in Hildegards leven: de visioenen die zij al vanaf haar derde jaar zag. Daarbij verscheen haar een reusachtige zonneschijf waarop beelden werden geprojecteerd. Aan het eind van haar leven beschreef zij deze beelden a.v.: “Het licht dat ik aanschouw is niet aan de ruimte gebonden. Het is veel lichter dan een wolk, die de zon in zich draagt. Het wordt mij als ‘de afschaduwing van het levende licht’ aangeduid. En zoals de zon, de maan en de sterren zich in het water spiegelen, zo lichten daarin geschriften, woorden, krachten en bepaalde werken van de mensen voor mij op.”
Nu was het voor een monnik in de Middeleeuwen al heel moeilijk om van de kerkelijke autoriteiten erkenning te krijgen voor goddelijke openbaringen; voor een non was dat al helemaal een heidens karwei. Wie daarop aanspraak maakte, maar de clerus niet meekreeg, liep het risico om in het vervolg als ketter door het leven te gaan. Hildegard liet zich echter niet uit het veld slaan. Haar innerlijke drang om ermee naar buiten te komen was zó groot, dat ze haar geestelijke leidsman Volmar in vertrouwen nam en hem vertelde over haar openbaringen en visioenen. Deze tekende haar visioenen op en bracht op zijn beurt de abt van het benedictijner klooster op de hoogte, “dat we een non in ons midden hebben die boodschappen van God ontvangt”.

Trotta brengt die scène prachtig in beeld. Je ziet een abt, die zich van zijn waardigheid bewust is en de monnik Volmar op strenge toon ondervraagt: “Ben je er zeker van dat het geen boodschappen van de duivel zijn? En waarom heb je haar boodschappen zonder mijn toestemming opgeschreven? Daar heb je straf voor verdiend!”
Nederig buigt de monnik daarop voor zijn meerdere, maar hij verzekert hem dat hij ervan overtuigd is dat deze boodschappen zuiver zijn. De abt krabt zich dan peinzend over zijn kin totdat zijn ogen langzaam oplichten en er dollartekens in verschijnen: “Als men te weten komt dat we een non in ons klooster hebben die visioenen van God ontvangt, zullen we daar veel eer mee inleggen. De rijken zullen dit horen en ons veel geld en landerijen schenken!”

Hij geeft zich dus gewonnen. Daarmee zijn de problemen nog lang niet over, want een bisschoppelijk college, dat haar opdraagt om tekst en uitleg te geven over haar visioenen, trekt haar openbaringen later in twijfel: de paus zal over haar openbaringen moeten oordelen! Trotta portretteert deze mannen als Farizeeërs, die in lange, met edelstenen belegde jurken rondlopen en om zich heen kijken alsof niet God, maar zij zelf heer en meester zijn over deze wereld. Wanhopig richt Hildegard zich dan in een brief tot Bernardus van Clairveaux, een Franse cisterciënzer abt die in die tijd heel veel invloed had. Deze geeft zich al snel gewonnen en doet een goed woordje voor haar bij de paus. Daarmee is het pleit beslecht: Hildegards visioenen mogen met toestemming van de kerk worden opgetekend en verspreid.
Niet veel later – zo rond het midden van de twaalfde eeuw – verschijnt haar eerste boek “Scivias” – “Ken de wegen van de Heer”.  In diezelfde periode krijgt ze het gedaan dat ze een eigen vrouwenklooster mag stichten op de Rupertsberg bij Bingen, waarbij ze door de leiding van haar vroegere klooster behoorlijk wordt tegengewerkt. Dit klooster wordt een groot succes. Daarom wordt in 1165 onder haar leiding een tweede klooster gesticht, ditmaal in Eibingen.

