Posts tonen met het label BDE. Alle posts tonen
Posts tonen met het label BDE. Alle posts tonen

donderdag 8 november 2012

Visies op het hiernamaals: deel 2, de zeven niveaus

 
Zowel oosterse als westerse tradities hebben het over zeven niveaus of sferen in het hiernamaals. Die indeling is niet dwingend; het is gewoon een manier om structuur aan te brengen in de beschrijvingen van het leven na de dood. Hierin is het onderste niveau dat van de aarde. Alle aardgebonden geesten verblijven daar; het zijn de geesten waarvan men aanneemt dat ze tijdens Halloween komen ‘spoken’. Ze kunnen dat niveau pas verlaten als ze zich niet meer zo sterk aan het materiële hechten en het tot hen is doorgedrongen dat ze zijn gestorven. Ook moeten ze accepteren dat ze hulp nodig hebben om verder te komen.
Wie dat eenmaal heeft geaccepteerd, komt terecht in de Hades. Dat is het gebied waar je de zwakheden van je karakter ervaart en ervan moet leren. Voor veel mensen is het een nevelig gebied waar ze kunnen uitrusten. De omgeving ziet er ongeveer net zo uit als op aarde, maar dan droomachtig. Sommigen worden er geplaagd door spijt en berouw over wat ze anderen hebben aangedaan, want bij de terugblik op hun leven hebben ze die pijn zelf ondergaan. Deze wereld wordt gevormd door de emoties van de geesten die er verblijven, maar ook door de projecties van de mensen die nog op aarde leven. Die zijn soms akelig.
Je zou je kunnen afvragen waarom sommige mensen na hun dood nog moeten lijden. Het antwoord is simpel. Alle visies gaan er namelijk van uit dat de mens na de dood niet beter of slechter is dan op het moment waarop hij sterft. “De dood maakt van zondaars geen heiligen”, zoals de Britse professor Ralph Harlow het uitdrukte. In moreel opzicht kun je immers niet over je eigen schaduw heen springen. Pas als je je eigen fouten en zwakheden hebt ingezien en je jezelf daarvan wilt zuiveren, kom je na de dood verder. Maar er zijn ook mensen die daar geen boodschap aan hebben. Bij hen gaat de ontwikkeling langzamer.     
Verwant aan de Hades is het begrip ‘hel’. Dit kun je als een zwaardere variant van de Hades beschouwen. De zuivering van de ziel is hier dieper en grondiger, maar in de christelijke traditie wordt deze sfeer door veel mystici en kerkvaders niet als definitief beschouwd. Het Tibetaanse boeddhisme zit ook op die lijn: je zit niet voor eeuwig in de hel, maar moet er je slechte karma uitboeten. Daarna kun je verder.
Het volgende niveau is dat van de illusie. De omgeving in deze sfeer wordt bepaald door de mentale beelden van de mensen die zich daar bevinden. De geesten vormen hier groepen van gelijkgezinden die zich tot elkaar aangetrokken voelen. Sommige groepen wonen er in een mooie, vreedzame omgeving, andere in steden. Het is belangrijk om te weten dat dit projecties zijn van die geesten: het gaat hier niet om een tastbare, fysieke realiteit. Iedereen creëert hier zijn eigen werkelijkheid.
Op den duur bevredigt dit bestaan op het niveau van de illusie niet meer, omdat men het wisselvallige en betrekkelijke ervan inziet. De geesten komen dan terecht in het ‘niveau van de kleur’ of het ‘zomerland’. Evenals het niveau van de illusie is deze sfeer een projectie van de bewoners ervan, maar er is een wezenlijk verschil: men schept hier zijn omgeving heel bewust d.m.v. gedachtekracht, terwijl men op het vorige niveau nog ten prooi was aan zijn eigen illusies. Ziekte en pijn komen er daarom niet meer voor. Qua uiterlijk lijkt deze sfeer sterk op de traditionele voorstellingen van de hemel en het paradijs. Opvallend is verder dat hoogstaande kunst, ontdekkingen en uitvindingen in eerste instantie in dit mentale gebied plaatsvinden en vervolgens d.m.v. dromen en inspiratie op aarde worden gerealiseerd. Dat gegeven komt zowel uit BDE-verslagen als uit parapsychologisch onderzoek naar voren.
Als de geest zich nog verder ontwikkelt, daagt het bewustzijn dat men zich moet bevrijden van de vormen die aan het leven op aarde zijn ontleend. Al het aardse is immers eindig en tijdelijk, terwijl het geestelijke oneindig en onsterfelijk is. Deze vormen voldoen dus niet meer: men wil door die barrière heen breken naar de ultieme werkelijkheid, die veel groter is. Via de drie hoogste sferen, die alleen maar abstract kunnen worden beschreven omdat ze zo ver van de aardse werkelijkheid af staan, klimt de mens tenslotte op naar het allerhoogste, goddelijke niveau.
Fontana verwijst in dit verband naar Plato, naar het Tibetaanse boeddhisme en naar het hindoeïsme. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze alle drie uitgaan van de essentie van de werkelijkheid zelf, waaruit de aardse vormen voortkomen. Deze essentie wordt in het hiernamaals uiteindelijk ook bereikt: voor de hindoes is dat het ‘Brahman’, voor mystici zoals meister Eckhart is dat de sfeer van de godheid, voor de christelijke gnostici het ‘pleroma’. Daar nadert men de bron van het bestaan zelf in het zevende en hoogste niveau van het geestelijke leven.
Bij dit alles is er wel een essentieel verschil tussen oosterse en westerse ontwikkelingswegen. Oosterse tradities stellen dat de mens puur op eigen kracht alle illusies en gehechtheden moet overwinnen, terwijl westerse tradities geloven dat de mens daarbij hulp van anderen - in het christendom van Christus - nodig heeft. Die hulp van buitenaf bekort die ontwikkelingsweg trouwens wel enorm. Boeddhisten en hindoes moeten telkens reïncarneren om op eigen kracht de uiteindelijke verlichting te bereiken, terwijl Jezus de mens zijn zonden kan vergeven, zodat hij niet meer terug hoeft te komen om zich te vervolmaken. Het eindpunt is echter voor iedereen gelijk: uiteindelijk bereikt de mens een sfeer waarin hij volmaakt gelukkig is en alle aardse vormen en beperkingen achter zich heeft gelaten. Hij is dan in staat om oneindig en in alle vrijheid te scheppen en lief te hebben – wie zou dat niet willen?
Literatuur:
David Fontana:  “Na de dood – wat kunnen we verwachten?”. Ned. vert. uitgeverij Ankh-Hermes, 2010.
Raymond Moody: “Een blik in de eeuwigheid – gedeelde ervaringen met de dood”, Ned. vert. uitgeverij Bruna, 2011.
Betty Eadie, “Geleid door het licht”, Ned. vert. uitgeverij Bruna, 2008. 

