Posts tonen met het label God. Alle posts tonen
Posts tonen met het label God. Alle posts tonen

zaterdag 14 januari 2012

Maakt het geloof in het hiernamaals de mens egoïstisch?


In de christelijke leer gaat men ervan uit dat de mens een individuele, door God geschapen ziel heeft die door de zondeval beschadigd is geraakt. Daardoor is de weg van de menselijke ziel naar de hemel versperd. Om nu de band tussen God en mens te herstellen zond God zijn Zoon die door zijn leer en het offer van zijn kruisdood de weg naar de hemel weer heeft vrij gemaakt. Iedereen, die in zijn verlossend optreden gelooft en Hem navolgt, komt volgens die leer in een ‘verheerlijkt lichaam’ in de hemel terecht.

Kritiek op deze centrale gedachtegang in het christendom is er altijd al geweest. Deze kritiek komt erop neer dat de mens zozeer door zijn streven naar persoonlijke verlossing in beslag genomen wordt, dat men het aardse leven in feite onbelangrijk vindt. De prikkel om aan armoede, maatschappelijke wantoestanden en onderdrukking een einde te maken zou daardoor veel te zwak zijn. Volgens deze critici is de aarde voor veel christenen niet meer dan een wachtkamer of voorportaal, waar men punten hoopt op te sparen die men later kan verzilveren voor een eeuwig bestaan in hemelse gelukzaligheid.  De christen zou zich, kortom, te veel richten op zijn persoonlijke heil in het hiernamaals en te weinig op het gemeenschappelijke welzijn in het hier en nu. Graag ga ik hieronder op deze kritiek in.

DE INDIVIDUELE ZIEL EN HET LEERSTUK VAN DE WEDEROPSTANDING
Hoe ziet dat voortbestaan van de individuele ziel er volgens christenen uit? De voorstellingen hierover werden eeuwenlang beheerst door de leer van de lichamelijke wederopstanding. Deze leer werd in allerlei kerken, waaronder de Rooms-Katholieke kerk, aangehangen. Daarbij baseerde men zich op het dogma van de 'zielenslaap', zoals o.a. geformuleerd door Thomas van Aquino. Tot 'de jongste dag', die bij de terugkeer van Christus zou aanbreken, zouden de zielen van de overledenen slapen. Daarna zouden ze lichamelijk worden opgewekt om ofwel in de hemel, ofwel in de hel terecht te komen. 
Tegenwoordig geloven steeds minder mensen in een fysieke wederopstanding. De meeste predikanten, priesters en kerkleden denken dat dit veel meer geestelijk moet worden opgevat. Ook over de 'wederkomst van Christus' wordt heel verschillend gedacht. Alleen fundamentalisten geloven nog in een fysieke terugkeer van Christus. Zij denken dat Hij letterlijk ‘op de wolken’ zal terugkomen.

Sterker nog: met christelijke en bijbelse argumenten kun je aannemelijk maken dat dat dogma van de zielenslaap een enorme misvatting is. Zo heb ik in 2001 een boekje vertaald van Otto Feuerstein. Daarin laat hij zien hoe ongeloofwaardig deze leer is. Met ‘de jongste dag’ wordt bv. de dag bedoeld waarop de individuele mens sterft en in de geestelijke wereld aankomt. Daarom kan die dag nooit samenvallen met de wederkomst; voor iedereen is ‘de jongste dag’ immers weer verschillend, afhankelijk van de dag waarop men overgaat.   

VERZWAKT HET CONCEPT VAN DE INDIVIDUELE ZIEL DE AANDACHT VOOR DE MEDEMENS?  
De traditionele opvatting van de opwekking van de doden bij de wederkomst van Christus is dus discutabel, maar dat geldt binnen het christendom niet voor het idee dat de mens een individuele ziel heeft en dat men daarmee moet proberen de hemel te bereiken. Leidt dit streven naar persoonlijke verlossing nu niet tot egocentrisme en het verwaarlozen van de aandacht voor de medemens en de samenleving als geheel? M.a.w.: stimuleert dit mensen misschien tot wereldmijding en een eenzijdige gerichtheid op het hiernamaals, zoals veel critici menen?

