Posts tonen met het label theologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label theologie. Alle posts tonen

vrijdag 14 januari 2011

Mannelijke en vrouwelijke eigenschappen van God en mens

In spirituele kringen wordt af en toe de vraag gesteld waarom vrouwen in het christendom stelselmatig worden ondergewaardeerd t.o.v. mannen. Daarbij worden o.a. Maria en Maria Magdalena genoemd. Hun rol zou zijn onderschat. Ook wordt vaak gesteld dat de leer van het christendom getuigt van minachting jegens vrouwen. Dat is een stelling die een goed antwoord verdient. In hoeverre spelen sekseverschillen een rol in de religie?

In de christelijke traditie bezit God zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen.Vrijwel altijd wordt Hij als een man afgebeeld. Toch moeten we wel bedenken dat we God eigenlijk helemaal niet in een beeld kunnen vangen. Dat betekent ook, dat het beeld van God als een oude man per definitie al gebrekkig of zelfs verkeerd is. God is toch geen bejaarde met een lange baard? Dat traditionele beeld drukt alleen maar uit dat God over gezag beschikt en eerbiedwaardig is. Hij is de onbetwiste autoriteit en schepper van het heelal. Ook drukt dat beeld uit dat Hij een rechter is over levenden en doden, d.w.z. dat Hij staat voor de orde.

Dat laatste betekent trouwens niet dat Hij mensen veroordeelt, maar alleen dat Hij de orde van de kosmos heeft ingesteld, waardoor alle ontwikkeling volgens bepaalde wetten en regels verloopt. Het is dan ook logisch om dat met mannelijke principes te verbinden.

In de bijbel komen we nog veel meer beelden van God tegen. Zo verschijnt God aan Mozes op de berg Sinaï als een oogverblindend licht. In het Nieuwe Testament (I Tim. 6) is sprake van God als iemand die woont in ‘het ontoegankelijke licht’. Op twee plaatsen van het Oude Testament wordt hij geassociëerd met ‘een koelte’ die voorbijtrekt. Dat zijn mystieke beelden die niets met sekseverschillen te maken hebben.

Naast de mannelijke eigenschappen, die vaak aan God worden toegeschreven, bezit Hij ook vrouwelijke kenmerken. Zo heeft Hij het vermogen om de mens geestelijk en lichamelijk te genezen. Mensen die verdriet hebben, worden getroost en bemoedigd. Bij Jezus zien we dat ook heel duidelijk. Hij genas steeds mensen en troostte hen. Ook zat Hij met tollenaars (mensen die als belastingambtenaar voor de Romeinen werkten en daarom werden veracht) aan tafel en zocht Hij bedelaars op. Hij zorgde er zelfs voor dat een menigte van 5.000 mensen te eten kreeg. Allemaal troostende, verzorgende eigenschappen die heel kenmerkend voor Hem waren.

Die eigenschappen heeft Hij nog steeds, want ze behoren tot zijn wezen: God is ook in een aantal opzichten vrouwelijk. Het mannelijke en het vrouwelijke principe behoren tot zijn Geest. Als Hij geen vrouwelijke eigenschappen bezat, hoe had Hij dan ooit vrouwelijke wezens kunnen scheppen? Iets wat zich in geestelijk opzicht niet in Hemzelf bevond, had Hij dan toch nooit buiten zichzelf vorm kunnen geven?

Maria was de lichamelijke moeder van Jezus. Ze heeft Hem ook opgevoed. Dat is een enorme verdienste van haar en mag nooit worden vergeten. Toch zie ik niet in waarom zij – zoals in sommige spirituele kringen gebruikelijk is - op één lijn zou mogen worden gesteld met Jezus.
Ik geloof wel dat Maria een bijzonder zuivere, liefdevolle geest had. Anders zou zij nooit de moeder van Jezus kunnen zijn geweest. Het feit dat zij de fysieke moeder van Jezus was en Hem heeft opgevoed, is m.i. nog geen reden om haar op hetzelfde geestelijke niveau te plaatsen als haar zoon. Maria maakte het mogelijk dat Hij op aarde geboren kon worden en er zijn taak kon verrichten. Ze kon Jezus’ goddelijke persoonlijkheid echter niet bevatten, nóch Hem daarbij werk uit handen nemen.