Matthias Schreiber, "De onsterfelijke ziel", Ned. vert. uitgeverij Forum, 2008.

maandag 5 november 2012

Visies op het hiernamaals: deel 1, de levensschouw

Het wegen van het hart. Tafereel uit het Egyptische Dodenboek. Zo te zien loopt het goed af, want het hart is lichter dan de veer, die de Ma'at voorstelt,
het principe van de gerechtigheid bij de oude Egyptenaren.   

Halloween is het feest waarbij men viert dat de geesten van overledenen terugkeren naar de aarde. In de religie en de parapsychologie wordt uitgelegd hoe zoiets mogelijk is. Het gaat hierbij om geesten die vaak niet beseffen dat hun lichaam gestorven is en daarom hier blijven rondzwalken. Toch gaat dat gelukkig lang niet voor iedereen op. Bovendien is het maar een voorbijgaande fase in de ontwikkeling die sommige mensen na de dood doormaken. Interessant wordt dan de vraag hoe dat hiernamaals er in zijn totaliteit uitziet. Welke stadia doorloopt de mens in het geestelijke leven dat hem na de dood  te wachten staat? Wie een serieus antwoord wil op deze vraag– en wie vraagt zich dat nooit eens af – heeft, denk ik, nog het meest aan de opvallende overeenkomsten tussen de beelden die de religies, de parapsychologie en het BDE-onderzoek schetsen van het leven na de dood.

Laat ik beginnen met het bekende beeld van de drenkeling die zijn hele leven in één ogenblik voorbij ziet flitsen. Allerlei belangrijke momenten uit zijn leven ziet hij tegelijkertijd voor zich, zowel beelden uit de kindertijd als uit zijn latere leven. Het lijkt wel een reusachtig tableau dat zich buiten tijd en ruimte bevindt, maar desondanks enorm indringend is.