Daar heb ik mijn vraagtekens bij. Het hangt er van af hoe je het geloof vorm geeft. Zo is de ‘charitas’, de dienst aan de naaste, een wezenlijk onderdeel van het christelijke geloof. De zorg voor anderen weegt binnen het christendom heel zwaar. Het is niet voor niets dat Joep de Hart in zijn gedegen onderzoek “Zwevende gelovigen – oude religie en nieuwe spiritualiteit” heeft aangetoond dat het vooral christenen zijn die heel veel tijd steken in allerlei soorten vrijwilligerswerk. Veel meer dan andere groepen in de samenleving zetten zij zich hiervoor in. Tekenend is verder dat de gezondheidszorg in het Westen uit kerken en kloosters is voortgekomen. Dat is lijnrecht in tegenspraak met de gedachte dat het christendom zou leiden tot wereldmijding en egocentrisme. 

Wat is verder het eerste wat BDE-ers zien als ze een glimp van de geestelijke wereld mogen opvangen? Zijn dat niet de familieleden en vrienden van wie men heel veel houdt? Daarom geloof ik niet dat mensen zó ontzettend op zichzelf gericht zijn, dat ze alleen maar oog hebben voor hun eigen, eeuwige heil en anderen daarbij uit het oog verliezen. Zeker, het komt natuurlijk voor, maar het vloekt wel met de essentie van het christendom.

HEBBEN OOK ANDERE LEVENDE WEZENS EEN INDIVIDUELE ZIEL?
Sommige critici zullen misschien opmerken dat het inconsequent is om wél aan mensen een individueel voortbestaan toe te kennen, maar niet aan andere levende wezens. Daar kan ik twee dingen op zeggen. Allereerst zijn er ook stromingen (antroposofie e.d.) waarbij men ervan uitgaat dat ook de zielen van planten en dieren na de dood voortbestaan. Wél geloven zij dat deze zielen in een volgend leven worden samengevoegd tot complexere levensvormen. Ze verdwijnen dus niet, maar worden ingepast in een groter geheel. Zo uniek is de mens volgens hen dus ook weer niet. 

In de tweede plaats wordt de mens binnen het christendom als 'de kroon van de schepping' beschouwd, met de notie dat de mens het enige wezen is dat naar het evenbeeld van God geschapen is. Daarmee bedoelt men dat alleen de mens (naast een lichaam en een ziel) over een geest beschikt, terwijl andere levende wezens alleen beschikken over een lichaam en een ziel. Op iemand die puur natuurwetenschappelijk denkt, komt dat heel arbitrair over, maar dat is wel de verklaring voor dit kenmerkende verschil.

Het idee van een individuele menselijke ziel, die onafhankelijk van het fysieke lichaam kan bestaan, is dan ook niet strijdig met het streven naar medemenselijkheid, geloof, hoop en liefde. Soms hoor je mensen ook opperen dat het bestaan van zo’n individuele ziel niet wetenschappelijk kan worden aangetoond. Dat berust op een gebrek aan kennis van de vorderingen op het gebied van de parapsychologie. Van minstens vijf paranormale verschijnselen, die uitgaan van het bestaan van de individuele ziel, heeft men voldoende wetenschappelijk kunnen aantonen dat ze bestaan. Jammer genoeg gaat men daar vaak met een boogje omheen. Dat geldt ook voor de talloze authentieke verhalen van BDE-ers, die zeer overtuigend zijn. 

HET EINDE VAN HET GELOOF IN DE MATERIE
Ik geloof dan ook dat de reductionistische wetenschap, inclusief zijn ontkenning van de individuele menselijke ziel, op de lange duur geen stand kan houden. Het is nog maar een kwestie van tijd voordat men niet langer om de realiteit van het leven na de dood heen kan. De nooddijken die men in steeds hoger tempo opwerpt om dat ontkennen, staan op instorten. De heftigheid waarmee men bv. authentieke BDE-verhalen probeert te ontkrachten door ze toe te schrijven aan hallucinaties, zuurstofgebrek en andere puur fysiologische oorzaken, is een onmiskenbaar teken van angst en onzekerheid. Ergens voelt men wel dat er een voortbestaan is en dat datgene, wat een mens tijdens zijn leven heeft gezegd, gedacht en gedaan, niet zomaar kan worden uitgewist. Maar met alle geweld loopt men voor de consequenties ervan weg.