Ook Maria Magdalena heeft in de geschiedenis van het christendom een belangrijke rol gespeeld. In de traditie werd zij als een hoer afgeschilderd. Misschien is dat waar, maar dat is een beoordeling volgens wereldse normen en maatstaven. Het enige wat bij een mens telt, is zijn hart. De rest is in geestelijk opzicht veel minder belangrijk. En in dat opzicht had zij een hart van goud. Haar liefde voor Hem was ongelofelijk sterk, zelfs zó sterk dat zij de eerste was die Jezus in Zijn opgestane, geestelijke ('verheerlijkte') gestalte mocht zien! Dat was een onvoorstelbaar grote genade. Haar liefde voor Hem had nog een sterk fysiek karakter. Zo omklemde ze zijn voeten toen ze Hem na zijn opstanding had herkend. Jezus corrigeert haar daarop en zegt ‘Noli me tangere’ (Ik wil niet dat je me aanraakt). Nu Hij de dood heeft overwonnen en puur Geest is geworden, zijn sekseverschillen niet belangrijk meer en telt alleen het innerlijk.

In de traditie is het belang van Maria Magdalena’s ontmoeting met Jezus nooit ontkend. Wél heeft men de allereerste, belangrijke vrouwen uit de christelijke gemeenten tekort gedaan door hun rol en positie te marginaliseren. Niet God, maar de mens heeft vrouwen echter ten achter gesteld en hun rol in de geschiedenis van het christendom onderbelicht. God stoort zich immers niet aan menselijke maatstaven en zal nooit minachting opbrengen voor de vrouw en voor vrouwelijke eigenschappen.

Het is niet God, maar de kerkelijke traditie die de vrouw heeft ondergewaardeerd. Denk maar 'es aan de heksenvervolgingen! Ook mochten vrouwen heel lang geen ambten bekleden in de kerk. Zo mocht een vrouw als Anna Maria van Schurman in de 17e eeuw alleen bij de gratie Gods achter een gordijn colleges theologie volgen in Utrecht. Afstuderen kon ze niet, ook al was ze zonder meer geniaal! Later werd zij één van de leiders van de beweging van de 'Labadisten'. In de nieuwe tijd, die op het punt staat om aan te breken - en in zekere zin al aangebroken is - zullen man en vrouw gelijkwaardig zijn aan elkaar. Terecht, als je de geschiedenis bekijkt. Terecht ook, als je kijkt naar de eigenschappen die God Zelf bezit.

Op een hoger, geestelijk niveau tellen sekseverschillen niet meer, maar zijn ze opgenomen in de éénheid van geest, die alle zuivere zielen met elkaar verbindt. In de hemel is het niet van belang of iemand man of vrouw is. Daar wordt gekeken naar het hart en niet naar het uiterlijk.

Sekseverschillen zijn daarom voor mijn gevoel vooral van belang in de materiële wereld. In het hiernamaals telt alleen de innerlijke staat, niet het uiterlijke voorkomen. Sterker nog: het uiterlijk van een geest in het hiernamaals is een zuivere weerspiegeling van het innerlijk. En dat innerlijk wordt bepaald door de staat van liefde voor de ander en voor God. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de verschillen tussen die beide principes steeds minder belangrijk worden naarmate we geestelijk steeds verder rijpen.

In het werk van de ziener, uitvinder en theoloog Emanuel Swedenborg komt een schitterend beeld voor van voleindigde zielen in de hemel. In zijn boek “Hemel en hel” beschrijft hij hoe twee gelukzalige zielen die in de hemel in de echt zijn verbonden, er van een afstand uitzien als één hemelse mens. Alleen als men dichterbij komt, kan men beide zielen van elkaar onderscheiden. Hen helemaal van elkaar scheiden is echter niet mogelijk: geestelijk zijn ze een eenheid geworden.