Dit levenspanorama – ook wel ‘levensschouw’ genoemd – komt voor in alle wereldreligies, in heel veel bijna-dood-ervaringen en in verslagen van tal van séances. Het is een universele ervaring van de mensheid, die ook al bekend was in de oudheid. Kenmerkend hiervoor is, dat men niet alleen beelden ziet uit het eigen leven, maar ook rechtstreeks ervaart welk effect het eigen gedrag op anderen heeft gehad, zowel in positieve als in negatieve zin. Hieraan wordt vaak een soort beoordeling verbonden van het voorbij leven, maar dat hoeft niet meteen te resulteren in straf of zelfs in een vorm van verdoemenis. Je zou beter van herbeleving kunnen spreken. Alles, wat wezenlijk voor je is, passeert nog eens de revue, zodat je je daar zelf een oordeel over kunt vormen. Het belangrijkste criterium daarbij is hoe liefdevol je voor anderen en jezelf bent geweest. Hoe veel mededogen, begrip en verdraagzaamheid heb je voor anderen opgebracht? In BDE-verslagen wordt melding gemaakt van een engel, die bij dit levenspanorama naast je staat en je kalm en vol mededogen helpt om deze indrukken – die schokkend kunnen zijn – te verwerken.
Ik denk dat met ‘het Laatste Oordeel’, dat volgens het Nieuwe Testament zal plaatsvinden op ‘de jongste dag’, deze levensschouw onder leiding van een engel wordt bedoeld. Iedereen krijgt dan de kans om zijn eigen leven te beoordelen en er lering uit te trekken. De ‘jongste dag’ is dan de eerste of jongste dag in het leven na de dood.  
Volgens de Dodenboeken van de Oude Egyptenaren t.t.v. het Nieuwe Rijk (1550-1070 v.Chr.) ging het er in het hiernamaals heel wat pittiger aan toe. Na de dood werd het hart van de overledene, dat alle goede en slechte daden bevatte, op een weegschaal gelegd. Aan de andere kant van de weegschaal legden de goden de Ma’at, de veer die de goddelijke gerechtigheid voorstelde. Als je hart zwaarder was dan de Ma’at, werd het opgevoerd aan een vrouwelijk monster dat al likkebaardend klaar stond om het te verslinden. Was je hart ‘licht’, dan ging je naar hemelse oorden waar de zon altijd scheen en niemand ooit tekort kwam. Dat oordeel werd geveld in het bijzijn van de dodengod Osiris en zijn 42 dodenrechters.
In de piramideteksten van het Oude Rijk (2600-2200 v.Chr.) wordt verhaald dat de ziel van de overleden farao opsteeg naar een eeuwig verblijf tussen de sterren. Om de opgang van zijn ziel te vergemakkelijken waren zelfs schachten in de piramide aangebracht: ze wezen naar de ster die in die tijd de poolster was (Alpha Draconis). Iets dergelijks doet me denken aan de tunnelervaring van BDE’ers: heel in de verte ziet men dan een licht opdoemen, waarachter de hemel zichtbaar wordt. Misschien verwijzen de piramideschachten naar die oerervaring van veel mensen.

Het Oud-Egyptische dodenoordeel was streng maar rechtvaardig, zonder de mogelijkheid van boetedoening waarna het alsnog met je in orde kwam. Daarin verschilt deze rigoureuze visie van de Egyptenaren van de voorstellingen, die men zich in de meeste hedendaagse wereldreligies maakt van het leven na de dood. Hierin keert het levenspanorama terug, maar dat mondt niet uit in een definitief oordeel over de gestorvene: er wordt een vervolg aan gegeven.   
Hoe dat vervolg eruit ziet beschrijft de Britse hoogleraar en parapsycholoog David Fontana in zijn boek “Na de dood – wat kunnen we verwachten?”. Gemakshalve deelt hij het hiernamaals in zeven fasen in. Voor dat doel heeft hij de gegevens van drie vakgebieden verzameld en met elkaar vergeleken, t.w. de grote wereldreligies, BDE-verslagen en het parapsychologisch onderzoek. Centraal staat hierbij de gedachte dat de geest in het hiernamaals eerst vier fasen doorloopt, waarin alles zich hult in vormen die aan het aardse leven zijn ontleend. Daarna volgen er drie fasen of niveaus waarin de ziel zich ook van de beperkingen van die aardse vormen heeft bevrijd en een bijna grenzeloze vrijheid geniet om op alle mogelijke manieren te scheppen en zich in te zetten voor anderen. Graag ga ik daar in het laatste deel van deze artikelen over het hiernamaals op in.  

zaterdag 14 januari 2012

Maakt het geloof in het hiernamaals de mens egoïstisch?


In de christelijke leer gaat men ervan uit dat de mens een individuele, door God geschapen ziel heeft die door de zondeval beschadigd is geraakt. Daardoor is de weg van de menselijke ziel naar de hemel versperd. Om nu de band tussen God en mens te herstellen zond God zijn Zoon die door zijn leer en het offer van zijn kruisdood de weg naar de hemel weer heeft vrij gemaakt. Iedereen, die in zijn verlossend optreden gelooft en Hem navolgt, komt volgens die leer in een ‘verheerlijkt lichaam’ in de hemel terecht.

Kritiek op deze centrale gedachtegang in het christendom is er altijd al geweest. Deze kritiek komt erop neer dat de mens zozeer door zijn streven naar persoonlijke verlossing in beslag genomen wordt, dat men het aardse leven in feite onbelangrijk vindt. De prikkel om aan armoede, maatschappelijke wantoestanden en onderdrukking een einde te maken zou daardoor veel te zwak zijn. Volgens deze critici is de aarde voor veel christenen niet meer dan een wachtkamer of voorportaal, waar men punten hoopt op te sparen die men later kan verzilveren voor een eeuwig bestaan in hemelse gelukzaligheid.  De christen zou zich, kortom, te veel richten op zijn persoonlijke heil in het hiernamaals en te weinig op het gemeenschappelijke welzijn in het hier en nu. Graag ga ik hieronder op deze kritiek in.

