Posts tonen met het label Christus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Christus. Alle posts tonen

zaterdag 14 januari 2012

Maakt het geloof in het hiernamaals de mens egoïstisch?


In de christelijke leer gaat men ervan uit dat de mens een individuele, door God geschapen ziel heeft die door de zondeval beschadigd is geraakt. Daardoor is de weg van de menselijke ziel naar de hemel versperd. Om nu de band tussen God en mens te herstellen zond God zijn Zoon die door zijn leer en het offer van zijn kruisdood de weg naar de hemel weer heeft vrij gemaakt. Iedereen, die in zijn verlossend optreden gelooft en Hem navolgt, komt volgens die leer in een ‘verheerlijkt lichaam’ in de hemel terecht.

Kritiek op deze centrale gedachtegang in het christendom is er altijd al geweest. Deze kritiek komt erop neer dat de mens zozeer door zijn streven naar persoonlijke verlossing in beslag genomen wordt, dat men het aardse leven in feite onbelangrijk vindt. De prikkel om aan armoede, maatschappelijke wantoestanden en onderdrukking een einde te maken zou daardoor veel te zwak zijn. Volgens deze critici is de aarde voor veel christenen niet meer dan een wachtkamer of voorportaal, waar men punten hoopt op te sparen die men later kan verzilveren voor een eeuwig bestaan in hemelse gelukzaligheid.  De christen zou zich, kortom, te veel richten op zijn persoonlijke heil in het hiernamaals en te weinig op het gemeenschappelijke welzijn in het hier en nu. Graag ga ik hieronder op deze kritiek in.

DE INDIVIDUELE ZIEL EN HET LEERSTUK VAN DE WEDEROPSTANDING
Hoe ziet dat voortbestaan van de individuele ziel er volgens christenen uit? De voorstellingen hierover werden eeuwenlang beheerst door de leer van de lichamelijke wederopstanding. Deze leer werd in allerlei kerken, waaronder de Rooms-Katholieke kerk, aangehangen. Daarbij baseerde men zich op het dogma van de 'zielenslaap', zoals o.a. geformuleerd door Thomas van Aquino. Tot 'de jongste dag', die bij de terugkeer van Christus zou aanbreken, zouden de zielen van de overledenen slapen. Daarna zouden ze lichamelijk worden opgewekt om ofwel in de hemel, ofwel in de hel terecht te komen. 
Tegenwoordig geloven steeds minder mensen in een fysieke wederopstanding. De meeste predikanten, priesters en kerkleden denken dat dit veel meer geestelijk moet worden opgevat. Ook over de 'wederkomst van Christus' wordt heel verschillend gedacht. Alleen fundamentalisten geloven nog in een fysieke terugkeer van Christus. Zij denken dat Hij letterlijk ‘op de wolken’ zal terugkomen.

Sterker nog: met christelijke en bijbelse argumenten kun je aannemelijk maken dat dat dogma van de zielenslaap een enorme misvatting is. Zo heb ik in 2001 een boekje vertaald van Otto Feuerstein. Daarin laat hij zien hoe ongeloofwaardig deze leer is. Met ‘de jongste dag’ wordt bv. de dag bedoeld waarop de individuele mens sterft en in de geestelijke wereld aankomt. Daarom kan die dag nooit samenvallen met de wederkomst; voor iedereen is ‘de jongste dag’ immers weer verschillend, afhankelijk van de dag waarop men overgaat.   

VERZWAKT HET CONCEPT VAN DE INDIVIDUELE ZIEL DE AANDACHT VOOR DE MEDEMENS?  
De traditionele opvatting van de opwekking van de doden bij de wederkomst van Christus is dus discutabel, maar dat geldt binnen het christendom niet voor het idee dat de mens een individuele ziel heeft en dat men daarmee moet proberen de hemel te bereiken. Leidt dit streven naar persoonlijke verlossing nu niet tot egocentrisme en het verwaarlozen van de aandacht voor de medemens en de samenleving als geheel? M.a.w.: stimuleert dit mensen misschien tot wereldmijding en een eenzijdige gerichtheid op het hiernamaals, zoals veel critici menen?

Daar heb ik mijn vraagtekens bij. Het hangt er van af hoe je het geloof vorm geeft. Zo is de ‘charitas’, de dienst aan de naaste, een wezenlijk onderdeel van het christelijke geloof. De zorg voor anderen weegt binnen het christendom heel zwaar. Het is niet voor niets dat Joep de Hart in zijn gedegen onderzoek “Zwevende gelovigen – oude religie en nieuwe spiritualiteit” heeft aangetoond dat het vooral christenen zijn die heel veel tijd steken in allerlei soorten vrijwilligerswerk. Veel meer dan andere groepen in de samenleving zetten zij zich hiervoor in. Tekenend is verder dat de gezondheidszorg in het Westen uit kerken en kloosters is voortgekomen. Dat is lijnrecht in tegenspraak met de gedachte dat het christendom zou leiden tot wereldmijding en egocentrisme. 

Wat is verder het eerste wat BDE-ers zien als ze een glimp van de geestelijke wereld mogen opvangen? Zijn dat niet de familieleden en vrienden van wie men heel veel houdt? Daarom geloof ik niet dat mensen zó ontzettend op zichzelf gericht zijn, dat ze alleen maar oog hebben voor hun eigen, eeuwige heil en anderen daarbij uit het oog verliezen. Zeker, het komt natuurlijk voor, maar het vloekt wel met de essentie van het christendom.

HEBBEN OOK ANDERE LEVENDE WEZENS EEN INDIVIDUELE ZIEL?
Sommige critici zullen misschien opmerken dat het inconsequent is om wél aan mensen een individueel voortbestaan toe te kennen, maar niet aan andere levende wezens. Daar kan ik twee dingen op zeggen. Allereerst zijn er ook stromingen (antroposofie e.d.) waarbij men ervan uitgaat dat ook de zielen van planten en dieren na de dood voortbestaan. Wél geloven zij dat deze zielen in een volgend leven worden samengevoegd tot complexere levensvormen. Ze verdwijnen dus niet, maar worden ingepast in een groter geheel. Zo uniek is de mens volgens hen dus ook weer niet. 