Het is onmogelijk om het leven van zo’n belangrijke mystica in een film samen te vatten. Trotta beperkt zich daarom tot de essentie. Ze laat een uiterst gedreven en wilskrachtige non zien, die een taaie strijd moet voeren tegen de weerbarstige, uit mannen bestaande kerkelijke hiërarchie, die vooral uit was op bestendiging van de eigen machtspositie. En passant brengt ze daarbij ook in beeld waarin Hildegard uitblonk. Zo was zij was een van de grondleggers van de moderne geneeskunde en de eerste componiste die we met naam en toenaam kennen. Er bestaat tot op de dag van vandaag zelfs nog een tak van de alternatieve geneeskunde die op haar kennis van geneeskrachtige kruiden is gebaseerd.
Voor mijn gevoel staat Hildegard op dezelfde hoogte als Akiane Kramarik en Jeanne d’Arc. Het zijn alle drie vrouwen die leven vanuit de kracht van hun religieuze idealen: bezield, standvastig en onvermoeibaar. Toch hebben ook zij heel menselijke kanten. Trotta heeft dat laatste mooi in beeld gebracht. Dat maakt Hildegard alleen maar herkenbaarder en aantrekkelijker. Ondanks al haar religieuze ijver was en bleef zij een mens van vlees en bloed. Naar mijn smaak is dat Trotta’s grootste verdienste met “Vision”.    

dinsdag 2 oktober 2012

Integratie, een doodnormaal kosmisch verschijnsel


 
In bijna elk land zijn wel politici te vinden die zo’n hekel hebben aan buitenlanders dat hun politieke programma’s vooral zijn gebaseerd op vreemdelingenhaat. Het idee hierachter is dat een land er wel bij vaart als het ‘van vreemde smetten vrij’ is. Meestal komt dat erop neer dat zo veel mogelijk buitenlanders eruit moeten worden geschopt omdat zij verantwoordelijk zouden zijn voor alle maatschappelijke onrust, criminaliteit en werkloosheid. Als we die gekleurde, koeterwaals sprekende figuren het land uit hebben gewerkt, breken gouden tijden aan en is het weer rustig op straat en in de tram, zo luidt de simpele redenering die nog steeds een grote aantrekkingskracht uitoefent op eenvoudige lieden.
 

Vanuit de kosmos lijkt die gedachtegang nu te worden tegengesproken: ook in het heelal zijn allochtonen een doodnormaal verschijnsel. Heel veel zonnestelsels bevatten namelijk planeten, die vroeger rondom een andere ster hebben gedraaid. Het gebeurt soms dat een planeet op korte afstand wordt gepasseerd door een grotere, zwaardere planeet of door een ster. Daardoor kan hij uit zijn normale baan rondom een ster worden geslingerd. Zijn de krachten, die op zo’n planeet worden uitgeoefend, sterk genoeg, dan verdwijnt hij in de diepten van het heelal. In theorie kan dat zelfs met bewoonde planeten gebeuren!

Dat betekent trouwens niet dat een dergelijke planeet gedoemd is om voor altijd in zijn eentje door het heelal te zwerven. Na verloop van miljoenen jaren kan onze kosmische landloper opnieuw rakelings een toevallige ster passeren. Als zo’n ster met ongeveer dezelfde snelheid om het centrum van het melkwegstelsel draait en in dezelfde richting beweegt, kan die planeet zelfs voorgoed in zijn zwaartekrachtsveld terecht komen. Hij gaat dan baantjes draaien rondom zijn nieuwe gastheer. In sterrenkundig jargon spreekt men dan van een planeet die is ‘ingevangen’.
Zulke planeten komen redelijk vaak voor. Ongeveer één op de twintig sterren heeft een planeet om zich heen draaien die hij op zijn tocht door de ruimte heeft gevangen. Dat is kort geleden door twee sterrenkundigen ontdekt. De Nederlandse astronoom Thijs Kouwenhoven en zijn Israëlische collega Hagai Perets hebben dit vastgesteld nadat ze hadden onderzocht hoe de sterren in zgn. ‘open sterrenhopen’ om elkaar heen bewegen. Open sterrenhopen zijn groepen van tussen de 100 en de 1000 sterren. Ze staan vrij dicht op elkaar en zijn in dezelfde periode geboren. Omdat men tegenwoordig weet dat er om heel veel sterren planeten draaien – op 2 oktober dit jaar waren er al 838 ontdekt! – zal het in zo’n dichtbevolkte sterrenhoop af en toe gebeuren dat een planeet van het ene zonnestelsel naar het andere hopt. Zo’n reis van het ene zonnestelsel naar het andere kan zo maar miljoenen jaren duren. Sommige migrantenplaneten komen zelfs nooit bij een andere ster aan. Zo zijn er vrije planeten ontdekt die niet om een ster, maar om een andere vrije planeet zijn gaan draaien. Dat zijn twee eenzame zielen die elkaar gevonden hebben, zeg maar. In kosmische zin hokken ze samen op een eiland dat verder onbewoond is.