DE INDIVIDUELE ZIEL EN HET LEERSTUK VAN DE WEDEROPSTANDING
Hoe ziet dat voortbestaan van de individuele ziel er volgens christenen uit? De voorstellingen hierover werden eeuwenlang beheerst door de leer van de lichamelijke wederopstanding. Deze leer werd in allerlei kerken, waaronder de Rooms-Katholieke kerk, aangehangen. Daarbij baseerde men zich op het dogma van de 'zielenslaap', zoals o.a. geformuleerd door Thomas van Aquino. Tot 'de jongste dag', die bij de terugkeer van Christus zou aanbreken, zouden de zielen van de overledenen slapen. Daarna zouden ze lichamelijk worden opgewekt om ofwel in de hemel, ofwel in de hel terecht te komen. 
Tegenwoordig geloven steeds minder mensen in een fysieke wederopstanding. De meeste predikanten, priesters en kerkleden denken dat dit veel meer geestelijk moet worden opgevat. Ook over de 'wederkomst van Christus' wordt heel verschillend gedacht. Alleen fundamentalisten geloven nog in een fysieke terugkeer van Christus. Zij denken dat Hij letterlijk ‘op de wolken’ zal terugkomen.

Sterker nog: met christelijke en bijbelse argumenten kun je aannemelijk maken dat dat dogma van de zielenslaap een enorme misvatting is. Zo heb ik in 2001 een boekje vertaald van Otto Feuerstein. Daarin laat hij zien hoe ongeloofwaardig deze leer is. Met ‘de jongste dag’ wordt bv. de dag bedoeld waarop de individuele mens sterft en in de geestelijke wereld aankomt. Daarom kan die dag nooit samenvallen met de wederkomst; voor iedereen is ‘de jongste dag’ immers weer verschillend, afhankelijk van de dag waarop men overgaat.   

VERZWAKT HET CONCEPT VAN DE INDIVIDUELE ZIEL DE AANDACHT VOOR DE MEDEMENS?  
De traditionele opvatting van de opwekking van de doden bij de wederkomst van Christus is dus discutabel, maar dat geldt binnen het christendom niet voor het idee dat de mens een individuele ziel heeft en dat men daarmee moet proberen de hemel te bereiken. Leidt dit streven naar persoonlijke verlossing nu niet tot egocentrisme en het verwaarlozen van de aandacht voor de medemens en de samenleving als geheel? M.a.w.: stimuleert dit mensen misschien tot wereldmijding en een eenzijdige gerichtheid op het hiernamaals, zoals veel critici menen?

Daar heb ik mijn vraagtekens bij. Het hangt er van af hoe je het geloof vorm geeft. Zo is de ‘charitas’, de dienst aan de naaste, een wezenlijk onderdeel van het christelijke geloof. De zorg voor anderen weegt binnen het christendom heel zwaar. Het is niet voor niets dat Joep de Hart in zijn gedegen onderzoek “Zwevende gelovigen – oude religie en nieuwe spiritualiteit” heeft aangetoond dat het vooral christenen zijn die heel veel tijd steken in allerlei soorten vrijwilligerswerk. Veel meer dan andere groepen in de samenleving zetten zij zich hiervoor in. Tekenend is verder dat de gezondheidszorg in het Westen uit kerken en kloosters is voortgekomen. Dat is lijnrecht in tegenspraak met de gedachte dat het christendom zou leiden tot wereldmijding en egocentrisme. 

Wat is verder het eerste wat BDE-ers zien als ze een glimp van de geestelijke wereld mogen opvangen? Zijn dat niet de familieleden en vrienden van wie men heel veel houdt? Daarom geloof ik niet dat mensen zó ontzettend op zichzelf gericht zijn, dat ze alleen maar oog hebben voor hun eigen, eeuwige heil en anderen daarbij uit het oog verliezen. Zeker, het komt natuurlijk voor, maar het vloekt wel met de essentie van het christendom.

HEBBEN OOK ANDERE LEVENDE WEZENS EEN INDIVIDUELE ZIEL?
Sommige critici zullen misschien opmerken dat het inconsequent is om wél aan mensen een individueel voortbestaan toe te kennen, maar niet aan andere levende wezens. Daar kan ik twee dingen op zeggen. Allereerst zijn er ook stromingen (antroposofie e.d.) waarbij men ervan uitgaat dat ook de zielen van planten en dieren na de dood voortbestaan. Wél geloven zij dat deze zielen in een volgend leven worden samengevoegd tot complexere levensvormen. Ze verdwijnen dus niet, maar worden ingepast in een groter geheel. Zo uniek is de mens volgens hen dus ook weer niet. 

In de tweede plaats wordt de mens binnen het christendom als 'de kroon van de schepping' beschouwd, met de notie dat de mens het enige wezen is dat naar het evenbeeld van God geschapen is. Daarmee bedoelt men dat alleen de mens (naast een lichaam en een ziel) over een geest beschikt, terwijl andere levende wezens alleen beschikken over een lichaam en een ziel. Op iemand die puur natuurwetenschappelijk denkt, komt dat heel arbitrair over, maar dat is wel de verklaring voor dit kenmerkende verschil.