Als de authenticiteit van BDE’s als beschrijvingen van een hiernamaals onomstotelijk wordt aangetoond, valt de materialistische manier van denken en wetenschap bedrijven in duigen en heeft het atheïsme het pleit voor eens en voor al verloren. Tot die tijd zullen er nog wel de nodige achterhoedegevechten worden geleverd. Niettemin heeft het geloof dat er niet meer is dan de materie zijn beste tijd gehad. Daarvoor stapelen zich té veel bewijzen en aanwijzingen op dat zo’n eenzijdige kijk op de werkelijkheid ons echt niet verder brengt, maar het zicht op de ware natuur van mens en kosmos eerder onnodig beperkt. 

vrijdag 30 december 2011

BDE’s: de donkere materie van het bewustzijn (2)


Bruce Greyson is psychiater aan de School of Medicine van de Universiteit van Virginia. In die functie heeft hij meer dan 1000 BDE’s onderzocht. Over dat onderzoek verklaarde hij tijdens een interview met de Amerikaanse zender TVPG: “De specifieke kenmerken van een BDE zijn een gevoel van diepe vrede en welbevinden, het gevoel dat men het lichaam verlaat en het zien van een helder licht dat warmte en onvoorwaardelijke liefde uitstraalt. Soms rapporteren mensen dat ze een godheid ontmoeten die ze identificeren als God of Christus. Soms hebben ze het alleen over een almachtig wezen.” 
Hoewel getuigenissen van mensen die zoiets hebben meegemaakt vaak indrukwekkend zijn, gaan veel wetenschappers ervan uit dat deze verhalen niet een reëel hiernamaals beschrijven, maar alleen de uitdrukking zijn van de psychische mechanismen die optreden als mensen in doodsstrijd verkeren. BDE’s zouden binnen die opvatting niet meer zijn dan hallucinaties die de psyche van de mens produceert om de moed erin te houden als de dood héél dicht bij is. Zuurstofgebrek wordt daarbij vaak als de directe, fysieke aanleiding beschouwd waardoor dergelijke ervaringen worden opgeroepen. 
Om deze hypothese te toetsen heeft men in de zeventiger jaren piloten van de Amerikaanse luchtmacht getest. Deze piloten werden in een laboratorium blootgesteld aan heel hoge versnellingen, waardoor het bloed uit hun hoofd wegtrok. Daarbij raakten ze bewusteloos. Toen ze bijkwamen meldden sommigen dat ze dingen hadden ervaren die ook vaak voorkomen in BDE’s. Zo zagen enkele piloten een helder licht. Anderen konden hun eigen lichaam van buitenaf zien. In de medische literatuur noemt men dat de ‘autoscopische ervaring’.
Hoewel de verhalen van enkele piloten dus in een paar opzichten overeen kwamen met echte BDE’s, ontbraken telkens twee essentiële dingen: 1. De verbrokkelde, fragmentarische waarneming die optreedt bij zuurstofgebrek haalt het niet bij de helderheid en de ingewikkelde structuur van echte BDE’s. 2. Ook is er dan geen weerzien met overleden vrienden en familieleden, noch de ervaring van een opperwezen. 
In het boek “Herinneringen aan de dood” van de Amerikaanse cardioloog dr. Michael B. Sabom kwam ik twee andere onderzoeken tegen die zijn verricht naar de gevolgen van zuurstofgebrek in de hersenen. Zo brachten Y. Henderson en H.W. Haggard verschillende proefpersonen in een kamer waarin het zuurstofgehalte langzaam werd verminderd. Ze merkten dat de geestelijke en lichamelijke vermogens van deze mensen geleidelijk afnamen. Op den duur kregen ze last van stuiptrekkingen en problemen met ademhalen. BDE-achtige ervaringen kwamen bij dit experiment niet voor.
In een later uitgevoerd onderzoek van R.A. MacFarland naar de gevolgen van zuurstofgebrek constateerde deze arts dat bergklimmers op hoge bergtoppen lijden aan concentratiestoornissen, een slecht geheugen en prikkelbaarheid. Kortom: ze zijn dan verward en overgevoelig.   