Sterrenkundigen hebben intussen ook verklapt dat het met die allochtone planeten goed gaat. Van botsingen of opstootjes is geen sprake, laat staan van scheldpartijen over en weer. Autochtone planeten en de pas binnengekomen migranten laten elkaar altijd met rust. Keurig netjes draaien de verse allochtonen op gepaste afstand rondom hun nieuwe ster. Meestal zijn hun banen wat groter dan die van hun autochtone broertjes en zusjes. Dat is normaal. Ze zijn immers net uit het heelal aan komen waaien. Ook gebeurt het vaak dat ze onder een wat andere hoek rondom hun nieuwe ster cirkelen. Toch is hun integratie keurig netjes verlopen. Geen wonder, want in het heelal maakt het geen lichtseconde uit waar je vandaan komt. Naar afkomst en grootte wordt in de kosmos niet gekeken. Relletjes komen in de ruimte dan ook niet voor. Wat wil je ook: in tegenstelling tot op aarde is integratie in het heelal een doodnormaal verschijnsel.

maandag 24 september 2012

Is er nog toekomst voor de religies?


 
De simplistische manier waarop veel journalisten tegenwoordig denken en spreken over religie is echt tenenkrullend. Zonder het openlijk te zeggen wordt maar al te vaak verondersteld dat gelovigen vertegenwoordigers zijn van een soort achtergebleven levensgolf, naïevelingen die kruisjes slaan als hun iets ergs overkomt, domkoppen die vast blijven houden aan goden die slechts de producten zijn van hun retrograde fantasiewereld. Een markant voorbeeld van dat type godsdiensthaters is Jeroen Pauw.  Kluun schreef in zijn in 2010 verschenen boekje "God is gek – de dictatuur van het atheïsme" ook al over de stupide manier waarop deze man tegen gelovigen aankijkt. Dat geldt ook voor veel van zijn collega’s. Hun hooghartige, zelfgenoegzame ontkenning van het bestaan van een geestelijke werkelijkheid staat in schril contrast met hun gebrekkige kennis van religies en buitenzintuiglijke verschijnselen.
Toch is nog steeds het grootste deel van de Nederlanders gelovig. Ongeveer veertig procent is lid van een kerk, bijna een kwart wordt gerekend tot de 'niet-kerkelijke spirituelen'.  Een wat kleiner gedeelte is agnost. Echte atheïsten zijn maar een kleine minderheid, namelijk 14%. De onderzoeken, die de afgelopen jaren zijn verricht naar de religiositeit van de Nederlandse bevolking, geven allemaal datzelfde beeld te zien.  Daarom vraag ik me af hoe het komt dat veel opinieleiders zo'n uitgesproken atheïstisch standpunt innemen. Ze vertegenwoordigen immers niet de overgrote meerderheid, die wel degelijk in een andere, geestelijke werkelijkheid gelooft – in welke vorm dan ook. Ik denk dat het komt doordat het onder linkse intelligentsia trendy is om zich uit alle macht af te zetten tegen alles wat naar autoriteit en verzuiling riekt – en de kerken worden bij uitstek als bolwerken van autoritarisme, dogmatisme en onderdrukking gezien.