In de tweede plaats wordt de mens binnen het christendom als 'de kroon van de schepping' beschouwd, met de notie dat de mens het enige wezen is dat naar het evenbeeld van God geschapen is. Daarmee bedoelt men dat alleen de mens (naast een lichaam en een ziel) over een geest beschikt, terwijl andere levende wezens alleen beschikken over een lichaam en een ziel. Op iemand die puur natuurwetenschappelijk denkt, komt dat heel arbitrair over, maar dat is wel de verklaring voor dit kenmerkende verschil.

Het idee van een individuele menselijke ziel, die onafhankelijk van het fysieke lichaam kan bestaan, is dan ook niet strijdig met het streven naar medemenselijkheid, geloof, hoop en liefde. Soms hoor je mensen ook opperen dat het bestaan van zo’n individuele ziel niet wetenschappelijk kan worden aangetoond. Dat berust op een gebrek aan kennis van de vorderingen op het gebied van de parapsychologie. Van minstens vijf paranormale verschijnselen, die uitgaan van het bestaan van de individuele ziel, heeft men voldoende wetenschappelijk kunnen aantonen dat ze bestaan. Jammer genoeg gaat men daar vaak met een boogje omheen. Dat geldt ook voor de talloze authentieke verhalen van BDE-ers, die zeer overtuigend zijn. 

HET EINDE VAN HET GELOOF IN DE MATERIE
Ik geloof dan ook dat de reductionistische wetenschap, inclusief zijn ontkenning van de individuele menselijke ziel, op de lange duur geen stand kan houden. Het is nog maar een kwestie van tijd voordat men niet langer om de realiteit van het leven na de dood heen kan. De nooddijken die men in steeds hoger tempo opwerpt om dat ontkennen, staan op instorten. De heftigheid waarmee men bv. authentieke BDE-verhalen probeert te ontkrachten door ze toe te schrijven aan hallucinaties, zuurstofgebrek en andere puur fysiologische oorzaken, is een onmiskenbaar teken van angst en onzekerheid. Ergens voelt men wel dat er een voortbestaan is en dat datgene, wat een mens tijdens zijn leven heeft gezegd, gedacht en gedaan, niet zomaar kan worden uitgewist. Maar met alle geweld loopt men voor de consequenties ervan weg.

Als de authenticiteit van BDE’s als beschrijvingen van een hiernamaals onomstotelijk wordt aangetoond, valt de materialistische manier van denken en wetenschap bedrijven in duigen en heeft het atheïsme het pleit voor eens en voor al verloren. Tot die tijd zullen er nog wel de nodige achterhoedegevechten worden geleverd. Niettemin heeft het geloof dat er niet meer is dan de materie zijn beste tijd gehad. Daarvoor stapelen zich té veel bewijzen en aanwijzingen op dat zo’n eenzijdige kijk op de werkelijkheid ons echt niet verder brengt, maar het zicht op de ware natuur van mens en kosmos eerder onnodig beperkt. 

vrijdag 30 december 2011

BDE’s: de donkere materie van het bewustzijn (2)


Bruce Greyson is psychiater aan de School of Medicine van de Universiteit van Virginia. In die functie heeft hij meer dan 1000 BDE’s onderzocht. Over dat onderzoek verklaarde hij tijdens een interview met de Amerikaanse zender TVPG: “De specifieke kenmerken van een BDE zijn een gevoel van diepe vrede en welbevinden, het gevoel dat men het lichaam verlaat en het zien van een helder licht dat warmte en onvoorwaardelijke liefde uitstraalt. Soms rapporteren mensen dat ze een godheid ontmoeten die ze identificeren als God of Christus. Soms hebben ze het alleen over een almachtig wezen.” 
Hoewel getuigenissen van mensen die zoiets hebben meegemaakt vaak indrukwekkend zijn, gaan veel wetenschappers ervan uit dat deze verhalen niet een reëel hiernamaals beschrijven, maar alleen de uitdrukking zijn van de psychische mechanismen die optreden als mensen in doodsstrijd verkeren. BDE’s zouden binnen die opvatting niet meer zijn dan hallucinaties die de psyche van de mens produceert om de moed erin te houden als de dood héél dicht bij is. Zuurstofgebrek wordt daarbij vaak als de directe, fysieke aanleiding beschouwd waardoor dergelijke ervaringen worden opgeroepen. 
Om deze hypothese te toetsen heeft men in de zeventiger jaren piloten van de Amerikaanse luchtmacht getest. Deze piloten werden in een laboratorium blootgesteld aan heel hoge versnellingen, waardoor het bloed uit hun hoofd wegtrok. Daarbij raakten ze bewusteloos. Toen ze bijkwamen meldden sommigen dat ze dingen hadden ervaren die ook vaak voorkomen in BDE’s. Zo zagen enkele piloten een helder licht. Anderen konden hun eigen lichaam van buitenaf zien. In de medische literatuur noemt men dat de ‘autoscopische ervaring’.
Hoewel de verhalen van enkele piloten dus in een paar opzichten overeen kwamen met echte BDE’s, ontbraken telkens twee essentiële dingen: 1. De verbrokkelde, fragmentarische waarneming die optreedt bij zuurstofgebrek haalt het niet bij de helderheid en de ingewikkelde structuur van echte BDE’s. 2. Ook is er dan geen weerzien met overleden vrienden en familieleden, noch de ervaring van een opperwezen. 
In het boek “Herinneringen aan de dood” van de Amerikaanse cardioloog dr. Michael B. Sabom kwam ik twee andere onderzoeken tegen die zijn verricht naar de gevolgen van zuurstofgebrek in de hersenen. Zo brachten Y. Henderson en H.W. Haggard verschillende proefpersonen in een kamer waarin het zuurstofgehalte langzaam werd verminderd. Ze merkten dat de geestelijke en lichamelijke vermogens van deze mensen geleidelijk afnamen. Op den duur kregen ze last van stuiptrekkingen en problemen met ademhalen. BDE-achtige ervaringen kwamen bij dit experiment niet voor.
In een later uitgevoerd onderzoek van R.A. MacFarland naar de gevolgen van zuurstofgebrek constateerde deze arts dat bergklimmers op hoge bergtoppen lijden aan concentratiestoornissen, een slecht geheugen en prikkelbaarheid. Kortom: ze zijn dan verward en overgevoelig.   