Deze twee onderzoeken die Michael Sabom aanhaalt wijzen dus in dezelfde richting: de manier waarop mensen hun omgeving waarnemen is bij zuurstofgebrek veel chaotischer en meer verbrokkeld dan tijdens bijna-doodervaringen. Het karakteristieke verloop van een BDE en de enorme helderheid en het totaaloverzicht die daar bij horen, zijn bij zuurstofgebrek volledig afwezig. Sabom concludeert dan ook dat zuurstofgebrek niet de oorzaak kan zijn van BDE’s: het gaat hier om een wezenlijk ander type ervaringen.   
Eben Alexander, die zelf een BDE heeft gehad, gaat nog een stap verder. Hij is er rotsvast van overtuigd dat het bewustzijn niet ontstaat door de werking van onze hersenen: volgens hem functioneert het onafhankelijk daarvan. De interactie met de wezens die hij tijdens zijn eigen ervaring zag was zó enorm indringend, complex en onverklaarbaar, dat geen enkele traditionele theorie, die BDE’s moet verklaren, naar zijn mening hiervoor toereikend is. De hersenvliesontsteking, die hem op de rand van de dood bracht, zorgde ervoor dat zijn hersenschors niet meer functioneerde. Maar misschien - zo redeneerde hij - was zijn BDE wel veroorzaakt door gebieden van de hersenen die wat dieper liggen. Vervolgens heeft hij onderzocht of daar misschien de oplossing lag van dit raadsel. Jammer genoeg liep dat onderzoek volledig dood. De meer naar binnen gelegen hersendelen zijn nl. niet in staat om dergelijke ervaringen voort te brengen. 
De enige plausibele verklaring die dr. Alexander kon bedenken voor zijn ervaringen is de aanname dat de mens een geest is die tijdelijk een lichaam bewoont en na de fysieke dood terugkeert naar zijn eigenlijke, geestelijke domein. BDE’ers komen voor enkele minuten in dat geestelijke gebied terecht en kunnen ons vertellen hoe dat eruit ziet en welke wetten en principes daar gelden.
Laten we nu ervan uitgaan dat Alexander en Sabom – naast veel andere onderzoekers – gelijk hebben en BDE’s inderdaad bewijzen vormen van een hiernamaals; wat zijn dan de consequenties ervan voor de wetenschap en voor onze samenleving en onze ethiek? Zijn deze ervaringen nu echt de ‘donkere materie van het bewustzijn’? Graag probeer ik daar in het volgende en laatste deel iets over te zeggen.

woensdag 23 november 2011

Kenmerken van de atheïstische intolerantie



Een navigator is een mooi ding. De meeste mensen denken daarbij aan een klein, handig apparaatje dat hen de weg wijst als ze achter het stuur zitten. Reuze handig als je ergens naartoe moet waar je nooit eerder bent geweest en te lui bent om een kaart te lezen.
Toch kom je navigators niet alleen op de autoweg tegen. Er zijn ook tomtoms die je de weg wijzen op het internet. Eén zo’n exemplaar probeert me al maanden lang te coachen bij het schrijven van mijn artikelen over religie. Als ik rechtdoor wil door te beweren dat er een God bestaat, roept hij me toe: “Probeer om te keren, je zit op de verkeerde weg”. Een beetje vreemd is dat wel, want deze aanwijzingen komen ongevraagd. Toch trekt Tomtommetje zich daar niets van aan, want als ik dan tóch door blijf rijden, verklaart hij me voor dom en onwetenschappelijk. Goeiemorgen, daar heb ik niet van terug. Wat blieft, meneer Tomtom? 

Atheïstische haatbloggers en anti-religieuze stalkers. Tegenwoordig zitten er op elke website en elk forum wel een paar. Tomtom is er één van. Onder allerlei schuilnamen posten ze hun eindeloze riedels zodra een gelovige het durft te wagen om te verklaren dat hij of zij in God gelooft. Al gauw worden de middeleeuwen, heksenvervolgingen, kruistochten en inquisitie in stelling gebracht. Het christendom was immers gewelddadig en extreem intolerant. Dat wordt me dan in het gezicht geslingerd alsof dat totaal nieuw voor mij is. Ga ik dan nog niet door de bocht, dan wordt een andere troef in stelling gebracht: het geloof is onwetenschappelijk. De wetenschap zou immers hebben aangetoond dat er geen God bestaat. Alsof men dat proefondervindelijk in een laboratorium heeft vastgesteld. In werkelijkheid kunnen geleerden die vraag helemaal niet beantwoorden. Echte wetenschappers stellen de Godsvraag immers niet: ze zijn agnost.