Niettemin is het de vraag of religiositeit en kerkelijkheid zonder meer op één lijn mogen worden gesteld. De onderzoeken, die de afgelopen jaren hiernaar zijn verricht, geven duidelijk aan dat veel mensen zich van de kerk hebben afgekeerd, maar niet van spiritualiteit. New Age – een amalgaam van allerhande groepen en groepjes – is zo langzamerhand getalsmatig even groot geworden als de traditionele kerkgenootschappen, zo niet groter. Toch staat deze stroming niet sterk in zijn schoenen: het is een reus op lemen voeten.  New Age kenmerkt zich vooral door het vrijblijvende karakter ervan en door ‘reli-shopping’ – het bij elkaar scharrelen van ingrediënten uit allerhande, vaak met elkaar strijdige tradities. Het lijkt dan ook vooral een modeverschijnsel. De opkomst van het Nieuwe Tijdsdenken kan niet verhullen dat de ervaring van een andere, niet-ruimtelijke en niet-tijdelijke werkelijkheid langzaam aan het verdwijnen is. De spiegeltjes en kralen van New Age zijn een voorbijgaand en ook erg commercieel verschijnsel. Denk maar eens aan de vele parabeurzen, waar helderziende standwerkers, zolderkamerastrologen en Klazien-uit-Zalk-achtige types op een achternamiddag hun koopwaar aanbieden.
Betekent dat nu dat de toekomst voor de wereldgodsdiensten er somber uitziet? Gaan zij op den duur helemaal verdwijnen? Ik denk het niet. Als je kijkt naar de geschiedenis van de mensheid – vooral naar de grote lijnen ervan – lijkt het er meer op dat het atheïsme zijn beste tijd heeft gehad, vooral na de val van de Muur en het communisme, de meest atheïstische ideologie die de mensheid ooit heeft gekend.  Wie die grote lijnen in het oog houdt, ziet ook nog iets anders.    

Net als de laatste episoden van het Romeinse Rijk wordt ook onze tijd gekarakteriseerd door megalomane bouwwerken, sociale onrust, angst voor vreemdelingen en voortwoekerend ongeloof. Ik geloof dan ook dat onze beschaving-  of wat daarvoor doorgaat - het niet erg lang meer uit zal houden, in elk geval niet in de huidige vorm. Dat ook de religie zich zal vernieuwen, staat vast. Perioden van ongeloof hebben nooit zo heel erg lang geduurd. En mensen die het bestaan van een andere, geestelijke wereld hebben ontkend en er de spot mee dreven, waren er ook altijd al. Maar hun meningen waren nooit meer dan onbeduidend gekrabbel in de marge van de geschiedenis. Daar verandert geen breinbaas als Dick Swaab iets aan, noch een atheïstische curiekardinaal als Richard Dawkins.

De diepe, voortgaande impuls van de menselijke geschiedenis is spiritueel van karakter, omdat de mens een spiritueel wezen is. Religies zijn ontstaan doordat de mens een andere werkelijkheid ervoer en daar door rituelen en tradities vorm aan gaf. Die tradities raakten steeds meer versteend en verstard. Dat neemt niet weg dat religieuze ervaringen van alle tijden zijn. Altijd en overal hebben mensen dat andere bestaansniveau ervaren en er uitdrukking aan gegeven. Daarom zullen religies zich hooguit vernieuwen en van vorm veranderen als ze zich van hun verstarde rituelen en machtsstructuren hebben bevrijd. De geestelijke wereld, die aan de basis van de menselijke ervaring ligt, verandert zelf niet. Daarom geloof ik niet dat er ooit een eind komt aan de dominante kracht van religies – hoe men daar verder ook over mag denken.

woensdag 19 september 2012

Helgoland 2012 - (2)


De karakteristieke rotsen van Helgoland, met helemaal links 'lange Anna´,
het tegenwoordige symbool van het eiland. Het is een meer dan 40 meter hoge rots.

“Welkoam ipp Lunn” stond er in reusachtige letters op de kade toen we bij het eiland aankwamen. Dat is de Noord-friese manier om je welkom te heten. Helgoland is van oorsprong een Fries eiland. De plaatselijke variant ervan is het ‘Halunder’. Jammer genoeg wordt het nauwelijks meer gesproken. De conservator van het museum vertelde me dat er nog maar zo’n 80 sprekers van die taal over zijn. “Met enige moeite kan iemand, die het Fries uit Nederland goed beheerst, een spreker van onze eilandtaal verstaan”, zei hij, “maar dan moet je wel langzaam spreken”. Me dunkt dat de meeste Friezen er geen koekjes van kunnen bakken. Ik ook niet trouwens, want ik ben een Groninger.
 