Deze twee onderzoeken die Michael Sabom aanhaalt wijzen dus in dezelfde richting: de manier waarop mensen hun omgeving waarnemen is bij zuurstofgebrek veel chaotischer en meer verbrokkeld dan tijdens bijna-doodervaringen. Het karakteristieke verloop van een BDE en de enorme helderheid en het totaaloverzicht die daar bij horen, zijn bij zuurstofgebrek volledig afwezig. Sabom concludeert dan ook dat zuurstofgebrek niet de oorzaak kan zijn van BDE’s: het gaat hier om een wezenlijk ander type ervaringen.   
Eben Alexander, die zelf een BDE heeft gehad, gaat nog een stap verder. Hij is er rotsvast van overtuigd dat het bewustzijn niet ontstaat door de werking van onze hersenen: volgens hem functioneert het onafhankelijk daarvan. De interactie met de wezens die hij tijdens zijn eigen ervaring zag was zó enorm indringend, complex en onverklaarbaar, dat geen enkele traditionele theorie, die BDE’s moet verklaren, naar zijn mening hiervoor toereikend is. De hersenvliesontsteking, die hem op de rand van de dood bracht, zorgde ervoor dat zijn hersenschors niet meer functioneerde. Maar misschien - zo redeneerde hij - was zijn BDE wel veroorzaakt door gebieden van de hersenen die wat dieper liggen. Vervolgens heeft hij onderzocht of daar misschien de oplossing lag van dit raadsel. Jammer genoeg liep dat onderzoek volledig dood. De meer naar binnen gelegen hersendelen zijn nl. niet in staat om dergelijke ervaringen voort te brengen. 
De enige plausibele verklaring die dr. Alexander kon bedenken voor zijn ervaringen is de aanname dat de mens een geest is die tijdelijk een lichaam bewoont en na de fysieke dood terugkeert naar zijn eigenlijke, geestelijke domein. BDE’ers komen voor enkele minuten in dat geestelijke gebied terecht en kunnen ons vertellen hoe dat eruit ziet en welke wetten en principes daar gelden.
Laten we nu ervan uitgaan dat Alexander en Sabom – naast veel andere onderzoekers – gelijk hebben en BDE’s inderdaad bewijzen vormen van een hiernamaals; wat zijn dan de consequenties ervan voor de wetenschap en voor onze samenleving en onze ethiek? Zijn deze ervaringen nu echt de ‘donkere materie van het bewustzijn’? Graag probeer ik daar in het volgende en laatste deel iets over te zeggen.

zaterdag 19 november 2011

Existentie



Existentie
 
In steeds eender, ander licht
en vaak tegen beter weten in
trekken wij onze sporen op aarde:
na de diepten van de nacht
is er immer een nieuwe dageraad
die voorbij de einder op ons wacht.
 
Door elk gevecht met de engel
verliezen wij aan zwaarte
maar winnen wij aan gewicht –
totdat wij te langen leste,
verankerd op Christus’ liefdeslicht,
bevrijd van alle aardse dromen,
langs een flonkerend lint van sterren
in het Vaderhuis worden opgenomen.

De wervelende tunnel van de tijd
kent geen eind en geen begin –
als het leven zelf zijn wij:
de eeuwigheid ruist diep binnenin.


maandag 13 juni 2011

De binnenwereld, New Age en het licht van Christus


De mystieke weg bestaat voor een groot deel uit een afdaling in het schimmenrijk van je binnenste. Zo vergaat het iedereen die er ernst mee maakt. Wie hem doorloopt, ziet niet alleen de grotten en spelonken in het zielenrijk, maar voelt, betast en proeft ze ook. Veel schimmen en gedrochten komt hij daar tegen. Veel monsters komen daar te voorschijn en grijpen hem naar de keel. Soms drijven ze hem zelfs naar de afgrond. Godzijdank draagt hij echter al die tijd - soms zonder het te weten - een fakkel in z'n hand, waardoor hij de weg door die grotten en spelonken vòòr hem kan blíjven zien.

Zonder die fakkel is hij reddeloos verloren. De mystieke weg is immers een poging tot inwijding, zonder kompas, door het onontgonnen gebied van het onbewuste. Toch komt men er altijd sterker uit te voorschijn. Niet door formules te prevelen, jezelf in een yogazit te knopen of oosterse technieken aan te leren. Nee. Het enige oriëntatiepunt bestaat uit het licht en de liefde van Christus. Maar dat is voldoende. Meer heb je helemaal niet nodig.

Zo verging het ook mij. Ik verlangde niet naar hokus pokus of geheimzinnige openbaringen der antieken, niet naar een cursus in wonderen of therapieën die trauma’s uit een imaginair vorig leven genezen. Alle wonderdoeners, New Age-goeroes en zelfbenoemde profeten, waanwijzen, predikers van de wereld, aurahealers, numerologen en hun paradijsvogel-achtige aanhang wees ik resoluut de deur, nadat ik af en toe van hun wonderlijke leringen had geproefd.
De uiterlijke, fysieke wereld – de alledaagse werkelijkheid – bestaat immers louter uit drogbeelden en illusies. Maar binnenin onszelf, met de vlam van onze geest, kunnen we weer de verbinding aangaan met de oneindige geestelijke wereld, waarvan Christus het middelpunt is. Ik heb zelf ervaren dat alle dingen (nou ja, bíjna alle dingen) mogelijk worden als je je innerlijk voor Hem openstelt en je hart toegankelijk maakt voor Zijn liefde.