Het idee van een individuele menselijke ziel, die onafhankelijk van het fysieke lichaam kan bestaan, is dan ook niet strijdig met het streven naar medemenselijkheid, geloof, hoop en liefde. Soms hoor je mensen ook opperen dat het bestaan van zo’n individuele ziel niet wetenschappelijk kan worden aangetoond. Dat berust op een gebrek aan kennis van de vorderingen op het gebied van de parapsychologie. Van minstens vijf paranormale verschijnselen, die uitgaan van het bestaan van de individuele ziel, heeft men voldoende wetenschappelijk kunnen aantonen dat ze bestaan. Jammer genoeg gaat men daar vaak met een boogje omheen. Dat geldt ook voor de talloze authentieke verhalen van BDE-ers, die zeer overtuigend zijn. 

HET EINDE VAN HET GELOOF IN DE MATERIE
Ik geloof dan ook dat de reductionistische wetenschap, inclusief zijn ontkenning van de individuele menselijke ziel, op de lange duur geen stand kan houden. Het is nog maar een kwestie van tijd voordat men niet langer om de realiteit van het leven na de dood heen kan. De nooddijken die men in steeds hoger tempo opwerpt om dat ontkennen, staan op instorten. De heftigheid waarmee men bv. authentieke BDE-verhalen probeert te ontkrachten door ze toe te schrijven aan hallucinaties, zuurstofgebrek en andere puur fysiologische oorzaken, is een onmiskenbaar teken van angst en onzekerheid. Ergens voelt men wel dat er een voortbestaan is en dat datgene, wat een mens tijdens zijn leven heeft gezegd, gedacht en gedaan, niet zomaar kan worden uitgewist. Maar met alle geweld loopt men voor de consequenties ervan weg.

Als de authenticiteit van BDE’s als beschrijvingen van een hiernamaals onomstotelijk wordt aangetoond, valt de materialistische manier van denken en wetenschap bedrijven in duigen en heeft het atheïsme het pleit voor eens en voor al verloren. Tot die tijd zullen er nog wel de nodige achterhoedegevechten worden geleverd. Niettemin heeft het geloof dat er niet meer is dan de materie zijn beste tijd gehad. Daarvoor stapelen zich té veel bewijzen en aanwijzingen op dat zo’n eenzijdige kijk op de werkelijkheid ons echt niet verder brengt, maar het zicht op de ware natuur van mens en kosmos eerder onnodig beperkt. 

vrijdag 30 december 2011

BDE’s: de donkere materie van het bewustzijn (2)


Bruce Greyson is psychiater aan de School of Medicine van de Universiteit van Virginia. In die functie heeft hij meer dan 1000 BDE’s onderzocht. Over dat onderzoek verklaarde hij tijdens een interview met de Amerikaanse zender TVPG: “De specifieke kenmerken van een BDE zijn een gevoel van diepe vrede en welbevinden, het gevoel dat men het lichaam verlaat en het zien van een helder licht dat warmte en onvoorwaardelijke liefde uitstraalt. Soms rapporteren mensen dat ze een godheid ontmoeten die ze identificeren als God of Christus. Soms hebben ze het alleen over een almachtig wezen.” 
Hoewel getuigenissen van mensen die zoiets hebben meegemaakt vaak indrukwekkend zijn, gaan veel wetenschappers ervan uit dat deze verhalen niet een reëel hiernamaals beschrijven, maar alleen de uitdrukking zijn van de psychische mechanismen die optreden als mensen in doodsstrijd verkeren. BDE’s zouden binnen die opvatting niet meer zijn dan hallucinaties die de psyche van de mens produceert om de moed erin te houden als de dood héél dicht bij is. Zuurstofgebrek wordt daarbij vaak als de directe, fysieke aanleiding beschouwd waardoor dergelijke ervaringen worden opgeroepen. 
Om deze hypothese te toetsen heeft men in de zeventiger jaren piloten van de Amerikaanse luchtmacht getest. Deze piloten werden in een laboratorium blootgesteld aan heel hoge versnellingen, waardoor het bloed uit hun hoofd wegtrok. Daarbij raakten ze bewusteloos. Toen ze bijkwamen meldden sommigen dat ze dingen hadden ervaren die ook vaak voorkomen in BDE’s. Zo zagen enkele piloten een helder licht. Anderen konden hun eigen lichaam van buitenaf zien. In de medische literatuur noemt men dat de ‘autoscopische ervaring’.
Hoewel de verhalen van enkele piloten dus in een paar opzichten overeen kwamen met echte BDE’s, ontbraken telkens twee essentiële dingen: 1. De verbrokkelde, fragmentarische waarneming die optreedt bij zuurstofgebrek haalt het niet bij de helderheid en de ingewikkelde structuur van echte BDE’s. 2. Ook is er dan geen weerzien met overleden vrienden en familieleden, noch de ervaring van een opperwezen. 
In het boek “Herinneringen aan de dood” van de Amerikaanse cardioloog dr. Michael B. Sabom kwam ik twee andere onderzoeken tegen die zijn verricht naar de gevolgen van zuurstofgebrek in de hersenen. Zo brachten Y. Henderson en H.W. Haggard verschillende proefpersonen in een kamer waarin het zuurstofgehalte langzaam werd verminderd. Ze merkten dat de geestelijke en lichamelijke vermogens van deze mensen geleidelijk afnamen. Op den duur kregen ze last van stuiptrekkingen en problemen met ademhalen. BDE-achtige ervaringen kwamen bij dit experiment niet voor.
In een later uitgevoerd onderzoek van R.A. MacFarland naar de gevolgen van zuurstofgebrek constateerde deze arts dat bergklimmers op hoge bergtoppen lijden aan concentratiestoornissen, een slecht geheugen en prikkelbaarheid. Kortom: ze zijn dan verward en overgevoelig.   