Treffender kan niet worden uitgedrukt hoe de scheiding tussen de seksen, die bij de val in de materie heeft plaatsgevonden, in de hoogste hemelen weer bijna wordt opgeheven. De cyclus is dan voltooid, de cirkel is weer rond. De mens heeft dan een vrijwel androgyne staat bereikt. Op een hoger niveau is de mens dan opnieuw een zuivere engel geworden, die alle mannelijke en vrouwelijke eigenschappen bezit waarover een vergeestelijkt mens in potentie kan beschikken.

vrijdag 6 augustus 2010

Over de mechanismen van het kwaad en de radicale genezing ervan: "De zondebok" - René Girard

Eén van de meest spraakmakende boeken uit de tachtiger jaren was “De zondebok” van de Franse filosoof en letterkundige René Girard. Dat is ook niet zo verwonderlijk. Hij pretendeert nl. een universeel verklaringsmodel te hebben gevonden voor collectieve vervolgingen en het ontstaan van veel religies.
Zo op het eerste gezicht lijken die twee strijdig met elkaar. Religies zijn toch bedoeld om de mens te bevrijden van slechte neigingen en roepen hun aanhangers toch op om vreedzaam en verdraagzaam te zijn? Dat mag voor de meeste religies wel gelden. Toch zit hier een addertje onder het gras. Zoals Girard in zijn boek duidelijk probeert te maken zijn allerlei mythen en religieuze gebruiken gebaseerd op de stereotypen van de vervolging. Altijd volgen deze stereotypen hetzelfde patroon.

Allereerst ontstaat er een situatie waarin de sociale structuren instorten. De maatschappij functioneert niet meer; de normale gezagsverhoudingen zijn verdwenen. De mensen wantrouwen elkaar en zijn elkaars vijanden geworden. Girard noemt dit het verdwijnen van de differentiatie. De problemen kunnen zowel door factoren van binnenuit (bv. revoluties) als van buitenaf (bv. natuurrampen of epidemieën) zijn veroorzaakt. In deze crisis zijn de normale verschillen tussen de mensen verdwenen.

De mensen die onder deze crisis lijden zoeken schuldigen die ze daarvoor verantwoordelijk kunnen stellen. Dit mechanisme verloopt altijd volgens dezelfde patronen. Het zijn de leden van minderheidsgroepen die ervan worden beschuldigd dat ze ziekten, natuurrampen of andere ellende hebben veroorzaakt. Joden, vrijmetselaars, mensen met een kleurtje, ‘buitenlanders’ etc, zijn geliefkoosde doelwitten voor de collectieve woede. De beschuldigingen zijn altijd zwaar overdreven en komen op buitenstaanders zelfs grotesk over. Zo werden de Joden er in de middeleeuwen vaak van beschuldigd dat ze verantwoordelijk waren voor het uitbreken van de pest. Ze hadden zgn. het drinkwater vergiftigd of God woedend gemaakt door gruwelijke misdaden te begaan. In het denken van de vervolgers worden deze veronderstelde ‘misdaden’ steeds meer overdreven. In dit opgeklopte sfeertje is de tijd rijp voor de volgende fase, die van het geweld.

Slachtoffers van vervolgingen dragen kenmerken die volgens Girard universeel zijn. Het zijn altijd afwijkende individuen of minderheidsgroepen. Zo kunnen ze fysieke kenmerken dragen waardoor men hen afwijkend vindt, bv. lichamelijke gebreken. Meestal gaat het om leden van religieuze of etnische minderheden. Al deze mensen hebben met elkaar gemeen dat ze afwijken van datgene wat door de meerderheid van een samenleving als normaal en vanzelfsprekend wordt beschouwd. In perioden van crisis worden ze vaak het slachtoffer van de tendens die in elke menselijke gemeenschap leeft om geweld te gebruiken. Girard omschrijft dit a.v.: "De massa zoekt een bereikbare oorzaak die haar zucht naar geweld kan bevredigen. De leden van een massa zijn altijd potentiële vervolgers, want zij dromen ervan de gemeenschap te zuiveren van de onreine elementen die haar in het verderf storten, van de verraders die haar omverwerpen."