Goddelijk zijn wij, maar dan alleen in aanleg. Volgens de aanhangers van New Age zijn wij echter allemaal goden. Daarmee doelen zij op het ego dat zichzelf op de troon zet. Ons werkelijke startpunt is echter helemaal niet het innerlijk. We zijn immers geen ongeschapen, maar geschapen wezens. Zoals we ooit zijn ontstaan van buitenaf, door een wilsdaad van God, waarna we gedurende miljarden jaren van die oorsprong zijn afgedwaald omdat we wegtuimelden uit het Oerlicht, zo zullen we ons ook weer een weg terug moeten vechten, terug naar Hem bij wie onze levenstocht begon.

Van ons bestaan vòòrdat wij op aarde kwamen, weten we vrijwel niets. We dronken immers van de Lethe, de rivier der vergetelheid, voordat wij hier werden geboren. Toch zijn de herinneringen aan de voorgeboortelijke wereld niet helemaal verdwenen. Af en toe verschijnen nog flarden daarvan op het netvlies van onze ziel. Het zijn niet de concrete herinneringen zelf die ons dan te binnen schieten, maar het besef dát we er ooit herinneringen aan hadden, zoals een oude man nog vagelijk weet dat hij in zijn vroegste jeugd in een klein dorpje heeft gewoond, zonder dat hem nog scherpe beelden voor ogen staan van het huis of het dorp waarin hij zijn eerste levensjaren sleet. Zo is het gesteld met die voorgeboortelijke herinneringen; ze ontglippen ons als een schim die je vanuit je ooghoeken maar ternauwernood kunt zien, maar opeens verdwenen is zodra je er gericht naar kijkt.

Als wij niet uit het hoge licht waren getuimeld, hadden we nooit hoeven te incarneren op deze duistere wereld die in de greep is van de illusie en de schone schijn. We kunnen ons alleen bevrijden uit de greep van die wereld vol maya door het licht van Christus in ons binnenste toe te laten. Dan doorlicht Zijn liefde ons hart en vlamt het op in liefde voor Hem die ons schiep.
Maar wie – zoals vaak binnen New Age gebeurt - in het labyrint van zijn innerlijk blijft dwalen in de hoop daar het mystieke goud van de alchemisten te vinden, raakt het spoor bijster en verliest zichzelf in eindeloze spiegelingen, drogbeelden en waanbeelden van wijsheid. Waarom? Omdat je je dan bevindt in spiegelzalen vol oud, gebroken licht. Het is afgeleid licht dat je daar door de gangen ziet spelen, stuifmeellicht dat op een zomerdag door het dakraam van een grote zolder binnenvalt en een lichtkolom vol dwarrelend stof vormt in een voor het overige donkere zolderruimte. Het eigenlijke licht van de zon zul je daar nooit vinden, alleen maar reflecties van reflecties daarvan...

Ik zoek mijn heil uiteindelijk in de wereld van de geest buiten me én in m'n binnenste. Het gaat mij om de wisselwerking tussen binnen en buiten, om het laten doorlichten van het hart door Christus. Goden zijn wij, maar dan alleen in aanleg. Pas door de vonk van God in ons binnenste toe te laten worden we gewekt, niet door eindeloos in onszelf rond te cirkelen, zoals New Age de mensen vaak voorhoudt.
De verheerlijking en vergoddelijking van het ego is dan ook één van de grootste spirituele valkuilen van deze tijd. Laten we nooit vergeten dat onze wil en onze liefde wel heel erg belangrijk zijn, maar dat al onze inspanningen pas gezegend worden als we ons liefdevol verbinden met onze Vader. Op eigen kracht draaien we vroeg of laat vast. Maar verbonden met Hem openen zich verten waar we ons nu nog geen voorstelling van kunnen maken.

donderdag 9 december 2010

HEEFT DE KERK ZICHZELF OVERLEEFD EN MOET ZE DAAROM OPGAAN IN NEW AGE?