Deze twee onderzoeken die Michael Sabom aanhaalt wijzen dus in dezelfde richting: de manier waarop mensen hun omgeving waarnemen is bij zuurstofgebrek veel chaotischer en meer verbrokkeld dan tijdens bijna-doodervaringen. Het karakteristieke verloop van een BDE en de enorme helderheid en het totaaloverzicht die daar bij horen, zijn bij zuurstofgebrek volledig afwezig. Sabom concludeert dan ook dat zuurstofgebrek niet de oorzaak kan zijn van BDE’s: het gaat hier om een wezenlijk ander type ervaringen.   
Eben Alexander, die zelf een BDE heeft gehad, gaat nog een stap verder. Hij is er rotsvast van overtuigd dat het bewustzijn niet ontstaat door de werking van onze hersenen: volgens hem functioneert het onafhankelijk daarvan. De interactie met de wezens die hij tijdens zijn eigen ervaring zag was zó enorm indringend, complex en onverklaarbaar, dat geen enkele traditionele theorie, die BDE’s moet verklaren, naar zijn mening hiervoor toereikend is. De hersenvliesontsteking, die hem op de rand van de dood bracht, zorgde ervoor dat zijn hersenschors niet meer functioneerde. Maar misschien - zo redeneerde hij - was zijn BDE wel veroorzaakt door gebieden van de hersenen die wat dieper liggen. Vervolgens heeft hij onderzocht of daar misschien de oplossing lag van dit raadsel. Jammer genoeg liep dat onderzoek volledig dood. De meer naar binnen gelegen hersendelen zijn nl. niet in staat om dergelijke ervaringen voort te brengen. 
De enige plausibele verklaring die dr. Alexander kon bedenken voor zijn ervaringen is de aanname dat de mens een geest is die tijdelijk een lichaam bewoont en na de fysieke dood terugkeert naar zijn eigenlijke, geestelijke domein. BDE’ers komen voor enkele minuten in dat geestelijke gebied terecht en kunnen ons vertellen hoe dat eruit ziet en welke wetten en principes daar gelden.
Laten we nu ervan uitgaan dat Alexander en Sabom – naast veel andere onderzoekers – gelijk hebben en BDE’s inderdaad bewijzen vormen van een hiernamaals; wat zijn dan de consequenties ervan voor de wetenschap en voor onze samenleving en onze ethiek? Zijn deze ervaringen nu echt de ‘donkere materie van het bewustzijn’? Graag probeer ik daar in het volgende en laatste deel iets over te zeggen.

zondag 3 juli 2011

Bijna-dood-ervaringen en het mensbeeld in de medische wetenschap


"Een vooroordeel is moeilijker te splitsen dan een atoom". 

Deze uitspraak van Albert Einstein citeert Pim van Lommel in zijn boek "Eindeloos bewustzijn" om aan te geven hoe hardnekkig de wetenschappelijke wereld vasthoudt aan het idee dat het bewustzijn een product is van de hersenen. Door activiteit in de menselijke hersenen zou ons bewustzijn tot stand komen. Alsof ons lichaam niet meer is dan een machine.  


Voor de medische wetenschap heeft deze materialistische uitgangspositie enorme consequenties. Als men deze gedachte immers toepast, betekent dat ook dat het bewustzijn zou verdwijnen bij zgn. 'flatliners', d.w.z. mensen bij wie geen hersenactiviteit meer kan worden geregistreerd. Toch kan d.m.v. wetenschappelijk onderzoek naar BDE's worden aangetoond dat ook dan ervaringen mogelijk zijn. Sterker nog: onderzoek naar BDE's leert dat het menselijke bewustzijn bij afwezigheid van aantoonbare hersenactiviteit juist scherper, indringender en alomvattender is dan tijdens het normale waakbewustzijn ooit het geval is geweest. 