Girard wijst op een direct verband tussen de groteske voorstellingen die de leden van een samenleving koesteren over de ‘misdaden’ die tegen haar zijn begaan en de groteske vormen van het geweld zelf. De slachtoffers worden er altijd van beschuldigd dat ze de elementaire beginselen van een samenleving hebben geschonden. In het geval van de heksenprocessen waren dat vooral sexuele en religieuze misdrijven. Bijna altijd richtten de beschuldigingen zich tegen mensen die maatschappelijk zwak stonden (vrouwen, armen) of opvielen door hun uiterlijk of culturele verschillen.
De woede van de massa was juist daarom zo groot, omdat men de slachtoffers van de meest gruwelijke misdaden verdacht. Het geweld dat daarna uitbrak, was in de ogen van de hysterische massa dan ook volkomen gerechtvaardigd. Soms werd er een religieuze legitimatie voor gebruikt, bv. dat God zou hebben bevolen om een groep te vernietigen omdat Hij hun ‘misdaden’ zou hebben ontdekt.

Als de vervolging eenmaal achter de rug is en de slachtoffers zijn uitgemoord of met z’n allen weggejaagd, keert de rust in de samenleving terug. Er gebeurt dan iets heel bijzonders: de slachtoffers, waar de massa zich eerst op heeft afgereageerd, verkrijgen een soort aureool van heiligheid. Aan hun dood of verdrijving is het immers te danken dat de normale verhoudingen zijn teruggekeerd. Geleidelijk krijgt het slachtoffer daardoor een sacrale betekenis. Zo iemand kan zelfs worden vergoddelijkt: dankzij hem kunnen de mensen immers weer rustig gaan slapen.
Girard verklaart op deze manier het ontstaan van veel religies en mythen. Verschillende goden zijn oorspronkelijk slachtoffers van de volkswoede, die later in het pantheon zijn opgenomen.

Het christendom neemt een heel aparte positie in binnen dit geheel. Als geen andere religie is het nl. een godsdienst waarin het mechanisme van de zondebok genadeloos wordt blootgelegd. Volgens Girard probeerde Jezus vooral aan te tonen dat het denken van zijn tijdgenoten werd beheerst door het aanwijzen van zondebokken. Voortdurend probeerde hij dat te doorbreken. In de gesprekken met de Farizeeërs komt dit duidelijk aan het licht: hun hele manier van denken werd nl. beheerst door het aanwijzen van schuldigen en het opleggen van straffen.
Jezus en zijn leer vormen daardoor een bedreiging voor het zondebokmechanisme, dat de geschiedenis tot nu toe altijd heeft beheerst en dat nog steeds doet. In die zin is hij de ‘paracleet’. Hieraan wijdt Girard het laatste hoofdstuk van zijn boek. Want wat is de paracleet anders dan de advocaat van het slachtoffer? De paracleet is degene die de onschuld van de vervolgden aantoont en het mechanisme van het aanwijzen van schuldigen probeert te doorbreken. Hij wil dat mensen zich er bewust van worden hoe ze zich vaak gedragen.

Het meest radicaal komt dit tot uiting in de uitspraak van Jezus aan het kruis. Stervend overziet hij de meute die om zijn veroordeling en kruisiging heeft gevraagd. Op dat moment roept hij “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.”
Hieruit blijkt dat de massa zich gedraagt als een onbewuste. Met alle geweld (letterlijk zelfs) probeert ze te voorkomen dat haar schuld wordt aangetoond en haar gewelddadig systeem daardoor wordt doorbroken. Pogingen om dit te doen worden alleen maar met nieuw geweld beantwoord. Toch is de impuls, die van het christendom is uitgegaan, onomkeerbaar. Girard beschouwt het als een radicale poging om het mechanisme van de zondebok te doorbreken. Ik kan het alleen maar met hem eens zijn. Elke poging om te laten zien hoe dit collectieve geweld werkt - of dit nu is vanuit christelijke of puur ethische motieven - lijkt me waardevol. Dat beschouw ik dan ook als de belangrijkste verdienste van deze Franse historicus en letterkundige.
"De zondebok", René Girard, 1986, Kok Agora, Kampen. ISBN 90 242 7534 2.Oorspronkelijke titel: "Le bouc émissaire", Bernard Grasset, Parijs, 1982.