Veel mensen vinden de kerkelijke leer niet meer passen bij deze tijd. Ook de kerkdiensten spreken de gemeenteleden absoluut niet meer aan. De preken vindt men ronduit saai en duren altijd te lang, tijdens het stille gebed begint het kerkvolk al gauw ongemakkelijk te draaien in de kerkbankjes en ook een incidenteel gospelgroepje of een in fleurige jurkjes gestoken koor vermag de lethargisch geworden gemeente niet meer te boeien. De kerkelijke bobo’s voelen dat ze de aansluiting met de geest van deze tijd hebben verloren. Het is dan ook geen wonder dat de kerken af en toe schuchtere pogingen ondernemen om in gesprek te gaan met New Age en andere spirituele stromingen. Maar hoe ver moeten de kerken gaan om de mensen weer aan te spreken en volle zalen te trekken? Moeten de kerken dan maar opgaan in New Age, omdat die beweging er wél in slaagt om veel mensen op de been te brengen?
Ik vind dat een interessante vraag. Het klopt dat de geestelijke dorheid van de kerken heeft bijgedragen aan het relishoppen dat je overal ziet. Die trend is trouwens niet zonder risico's. Een cursusje pendelen, een workshop ‘hoe leer je je beschermengel kennen’ en een spiritistisch avondje zijn misschien wel heel spannend, maar ze kunnen ook heel vervelend uitpakken. Er bestaat immers niet alleen een goede geestenwereld, maar ook een lagere sfeer van waaruit mensen negatief kunnen worden beïnvloed. Wie daar geen oog voor heeft, loopt het risico dat hij onder de invloed komt te staan van krachten die erop uit zijn om de mens geestelijk te ondermijnen. Een fikse dosis onderscheidingsvermogen is daarom nodig voordat je je met dit soort cursussen inlaat.
Tegenover die al te luchtige benadering van de geestelijke wereld staan de gedateerd aandoende leerstukken van de kerk. Ze zijn heel ouderwets en statisch geformuleerd, maar zijn ze daarom per definitie onwaar? Ik kan niet voor anderen spreken, maar dat Jezus de zoon van God is, staat voor mij vast en hoeft wat mij betreft niet overboord te worden gekieperd. De transsubstantiatieleer van de R.K. kerk is voor mijn gevoel echter een dwaalleer. Dat leerstuk komt er immers op neer dat door de magische handeling van de priester een stuk brood en een slokje wijn wérkelijk worden veranderd in het lichaam en het bloed van Christus. Zoiets zouden ze moeten afschaffen. Tussen die twee uitersten in zitten veel leerstellingen die voor mijn gevoel wel door de beugel kunnen. Verder is er een grijs gebied van grondbeginselen waar ik me niet zo snel achter zou scharen zonder dat ik ze trouwens fout vind.
Voor mijn gevoel weerspiegelen veel kerkelijke opvattingen de geestelijke werkelijkheid, maar spreken ze niet meer de taal van deze tijd. In die zin geloof ik niet dat je ze overboord zou moeten kieperen. Problematisch vind ik alleen wel, dat het steeds meer verstandelijk beleden waarheden zijn geworden. Wat eerst de uitdrukking was van een reële religieuze ervaring, versteende later tot een dogma dat aan anderen als een onbuigzaam leerstuk werd opgedrongen - én daar ging van alles mis!
Ik ben daarom niet zo extreem kritisch t.o.v. de kerk als veel mensen uit New Age-kringen. Hele volksstammen zijn geneigd om de complete erfenis van het christendom overboord te gooien met het argument dat de kerken er zo'n rommeltje van hebben gemaakt. Meestal gebruiken ze daarbij een paar stereotype beelden en sjablonen zoals de kruistochten, de inquisitie, de macht van de paus en de curie enz. Dat rijtje stereotypen laat men telkens weer opdraven om te zeggen van: "Zie je nou wel, die boodschap deugt niet!"
Mijn antwoord is dan steevast: "Wat weet je dan werkelijk van de kerkgeschiedenis af? Ben je je er wel van bewust dat je twee dingen hopeloos door elkaar haalt? Is de zuivere inhoud van een leer of geloof soms identiek aan het misbruik dat er door menselijke zwakheid en machtswellust van gemaakt wordt? Weet je eigenlijk wel dat instituten als scholen, ziekenhuizen en universiteiten in het Westen door kerken en kloosters zijn opgericht? Hoe veel mensen hebben anderen wel niet vanuit hun gelovige overtuiging geholpen, getroost, verzorgd en zelfs met de wapens verdedigd?" Mensen, die het christendom fundamenteel afwijzen onder het mom dat de traditie zou hebben bewezen dat zijn boodschap principiëel niet zou deugen, weten gewoonlijk niet waar ze over spreken.
Wat de kerken nodig hebben in deze tijd is dat men weer teruggaat naar de elementaire bezieling van het eerste christendom, naar de tijd waarin men nog in een levende verbinding stond met Christus en met de engelenwereld. Díe elementaire bezieling, díe liefde en díe betrokkenheid mis ik meestal in de kerken. Dat men met New Age in gesprek gaat, vind ik dan ook uitstekend. Dat gebeurt af en toe trouwens al.
Zo was ik in 2000 namens een spirituele stichting op een congres in Groningen dat door de kerken was georganiseerd onder de titel "Stemmen uit de hemel". Dat congres was onderdeel van een serie congressen waarbij vertegenwoordigers van de kerken en New Age met elkaar in gesprek gingen. Ik vond het fantastisch om dat bij te wonen. Het heeft misschien niet zo veel opgeleverd omdat ook veel oude tegenstellingen aan het licht kwamen, maar er werd tenminste over en weer gepraat. Ik heb dat als heel positief ervaren.
Van New Age zouden de kerken in elk geval kunnen leren hoe men het enthousiasme en de bevlogenheid in de omgang met de geestelijke werkelijkheid terug zou kunnen krijgen. Geloven vanuit het hart - dát is kort gezegd wat de kerken nodig hebben!

dinsdag 7 december 2010

Mijn positie t.o.v. het werk van Jakob Lorber

Naar mijn stellige overtuiging bevatten de boeken van Jakob Lorber doorgevingen uit de geestelijke wereld. Toch is de vermelding dat een doorgeving afkomstig is van God Zelf of uit de zuivere geestenwereld helemaal geen garantie dat de boodschap volkomen zuiver en betrouwbaar is. Doorgevingen worden immers altijd ontvangen door een schrijver die door zijn karaktereigenschappen en beperkingen noodzakelijkerwijs subjectief is. Dat betekent dat individuele én cultuurbepaalde opvattingen, voorkeuren, weerzin tegen bepaalde dingen en individuele attitudes de doorgevingen kleuren. Dat subjectieve elementen, die daarom van tijd tot tijd kunnen veranderen, in het Lorberwerk een rol spelen, wordt aangetoond door innerlijke tegenstrijdigheden die erin voorkomen. Zoals een mens van stemming kan veranderen, zo kunnen ook zijn uitspraken mettertijd van toon en inhoud veranderen en elkaar zelfs tegenspreken.
Als het Lorberwerk voor de volle 100% het onveranderlijke en onbetwijfelbare woord van God was, zouden dergelijke contradicties er niet in voor mogen komen. Ze komen er echter wel in voor. Daaruit kan maar één conclusie worden getrokken: het is in bepaalde opzichten mensenwerk.

Dat laatste wordt nog verergerd doordat er dingen in staan die niet waar zijn. Sneeuw komt op de maan niet voor, noch rivieren en levende wezens. De uitspraken die daarover worden gedaan in het Lorberboek "Aarde en Maan" zijn bedoeld als beschrijvingen van de natuurlijke werkelijkheid op onze satelliet. Daarom zijn ze niet waar. I.t.t. wat in dat boek staat, leert nauwkeurige en onafhankelijke waarneming dat er op de achterkant van de maan geen sneeuw en geen rivieren voorkomen. Omdat de maan geen atmosfeer bevat, is er immers ook geen organisch leven mogelijk.