Het menselijke bewustzijn is dan niet meer aan tijd en plaats gebonden. Het verkrijgt daardoor vaak inzichten, die ver uitstijgen boven datgene, waar men zich tijdens het normale waakbewustzijn mee vertrouwd heeft gemaakt. Ook ervaart men de continuïteit tussen leven en dood: het bewustzijn houdt na de dood niet op. Bovendien beseft men, dat alles met alles verbonden is en dat alles wat je doet of 'uitzendt', vroeg of laat vanuit je omgeving bij jezelf terugkeert. 

Het mensbeeld dat op die manier wordt verkregen, verschilt hemelsbreed van het traditionele medische model. Meestal wordt in de medische wetenschap aangenomen dat het bewustzijn een manifestatie of product is van de hersenactiviteit. En het is juist dat vooroordeel - meer is het immers niet - dat in de bewoordingen van Einstein "moeilijker te splitsen is dan een atoom". 

Wat voor consequenties heeft dit mensbeeld nu voor de medische wetenschap en ethiek? Wat voor gevolgen zou het bv. ook kunnen hebben voor de psychiatrie en de psycho-geriatrie? 
Als men eenmaal het traditionele concept ('het bewustzijn is een product van de hersenen') heeft losgelaten, gaat men wezenlijk anders aankijken tegen vraagstukken van leven en dood. Het besef dat het bewustzijn met de dood niet ophoudt, zorgt ervoor dat men het leven minder verkrampt probeert te rekken. De biologische dood maakt immers geen einde aan het bewustzijn, maar verandert alleen de condities waarbinnen de menselijke geest de wereld waarneemt. 

Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat men minder snel euthanasie zal toepassen. Men hoeft dan immers niet meer zo geweldig bang te zijn voor alle processen die met sterven en de dood te maken hebben. Daardoor ontstaat ook het besef dat men de natuurlijke processen zo veel mogelijk zijn gang moet laten gaan. 

Voor de psychiatrie lijken de consequenties me verstrekkend. Als het menselijke bewustzijn immers wel gebruik maakt van de hersenen, maar daar niet van afhankelijk is, is het wel mogelijk om het bewustzijn tijdelijk met psychofarmaca te beïnvloeden, maar het verandert de mens zelf in feite niet, omdat de menselijke geest er niet door wordt bereikt of veranderd. Hooguit kun je de menselijke geest beperken in zijn mogelijkheden om de hersenen te gebruiken als instrument om zich te manifesteren en te uiten. Anders gezegd: je dempt het bewustzijn van iemand kunstmatig af, maar de persoon zelf verandert er niet door. 

Daaruit mag de conclusie worden getrokken dat de behandeling met psychofarmaca geen echte behandeling is. Dat je iemand met psychofarmaca werkelijk zou kunnen genezen, is gewoon een illusie. Ik durf die stelling wel aan. Mede door het feit dat psychofarmaca vaak gigantisch veel bijwerkingen vertonen (sommige ervan zetten zelfs aan tot suïcide, zoals bij SSRI's is aangetoond) en bij langdurig gebruik het leven kunnen bekorten (intoxicatie, hartfalen e.d.) lijken ze me eerder kwaad te doen dan goed. 

Ik denk dat de consequenties in feite nog véél verder gaan dan deze korte opsomming laat zien. Het loslaten van het wetenschappelijke axioma dat het bewustzijn van de mens zou eindigen met de dood, zal onze hele manier van denken en wetenschap bedrijven grondig veranderen - waarschijnlijk even grondig als de publicatie van "De revolutionibus orbium coelestium" van Copernicus, waarmee hij aantoonde dat de planeten om de zon draaien en niet andersom. In plaats van ons blind te staren op dit ene fysieke leven zullen we ontdekken dat het deel uitmaakt van een geheel dat veel groter is dan we ooit hadden kunnen vermoeden.

woensdag 15 juni 2011

BDE-onderzoek, eindeloos bewustzijn en bewustzijnsvernauwing


Wie enkele eeuwen geleden ketterse opvattingen verkondigde over God, hiernamaals of heelal moest voor zijn leven vrezen. De kans was groot dat hij op de brandstapel eindigde, in mootjes werd gehakt of op een andere, even pijnlijke manier naar de andere wereld werd geholpen. Het gebrek aan wetenschappelijke verbeeldingskracht bij de autoriteiten was vaak omgekeerd evenredig aan de creativiteit waarmee men ketterse nieuwlichters te lijf ging, vaak met fatale gevolgen.


Gelukkig ligt de tijd van hakblokken nu achter ons. Maar de weerstand tegen nieuwe ideeën is niet verdwenen. Er zijn nu andere manieren om mensen te lynchen als ze ideeën verkondigen die afwijken van wat door de meerderheid wordt geloofd. Tegenwoordig gebeurt dat meestal digitaal. Kennis van zaken is niet meer nodig, wel een toetsenbord, een p.c. en een internetaansluiting. De richtingenstrijd heeft zich van het marktplein en het gerechtsgebouw naar het internet verplaatst - de emoties zijn onveranderd dezelfde gebleven.  