Maar het kan nog veel gekker. Zo werd mij een paar weken geleden op een forum voor vijftigplussers verweten dat een Europese organisatie, waar ik nog nooit van had gehoord, had vastgesteld dat religieus fundamentalisme een uiting is van een neurologische afwijking. En omdat ik voorzichtig de vraag had opgeworpen of de natuurwetten, de oerknal en de evolutie misschien wezen op het bestaan van een schepper, was ik automatisch een fundamentalist waartegen met harde hand moest worden opgetreden. Ook werd ik in dat verband een creationist genoemd. Dat is nog veel erger, want een creationist gelooft dat de wereld letterlijk in zeven dagen geschapen is. Alsof God de wereld in een paar dagen heeft gesmurft. Nu acht ik Hem tot veel in staat, maar ik geloof niet dat Hij zó veel haast heeft gehad. Het kan ook wel wat kalmer aan. Wat dacht je van zo’n 18 miljard jaar? Lijkt me ruim voldoende.  Alles op zijn tijd, nietwaar.

Voor atheïsten zijn alle gelovigen kerklid, het liefst natuurlijk van een zwarte kousenkerk. Zulke mensen zijn makkelijk te bestrijden. Je legt dan de letterlijke tekst van de bijbel naast het evangelie van de oerknaltheorie, en klaar is Kees. Dat is makkelijk scoren. Toch is maar een paar procent van de Nederlandse bevolking creationist. Het overgrote deel van de christenen combineert het geloof met de wetenschap. Geloof en evolutie bijten elkaar immers niet. Het Vaticaan heeft een eigen sterrenwacht en ook christelijke geleerden houden zich met astronomie bezig.

Wat mij nog het meest stoort is het gigantische pars pro toto-denken van de meeste atheïstische bloggers. Eén of twee facetten van het christendom worden eruit gelicht en als de hele christelijke traditie voorgesteld. Het gaat dan altijd om uitwassen zoals de kruistochten en andere uitingen van geweld en onverdraagzaamheid. De conclusie is dan ook simpel: religies zijn onverdraagzaam, want ze zetten aan tot haat en geweld. Om die reden zouden uitingen van religie uit het openbare leven moeten worden gebannen.

Wat men daarbij vergeet zijn centrale christelijke waarden als solidariteit, het opkomen voor armen en mensen die worden vervolgd vanwege hun overtuiging. Vanuit het geloof dat er een God bestaat die wil dat mensen solidair zijn met elkaar zijn er ook altijd personen en organisaties geweest die opkwamen voor de rechten van minderheden. Sommigen hebben dat met de dood moeten bekopen. Dat gebeurt ook nu nog. De zorg voor zieken en gehandicapten is voortgekomen uit de middeleeuwse kerken en kloosters. En hoeveel dingen er in de traditie ook zijn misgegaan, deze centrale waarden zijn recht overeind gebleven, dwars tegen alle individualistische en egocentrische tendensen van deze tijd in. 
Ik vraag me wel eens af hoe lang het nog duurt voordat het ook tot links Nederland is doorgedrongen dat het christendom méér is dan een synoniem voor onverdraagzaamheid en grenzeloze naïviteit. Het christendom is allereerst een ethische religie. Ik vind het daarom ontzettend jammer dat bij alle opwinding over donkere aspecten van kerk en religie dit centrale, bindende element over het hoofd wordt gezien. Juist door linkse mensen die de mond vol hebben over solidariteit en het opkomen voor onderdrukte groepen.

Ik denk dan ook dat het tijd wordt dat links Nederland, naast de terechte aandacht die er is voor uitwassen, ook oog begint te krijgen voor de essentie van het christendom. Die essentie is m.i. de ethiek die uitgaat van zorg voor de medemens en voor de aarde als geheel. De overeenkomsten zijn immers veel groter dan de verschillen. Zodra atheïsten, die men meestal bij links aantreft, oog beginnen te krijgen voor die aspecten van het christendom, en christenen hun eigen waarden herkennen in de linkse politiek, zullen zinloze discussies tussen christenen en atheïsten langzaam maar zeker verstommen.