Hetzelfde probleem speelt in het boek "Die Natürliche Sonne". Ik heb een heleboel uitspraken van Lorber over het heelal getoetst en ben tot de conclusie gekomen dat zijn beeld van de kosmos noch structureel, noch in de afzonderlijke details klopt.
Een systematische vergelijking tussen het Lorberwerk en de moderne sterrenkunde staat ook op nieuweopenbaring: het is op deze pagina te vinden. De Engelstalige versie ervan staat op deze URL; de Duitse versie staat op een andere pagina. Veel dingen heb ik daarin niet aangeroerd, omdat het artikel dan nog veel langer zou worden. Dat geldt o.a. voor de beschrijving die Lorber geeft van de manier waarop het licht van sterren zou ontstaan. Volgens hem fungeert de buitenste laag van een ster – in de sterrenkunde noemt men dat de chromosfeer - als een spiegelende bol die het licht van andere hemellichamen weerkaatst. Alleen de oercentraalzon en al-al-zonnen zouden zelf licht geven; alle andere sterren zenden volgens Lorber een zeer zwak licht uit, maar werken vnl. als reusachtige kerstboomballen die het licht van andere sterren reflecteren. Natuurkundig gezien is dit onmogelijk.

Erger wordt het als hij zich in bijzonder denigrerende bewoordingen uitlaat over bepaalde volkeren. De gedachte dat elk volk een eigen eigen ontwikkeling doormaakt, onderschrijf ik, maar het gaat mij te ver als daar allerlei vergaande waardeoordelen aan worden verbonden. Niettemin gebeurt dat in het Lorberwerk wel.
Ook sommige pedagogische adviezen van Lorber vind ik verschrikkelijk, o.a. dat je een kind, dat van vreugde lacht, zou moeten slaan om het de ernst des levens bij te brengen. Voor mijn gevoel is dat de perfecte manier om het gevoel van eigenwaarde van een kind om zeep te helpen. Liefde kan ik in zulke uitspraken niet ontdekken. Ook het feit dat een publieke marteling met een eventueel daarop volgende executie in het Lorberwerk wordt aangeprezen als de beste manier om hardnekkige misdadigers geestelijk te louteren, kan ik niet onderschrijven. Op mij komen zulke aanbevelingen tamelijk barbaars over.
Al met al zal ik mijn eigen gevoel en intuïtie moeten volgen. Ik blijf rotsvast in Jezus en in God geloven, maar kies voor een andere weg in het geloof dan die van Jakob Lorber. Hoewel er veel uitspraken in het Lorberwerk voorkomen die mij aanspreken en door mij als zuivere waarheden wordt herkend, moet mij van het hart dat er zoveel facetten van zijn werk zijn waar ik grote moeite mee heb, dat ik me niet langer kan en wil presenteren als vertegenwoordiger van een organisatie op het gebied van de Nieuwe Openbaringen. Daarom heb ik ervoor gekozen de basis van onze stichting te verbeden. Van nu af willen we werken op een algemeen-christelijke grondslag, zonder enige binding of verplichting aan een kerkgenootschap, geloofsgemeenschap of andere organisatie op religieus of levensbeschouwelijk gebied.
Het gaat er ons om méér mensen te bereiken bij onze activiteiten. Liever bepalen wij ons in het vervolg tot de essentie, en dat is Jezus Christus, die voor ons op aarde is gekomen om ons de weg naar de hemel te wijzen. Graag willen we dat in het vervolg als uitgangspunt nemen voor al ons handelen.

woensdag 6 oktober 2010

Voorspellingen over de drie dagen duisternis in de eindtijd

Eén van de tien plagen die Egypte troffen als straf voor de weigering van de farao om de Israëlieten te laten gaan was een periode van drie dagen duisternis. Je kunt dat ook symbolisch opvatten als geestelijke duisternis. Het is de consequentie van de onwil van de wereldlijke leiders om God als de ware machthebber te erkennen. Die periode van drie dagen komt ook voor in het verhaal over de drie dagen waarin Jezus vòòr Zijn opstanding in het dodenrijk heeft verkeerd. De dood verwijst hier meer naar de transformatie die toen plaatsvond. Zijn fysieke lichaam loste op, waarna Hij in een ‘verheerlijkte’ gestalte uit het graf opstond.

Het meest dramatisch komt die driedaagse periode van duisternis voor in de verhalen over de eindtijd. In veel voorspellingen wordt ervan uitgegaan dat het drie dagen lang aardedonker zal zijn voordat Christus definitief terugkeert. In 2006 heb ik verschillende teksten over dit thema met elkaar vergeleken. Drie ervan, die de meeste details bevatten, heb ik vertaald. Hierin komen identieke beelden en details voor. De laatste tekst geeft nog de meeste bijzonderheden. Hier volgen de vertalingen:

HET LIED UIT DE LINDE (1850):
DE DRIE DAGEN DURENDE DUISTERNIS
(auteur onbekend)

”De winter komt, drie dagen duisternis,
Bliksem en donder, en de aarde splijt open
Bidt thuis, verlaat niet het huis!
Kijk ook bij het raam niet naar de verschrikking!
Slechts een kaars geeft de hele tijd
in zoverre ze branden wil, jou een schijnsel,
Giftige damp dringt door uit de nacht vol stof,
Zwarte pest, de ergste slachting onder de mensen.

Voor allen die op aarde geboren zijn dreigt hetzelfde (gevaar),
Maar de goeden sterven een zalige dood,
Veel gelovige mensen blijven wonderbaar
Vrij van ademnood en pestgevaar.”


ANNA MARIA TAIGI

* 29.5.1769 in Siena, Italië. In 1789 gehuwd. Moeder van zeven kinderen. Zalig verklaard op 9.6.1837.