De naam ‘Helgoland’ betekent ‘heilig land’. Toen het eindelijk lukte om de stugge Friezen, die aan hun eigen goden wilden vasthouden, te bekeren tot het christendom, werd hun eiland meteen heilig verklaard. Tegenwoordig valt het met die heiligheid wel mee. Men dient er nu de Mammon. Als je vanaf de kade het stadje binnenloopt, struikel je over de grote en kleine winkels waar je ‘zollfrei’ sterke drank, juwelen, parfums, chocola, tabak en optiek kunt kopen. Omdat je er geen btw hoeft te betalen, wordt het eiland overstroomd met Duitse dagjesmensen die met grote boodschappentassen de straten afschuimen op zoek naar goedkope drank en sigaretten. Jongelui zie je er maar weinig; wat er door de nauwe straatje scharrelt zijn bijna allemaal Duitsers van middelbare leeftijd.

Dat Helgoland een toeristische trekpleister van jewelste is geworden, is niet zo’n wonder. Het is een adembenemend mooi eiland, met hoge, roodbruine rotsen die wel zo’n 60 meter boven de Noordzee uitsteken. De westkust van het eiland bestaat uit een hele serie kliffen waar je een schitterend uitzicht hebt op de zee en op de vogelkolonies die er op de rotsen nestelen. Een wandelroute van zo’n 3 kilometer voert je langs alle mooie plekjes.

In de oorlog is het eiland verschillende keren door de RAF gebombardeerd. Sporen van bomkraters zijn hier en daar zelfs nog zichtbaar. Dat is niet helemaal toevallig. De Kriegsmarine had er een basis voor de U-booten die Engelse koopvaardijschepen naar de kelder probeerden te jagen – vaak met succes. Op 18 april 1945 hebben de Engelsen daarom geprobeerd het eiland compleet met de grond gelijk te maken. Tevergeefs. Na de oorlog hebben ze alles, wat nog restte uit de nazitijd, in de lucht laten vliegen. De zuidpunt van het eiland is daarbij in zee gestort.

Voor de Friezen heeft Helgoland nog steeds een heilige, bijna mystieke betekenis. Eens in de drie jaar komen Friezen uit alle gewesten – Westerlauwers Friezen uit Nederland en Oost- en Noord-Friezen van de Duitse kusten en eilanden – op het eiland samen. Het is het hart van het oude, middeleeuwse Friesland, het geografische middelpunt van alle oorspronkelijk Friestalige gebieden.

Het mooiste, maar ook meest tragische symbool daarvan vind ik de ‘Likedeelers’, woeste zeerovers die rond 1400 de Nederlandse, Duitse en Scandinavische kusten onveilig maakten. Hun aanvoerder was Klaus Störtebeker. Ze beschikten over een eigen vloot, die in 1389 tijdens een Deense aanval op Stockholm door de Zweden te hulp werd geroepen om de stad tijdens een belegering te bevoorraden. Ze slaagden erin de aanvallers te verjagen. Na dit krachtstaaltje pakten ze echter hun slechte zeeroversgewoonten weer op. De Nederlandse en Duitse autoriteiten zagen hen daarom als een bedreiging voor hun handelsbelangen en joegen de Likedelers rond 1300 voor de kust van Helgoland naar de kelder. Iets van de trotse, onafhankelijke geest van Störtebeker kom je nog steeds in alle Friese gewesten tegen. Men noemt hem ook wel ‘de Robin Hood van de Noordzee’. Op veel plaatsen wordt deze Friese zeerover tegenwoordig nog als een held vereerd. Een sloep met de naam van deze zeeheld voer ons zelfs terug naar de veerboot toen we twee dagen later van het eiland vertrokken.