woensdag 17 augustus 2011

In de stilte kunnen we God ervaren



"Leef in het nu, carpe diem, pluk de dag". Dat is het motto van deze tijd. Duurzaamheid, geduld en matiging zijn woorden die men vandaag de dag niet meer wil horen. Veel mensen moeten een voortdurende 'muur van geluid' om zich heen hebben, anders voelen ze zich niet prettig. Men is op de vlucht: op de vlucht voor pijn, voor verdriet, voor teleurstelling, op de vlucht voor angst en alles wat angst kan oproepen.
Meer dan ooit is dit een tijd waarin men bang is voor de stilte, voor de stilte waarin God tot het hart van de mens kan spreken. Vandaar dat we muren om ons heen optrekken. Veilig zitten we in ons cocon. Maar zijn we daar wel gelukkig? Of proeven we het geluk van de verslaafde, van degene die zich verdoofd heeft om iets anders vooral niet te voelen?
Niet alleen beeld en geluid - muziek, internet, radio en t.v. - maar ook woorden vormen een barrière tussen ons en God, en tussen ons bewustzijn en de diepten van onze ziel.

Woorden structureren onze gedachten, geven er een begrijpelijke vorm aan, maar tegelijkertijd beperken ze ons ook. Ze kunnen weliswaar heel helder en gestructureerd zijn, maar toch geven ze noodgedwongen een beperkt en eenzijdig beeld van datgene wat we willen uitdrukken. Gedachten zijn altijd rijker en veelzijdiger dan de taal waarin we ze onder woorden brengen. Taal bestaat immers bij de gratie van tegenstellingen, taal maakt onderscheid, plaatst dingen tegenover elkaar, maar onze ziel is een eenheid die tegenstellingen in zich kan verenigen.
Daarom is er maar één radicale manier om je open te stellen voor de diepten van je ziel: alle beelden, woorden en geluiden loslaten en je verbinden met God in je binnenste. Alleen vanuit de leegte en de stilte kan God op je inwerken. Zelfs voor mensen die niet geloven is het beoefenen van de stilte heilzaam. Het is de weg naar binnen die ons voert naar de grond van ons bestaan zelf. Alleen dan kunnen we onszelf ook ervaren als een geestelijk wezen.

woensdag 20 oktober 2010

Kun je in de 21e eeuw nog wel geloven in God?

Als ik om me heen kijk en op mijn eigen ervaringen af ga, kom ik tot de conclusie dat mensen God vaak pas gaan zoeken als ze eerst heel erge dingen hebben meegemaakt. Ook merk ik dat mensen God vaak zoeken op een wonderlijke manier, bv. door een ritueel gebed af te raffelen. Dan kun je terecht de vraag stellen: “Wélke God zoeken ze?"

Ik geloof dat God méér is dan alleen maar een energievorm, méér dan een eerste oorzaak, de alomvattende liefde of - helemaal lekker vaag - 'al wat is'. Wat zou dat trouwens zijn: 'al wat is?' Dat klinkt raadselachtig en tegelijk veelbelovend. Alles wat er is, dat is ontzettend veel. Maar is God dan het geheel, de optelsom van alle afzonderlijke dingen, of misschien het overkoepelende geheel?

'Al wat is' lijkt me daarom té vaag om voor God in aanmerking te komen. Je kunt er immers alle kanten mee op. Het is net een toverbal die alle kleuren van de regenboog aanneemt als je er maar lang genoeg op sabbelt. Goed. Welke kandidaten zijn er nog meer? God als energievorm dan? Klinkt lekker technisch in dit moderne tijdperk. Het doet me denken aan God als een soort energiecentrale of als een wolk elektromagnetische lading. Maar energie is op zichzelf neutraal. Als ik de stekker in het stopcontact steek, speelt de radio ook op energie. Maar God moet als God toch méér zijn dan een energetische lading? Hij heeft toch ook eigenschappen en vermogens? Hoe zou Hij anders de wereld hebben kunnen scheppen?

Dat laatste brengt me op een ander godsbeeld: God als persoon. In deze tijd is dat beeld van God niet populair. Het is niet modern genoeg, niet hip en niet flitsend. Het doet veel mensen denken aan de kerken en aan de Bijbelse God. En die God van de bijbel... Nee, bah, daar willen ze niets mee te maken hebben, dat hebben we nu zo langzamerhand wel gehad. We leven nu in de 21e eeuw en niet meer in de Middeleeuwen, nietwaar...
Maar klopt die redenering eigenlijk wel? Is dat godsbeeld écht verouderd, of durven we simpelweg geen duidelijke keuzes meer te maken? Schamen we ons voor het godsbeeld van de Vader die ons als Zijn kinderen heeft voortgebracht? Zo ja, waarom dan?