”Er zal over de aarde een geweldige duisternis komen, die drie dagen en drie nachten zal duren. Niets zal men kunnen zien en de lucht zal schadelijk en stinkend zijn en zal de vijanden van de religie (maar niet alleen hen) schade toebrengen. Gedurende deze drie dagen zal het onmogelijk zijn om kunstlicht aan te doen; alleen de gewijde kaarsen zullen branden. Tijdens deze dagen vol ontzetting moeten de gelovigen in hun huizen blijven om de rozenkrans te bidden en God om barmhartigheid te smeken. Alle vijanden van de kerk - zowel de zichtbare als de onzichtbare - zullen tijdens deze algehele duisternis op aarde omkomen, met uitzondering van de kleine groep van hen, die zich zullen bekeren om een nieuwe paus te kiezen.”


MARIA JULIE JAHENNET

* 1850. Woonde in La Fraudais, Frankrijk. Op 23-jarige leeftijd ontving zij de wondtekenen van Christus. Op 4.3.1891 had zij het volgende visioen:

”Er zal een drie dagen durende duisternis in de natuur aanbreken. Drie nachten en twee dagen zal het ononderbroken nacht zijn. Alleen de gewijde kaarsen zullen licht verspreiden. Een kaars zal voldoende zijn voor drie dagen. Rode wolken, als bloed, zullen aan de hemel voorbijtrekken. Het weerklinken van de donder zal de aarde doen schudden. Onheil brengende bliksems zullen door de straten dreunen, en dat nog wel in een tijd, waarin zij anders niet voorkomt. (Opmerking van Schmid: hiermee wordt de winter bedoeld). De aarde zal tot in haar grondvesten schudden. De zee zal schuimende golven over het vasteland slingeren. De aarde zal veranderd worden in een onmetelijk groot kerkhof.”
____________________________________________________________

Die drie dagen duisternis zijn voor mijn gevoel puur symbolisch bedoeld. De kaarsen staan voor het geestelijke licht dat wij verspreiden. Ze doen me denken aan de gelijkenis van de drie wijze en de drie dwaze maagden. Wie zich richt op de liefde en de wijsheid, verzamelt geestelijk licht dat hij nog hard nodig zal hebben als het nacht wordt in de wereld om hem heen. Ik geloof dat we ook in deze tijd elkaars geestelijke licht kunnen versterken en andere mensen, die nog twijfelen of zich eenzaam en verloren voelen, kunnen helpen om weer overeind te krabbelen en de balans in hun leven terug te vinden.

Ik denk dat de meeste profetieën en voorspellingen geestelijk bedoeld zijn. Daarom geloof ik niet dat voorspellingen slaan op een bepaalde dag of een bepaald jaartal. Wat er gaat gebeuren is immers afhankelijk van de vrije wil van de mens. Wat een mens met zijn vrije wil gaat doen, staat niet van tevoren vast; anders zou het immers ook geen 'vrije wil' meer zijn. Wél kan er in een voorspelling een mogelijkheid of een tendens worden aangegeven. Die mogelijkheid hoeft zich echter niet te realiseren.

We zitten midden in de 'eindtijd'. Voor mijn gevoel zijn de economische en ecologische rampen van de laatste jaren het begin van een serie gebeurtenissen die ervoor zullen zorgen dat we een nieuwe wereld tegemoet gaan. We hoeven daar niet bang voor te zijn, al was het alleen maar omdat we er zelf nauwelijks invloed op uit kunnen oefenen. We kunnen alleen letten op wat er in ons hart gebeurt en daar het vlammetje brandend houden, in het vertrouwen dat de geestelijke wereld zal doen wat nodig is om deze wereld te transformeren. Voor steeds meer mensen wordt deze aarde immers onleefbaar. De mensheid is niet in staat om zichzelf te redden. In die zin vormen de ‘drie dagen duisternis’ een radicale transformatie van deze wereld, een noodzakelijke ingreep om schoon schip te maken. Daardoor kan de mensheid weer leven zoals dat oorspronkelijk bedoeld is, nl. in een directe, geestelijke verbinding met Christus.

vrijdag 6 augustus 2010

Over de mechanismen van het kwaad en de radicale genezing ervan: "De zondebok" - René Girard

Eén van de meest spraakmakende boeken uit de tachtiger jaren was “De zondebok” van de Franse filosoof en letterkundige René Girard. Dat is ook niet zo verwonderlijk. Hij pretendeert nl. een universeel verklaringsmodel te hebben gevonden voor collectieve vervolgingen en het ontstaan van veel religies.
Zo op het eerste gezicht lijken die twee strijdig met elkaar. Religies zijn toch bedoeld om de mens te bevrijden van slechte neigingen en roepen hun aanhangers toch op om vreedzaam en verdraagzaam te zijn? Dat mag voor de meeste religies wel gelden. Toch zit hier een addertje onder het gras. Zoals Girard in zijn boek duidelijk probeert te maken zijn allerlei mythen en religieuze gebruiken gebaseerd op de stereotypen van de vervolging. Altijd volgen deze stereotypen hetzelfde patroon.

Allereerst ontstaat er een situatie waarin de sociale structuren instorten. De maatschappij functioneert niet meer; de normale gezagsverhoudingen zijn verdwenen. De mensen wantrouwen elkaar en zijn elkaars vijanden geworden. Girard noemt dit het verdwijnen van de differentiatie. De problemen kunnen zowel door factoren van binnenuit (bv. revoluties) als van buitenaf (bv. natuurrampen of epidemieën) zijn veroorzaakt. In deze crisis zijn de normale verschillen tussen de mensen verdwenen.