zaterdag 8 september 2012

Helgoland 2012: een reis met hindernissen


Soms zit alles tegen als je op vakantie wilt: de kinderen blêren achter in de auto, het huisje dat je had gehuurd blijkt maar half zo groot te zijn als op de website van het park stond vermeld en je laptop wordt gejat als je de auto onbeheerd achter hebt gelaten om een hapje te eten. Een dergelijke reis naar Helgoland beleefden wij gisteren ook. Het was onze bedoeling om in Wilhemshafen aan boord te gaan, maar daags ervoor werden we door de rederij gebeld dat het weer zó slecht zou worden, dat de veerboot naar Helgoland niet uit zou varen. Wel konden onze kaarten worden omgeboekt naar een trip vanuit Bremerhafen. Gelukkig is dat vanuit onze woonplaats maar een half uurtje extra rijden; dat viel dus mee. Daarom vertrokken we vrijdag in alle vroegte naar die havenstad. Onze TomTom hadden we ingesteld op de postcode van de zeehaven, omdat hij het adres van de aanlegplaats niet kon vinden. Achteraf gezien bleek dat niet zo handig, want we hebben wel een half uur rondgereden langs allerlei steigers en kaden met schepen voordat we op de plek van bestemming aankwamen. Drie keer heb ik de weg gevraagd. Twee keer werd ik met een kluitje in het riet gestuurd. Gelukkig kreeg ik bij mijn derde poging een bruikbaar antwoord. Dat was wel nodig ook, want de tijd begon te dringen. De boot naar Helgoland vaart maar één keer per dag. Buiten adem kwamen we zeven minuten voor vertrek op het schip aan.

We dachten dat het met ‘das slechtes Wetter’, dat in Duitsland was voorspeld, wel mee zou vallen. In het begin leek dat ook zo. We voeren weg bij een kalme zee en weinig wind. Helaas zaten we niet zo ver van een groepje Duitse jongelui, dat al om negen uur flink begon te hijsen. Naarmate het tochtje vorderde nam hun stemvolume toe en schalde de ene platte grap na de andere door het restaurant. Uiteraard vormden gekleurde medemenschen daarbij een geliefkoosd mikpunt.

Na ongeveer twee uur varen kwamen we in een gebied met heel veel zeegang terecht. Sommige golven waren zeker drie meter hoog. Glazen en kopjes rolden van tafel, en geluiden van brekend glaswerk vermengde zich met het gejoel van de drinkebroers die niet meer bijkwamen van het lachen, vooral niet toen een paar mooie meiden niet goed werden van de deining en stilletjes in een hoekje kropen om de storm af te wachten. In een atmosfeer van bierwalm, dronkemanspraat en kotsende medepassagiers bereikten we pas tegen enen Helgoland, dat mistig opdook uit de Noordzee. De meeste passagiers zagen nog bleekjes om de neus toen we overstapten in de sloep die ons naar het eiland moest brengen.
’s Middags konden we in ons hotel uitstekend gebruik maken van het internet via een wifi-verbinding. Omdat het hotel reclame maakte met gratis internet, had ik mijn laptop meegenomen. Da’s leuk voor de thuisblijvers, dacht ik. ’s Avonds om een uur zeven viel de verbinding jammer genoeg opeens uit. Ik ben al snel naar beneden gegaan, op zoek naar de hoteleigenaar. Deze man, een vlot babbelende Italiaan, die mij door zijn mimiek en kolderieke grappen aan  Alberto Begnini doet denken, gaf mij te verstaan dat hij ooit wel een wifi-netwerkje in zijn hotel had gehad, maar ermee opgehouden was omdat er wel eens problemen mee waren geweest. Waarschijnlijk hadden we tijdelijk gebruik kunnen maken van de wifi van een belendend hotel. Als ik wilde internetten, moest ik maar naar een internet-café. Surfen met mijn mobieltje kon natuurlijk ook, merkte hij op – alsof ik dat nog niet wist.

Vanuit dat internetcafé heb ik zonet dit verhaal geupload. Gelukkig is het weer vandaag uitstekend. Daarom zijn we vanmorgen naar Düne gevaren, het zustereiland van Helgoland. Daar bevindt zich ook een vliegveld waar regelmatig vliegtuigen aankomen uit Heide, Büsum en Bremerhafen. Ook zijn er nog resten te zien van de verdedigingswerken uit de Tweede Wereldoorlog. Helgoland is in de oorlog nl. heel vaak gebombardeerd. Er bevond zich een marinebasis van waaruit de Kriegsmarine aanvallen ondernam op koopvaardij- en marineschepen van de gealliëerden. De bewoners zaten in die periode heel vaak in het enorme stelsel aan gangen en bunkers dat onder het rotsmassief, waaruit het eiland voor een groot deel bestaat, is aangelegd. Het leek ons erg de moeite waard om die onderaardse gangen onder leiding van een gids te bekijken. Bij het VVV-kantoor wachtte ons echter een nieuwe teleurstelling: de “Bunkerführung” was tot en met zondag volgeboekt.