Als het daarop aankomt, zie ik om me heen dat veel mensen meteen als door een speld gestoken overeind veren als iemand het woord 'God' laat vallen. Ik denk dat dat vooral komt door de puinhopen die de kerken ons in de loop der eeuwen hebben nagelaten. In plaats van de gemeenteleden te dienen zoals Christus Zijn leerlingen diende - denk maar aan de voetwassing - zagen de kerkbestuurders, bisschoppen en kardinalen het als hun voornaamste taak om hun eigen machtspositie en wereldlijke belangen veilig te stellen en waar mogelijk uit te breiden, desnoods ten koste van het welzijn van de gemeente. Dat er desondanks ook altijd priesters zijn geweest die écht om hun gemeenteleden gaven en voor hun wereldse en geestelijke belangen opkwamen, is een pluspunt en heeft ervoor gezorgd dat de traditie bewaard bleef, maar ook niet meer dan dat.

De kerken hebben veel schade aangericht en mensen kopschuw gemaakt voor het geloof. Dat gebeurt in feite nog steeds. De recente onthullingen over seksschandalen binnen de R.K. kerk roepen veel walging en weerzin op, en dat is volkomen terecht. De katholieken hebben dat voor een groot deel aan zichzelf te danken. Een instelling als het celibaat zorgt ervoor dat mensen hun seksuele driften op alle mogelijke manieren moeten onderdrukken. Natuurlijk gaat dat vaak fout. De leiding van de R.K. kerk zou er heel verstandig aan doen om te erkennen dat seksualiteit niet per definitie zondig en verdorven is, maar een normale menselijke drift die je in goede banen moet leiden. Het celibaat zouden ze dan ook onmiddellijk moeten afschaffen.

Deze en andere misstanden roepen walging en weerzin op. Begrijpelijk. Maar rechtvaardigt dat de enorme, soms fanatieke afkeer die sommige mensen in zich voelen opkomen zodra het woordje 'geloof' valt of iemand er openlijk voor uitkomt dat hij of zij christen is? Is dat voor de anderen, die dat horen, een gerechtvaardigde reden om alle stekels op te zetten en naar zo iemand uit te halen? Natuurlijk niet! Wie afkeer voelt voor christenen en elke christen goedkoop en gedachteloos vereenzelvigt met kruistochten, inquisitie, onderdrukking en dwang, is in principe sterk bevooroordeeld bezig. Zo iemand zou zijn eigen motieven, frustraties en zondebokken eens moeten onderzoeken i.p.v. altijd maar de blik naar buiten te richten en anderen - God, de christenen of de kerken – overal de schuld van te geven.
Christenen en het christendom veroordelen onder verwijzing naar de fouten van vroegere eeuwen is dan ook goedkoop en gedachteloos. Goedkoop, omdat een dergelijke gedachtegang met simpele etiketten werkt, die men elke christen zonder aanzien des persoons op kan plakken. Gedachteloos, omdat deze manier van denken en redeneren zelden onderbouwd is en gewoonlijk op onderbuikgevoelens is gebaseerd.

De werkelijkheid is, dat het christendom weliswaar veel te lijden heeft gehad van allerlei menselijke fouten en stommiteiten, maar tegelijkertijd ook voor heel veel mensen een bron van inspiratie en zingeving is geweest. Dat geldt in feite nog steeds. Door de eeuwen heen hebben christenen God als een liefdevolle Vader ervaren, die hen kon bereiken in de enige plaats waar een mens écht in de geest kan worden bereikt, nl. in zijn hart.

Ik geloof dat voor een mens, die eenmaal tot dat inzicht gekomen is en zich realiseert wat voor een onvolmaakt wezen hij is, de rest op den duur vanzelf op zijn plaats valt. Maar we zullen wél eerst van onze troon, onze gedroomde goddelijkheid, af moeten komen. Zonder deemoed - noem het voor mijn part gepaste bescheidenheid - is geen echte geestelijke ontwikkeling mogelijk. Helaas kunnen de meeste mensen die gepaste bescheidenheid alleen maar leren door eerst flink met hun kop (d.w.z. hun hoogmoed) tegen de muur te lopen. Dat is een bitter gegeven, maar gezien onze menselijke natuur pakt het vaak wel zo uit. Dat we dan al snel door Gods liefde in genade worden aangenomen, is daarbij gelukkig een hele troost.