De mensen die onder deze crisis lijden zoeken schuldigen die ze daarvoor verantwoordelijk kunnen stellen. Dit mechanisme verloopt altijd volgens dezelfde patronen. Het zijn de leden van minderheidsgroepen die ervan worden beschuldigd dat ze ziekten, natuurrampen of andere ellende hebben veroorzaakt. Joden, vrijmetselaars, mensen met een kleurtje, ‘buitenlanders’ etc, zijn geliefkoosde doelwitten voor de collectieve woede. De beschuldigingen zijn altijd zwaar overdreven en komen op buitenstaanders zelfs grotesk over. Zo werden de Joden er in de middeleeuwen vaak van beschuldigd dat ze verantwoordelijk waren voor het uitbreken van de pest. Ze hadden zgn. het drinkwater vergiftigd of God woedend gemaakt door gruwelijke misdaden te begaan. In het denken van de vervolgers worden deze veronderstelde ‘misdaden’ steeds meer overdreven. In dit opgeklopte sfeertje is de tijd rijp voor de volgende fase, die van het geweld.

Slachtoffers van vervolgingen dragen kenmerken die volgens Girard universeel zijn. Het zijn altijd afwijkende individuen of minderheidsgroepen. Zo kunnen ze fysieke kenmerken dragen waardoor men hen afwijkend vindt, bv. lichamelijke gebreken. Meestal gaat het om leden van religieuze of etnische minderheden. Al deze mensen hebben met elkaar gemeen dat ze afwijken van datgene wat door de meerderheid van een samenleving als normaal en vanzelfsprekend wordt beschouwd. In perioden van crisis worden ze vaak het slachtoffer van de tendens die in elke menselijke gemeenschap leeft om geweld te gebruiken. Girard omschrijft dit a.v.: "De massa zoekt een bereikbare oorzaak die haar zucht naar geweld kan bevredigen. De leden van een massa zijn altijd potentiële vervolgers, want zij dromen ervan de gemeenschap te zuiveren van de onreine elementen die haar in het verderf storten, van de verraders die haar omverwerpen."

Girard wijst op een direct verband tussen de groteske voorstellingen die de leden van een samenleving koesteren over de ‘misdaden’ die tegen haar zijn begaan en de groteske vormen van het geweld zelf. De slachtoffers worden er altijd van beschuldigd dat ze de elementaire beginselen van een samenleving hebben geschonden. In het geval van de heksenprocessen waren dat vooral sexuele en religieuze misdrijven. Bijna altijd richtten de beschuldigingen zich tegen mensen die maatschappelijk zwak stonden (vrouwen, armen) of opvielen door hun uiterlijk of culturele verschillen.
De woede van de massa was juist daarom zo groot, omdat men de slachtoffers van de meest gruwelijke misdaden verdacht. Het geweld dat daarna uitbrak, was in de ogen van de hysterische massa dan ook volkomen gerechtvaardigd. Soms werd er een religieuze legitimatie voor gebruikt, bv. dat God zou hebben bevolen om een groep te vernietigen omdat Hij hun ‘misdaden’ zou hebben ontdekt.

Als de vervolging eenmaal achter de rug is en de slachtoffers zijn uitgemoord of met z’n allen weggejaagd, keert de rust in de samenleving terug. Er gebeurt dan iets heel bijzonders: de slachtoffers, waar de massa zich eerst op heeft afgereageerd, verkrijgen een soort aureool van heiligheid. Aan hun dood of verdrijving is het immers te danken dat de normale verhoudingen zijn teruggekeerd. Geleidelijk krijgt het slachtoffer daardoor een sacrale betekenis. Zo iemand kan zelfs worden vergoddelijkt: dankzij hem kunnen de mensen immers weer rustig gaan slapen.
Girard verklaart op deze manier het ontstaan van veel religies en mythen. Verschillende goden zijn oorspronkelijk slachtoffers van de volkswoede, die later in het pantheon zijn opgenomen.

Het christendom neemt een heel aparte positie in binnen dit geheel. Als geen andere religie is het nl. een godsdienst waarin het mechanisme van de zondebok genadeloos wordt blootgelegd. Volgens Girard probeerde Jezus vooral aan te tonen dat het denken van zijn tijdgenoten werd beheerst door het aanwijzen van zondebokken. Voortdurend probeerde hij dat te doorbreken. In de gesprekken met de Farizeeërs komt dit duidelijk aan het licht: hun hele manier van denken werd nl. beheerst door het aanwijzen van schuldigen en het opleggen van straffen.
Jezus en zijn leer vormen daardoor een bedreiging voor het zondebokmechanisme, dat de geschiedenis tot nu toe altijd heeft beheerst en dat nog steeds doet. In die zin is hij de ‘paracleet’. Hieraan wijdt Girard het laatste hoofdstuk van zijn boek. Want wat is de paracleet anders dan de advocaat van het slachtoffer? De paracleet is degene die de onschuld van de vervolgden aantoont en het mechanisme van het aanwijzen van schuldigen probeert te doorbreken. Hij wil dat mensen zich er bewust van worden hoe ze zich vaak gedragen.

Het meest radicaal komt dit tot uiting in de uitspraak van Jezus aan het kruis. Stervend overziet hij de meute die om zijn veroordeling en kruisiging heeft gevraagd. Op dat moment roept hij “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.”
Hieruit blijkt dat de massa zich gedraagt als een onbewuste. Met alle geweld (letterlijk zelfs) probeert ze te voorkomen dat haar schuld wordt aangetoond en haar gewelddadig systeem daardoor wordt doorbroken. Pogingen om dit te doen worden alleen maar met nieuw geweld beantwoord. Toch is de impuls, die van het christendom is uitgegaan, onomkeerbaar. Girard beschouwt het als een radicale poging om het mechanisme van de zondebok te doorbreken. Ik kan het alleen maar met hem eens zijn. Elke poging om te laten zien hoe dit collectieve geweld werkt - of dit nu is vanuit christelijke of puur ethische motieven - lijkt me waardevol. Dat beschouw ik dan ook als de belangrijkste verdienste van deze Franse historicus en letterkundige.
"De zondebok", René Girard, 1986, Kok Agora, Kampen. ISBN 90 242 7534 2.Oorspronkelijke titel: "Le bouc émissaire", Bernard Grasset, Parijs, 1982.