De cardioloog Pim van Lommel is één van de mensen die dit aan den lijve heeft ondervonden. Na het verschijnen in 2007 van zijn boek “Eindeloos bewustzijn – een wetenschappelijke visie op de bijna-dood-ervaring” barstte de discussie hierover in alle hevigheid los. Veel bloggers, die dat boek niet eens hadden gelezen, verklaarden het voor onwetenschappelijk. Geleerden gingen op hun beurt ijverig aan de slag om de belangrijkste conclusies ervan onderuit te schoffelen.
De reden voor al dat gekrakeel ligt voor de hand: zijn conclusies waren vernietigend voor het medische paradigma dat ons bewustzijn het product zou zijn van onze hersenfuncties. In die gedachtengang verdwijnt ons bewustzijn bij de fysieke dood. Van Lommel toonde echter aan dat mensen tijdens de klinische dood vaak een veel helderder bewustzijn hebben dan tijdens het normale waakbewustzijn. Ze ontmoetten overleden vrienden en verwanten, kregen een andere, mooiere wereld te zien en soms ook een blik op dingen die nog moesten komen. Dat wijst erop dat onze geest de dood overleeft – en dat is iets wat veel mensen niet willen accepteren. Het heeft immers enorme consequenties voor onze manier van denken. Men dacht dankzij Verlichting en secularisatie van al die veronderstelde religieuze onzin af te zijn – en nu kwam er opeens een wetenschapper die meende dat hij het voortbestaan van ons bewustzijn na de dood had aangetoond? Afmaken die hap, want straks komt al die religieuze nonsens over hemel & hel weer terug, weliswaar verpakt in een wetenschappelijk jasje, maar daardoor nog veel moeilijker te bestrijden!
Paradoxaal genoeg zijn door die houding juist die groepen, die zichzelf als vertegenwoordigers van de Verlichting en de Vooruitgang beschouwen, verworden tot een achterhoede die een verbeten moddergevecht levert tegen nieuwe inzichten die door het BDE-onderzoek zijn verkregen. Wetenschappelijk gezien is het idee dat BDE’s slechts hallucinaties zijn als gevolg van zuurfstofgebrek in de hersenen volkomen onhoudbaar gebleken. In zijn boek “Herinneringen aan de dood” heeft dr. Michael B. Sabom, een cardioloog uit de VS, dit met grote precisie aangetoond. Bijna-dood-ervaringen treden immers op als er helemaal geen hersenactiviteit meer is. Klinisch gezien is de patiënt tijdens een BDE dus dood. Sabom kwam tot de conclusie dat een zuurstoftekort in de hersenen ongeveer dezelfde ervaringen veroorzaakt als psychedelische drugs. De consistentie, de helderheid en de grote cognitieve scherpte die kenmerkend zijn voor bijna-dood-ervaringen ontbreken dan echter. Ook van andere verklaringen, waarbij wordt uitgegaan van fysieke oorzaken, heeft hij aangetoond dat ze volledig onhoudbaar zijn, bv. de gedachte dat BDE's zouden ontstaan door chemische veranderingen in de hersenen tijdens het stervensproces.

Sabom is niet de enige die heeft aangetoond dat zuurstofgebrek nooit de oorzaak kan zijn van BDE’s. Uit de studies van Y.Henderson en H.W. Haggard - en een aanvullend onderzoek van R.M. McFarland - naar het effect van zuurstofgebrek in de hersenen, blijkt dat het waarnemingsvermogen van de mens bij het afnemen van de zuurstoftoevoer naar de hersenen steeds meer wordt verstoord. Dat staat in schril contrast met de enorme helderheid van geest die wordt beschreven door mensen die een BDE hadden. Sabom concludeert dan ook: “De reeks van gebeurtenissen die kenmerkend zijn voor een BDE wordt niet in gang gezet door de toenemende verlaging van het zuurstofniveau van de hersenen tot bewusteloosheid intreedt. Dus kan zuurstofgebrek in de hersenen geen verklaring vormen voor de wijze waarop een BDE zich manifesteert."
Is de discussie daarmee nu afgelopen? Absoluut niet. Er zijn veel meer pogingen gedaan om te bewijzen dat mensen tijdens een BDE niet echt dood zijn, of dat hun ervaringen het gevolg zijn van de chemische processen tijdens het sterven. De belangrijkste aanwijzing – hoewel geen wetenschappelijk bewijs - voor de echtheid van BDE’s wordt daarbij meestal over het hoofd gezien. De ingrijpende ervaringen die mensen hierbij hebben zorgen voor een complete verandering van hun persoon: ze worden vaak veel socialer, liefdevoller en minder ego-gericht. Wie aangeraakt wordt door de eeuwigheid hecht minder aan dit leven en meer aan alles wat het tijdelijke overstijgt: de liefde voor anderen, eerbied voor de wereld om ons heen, respect voor alles wat leeft.

Wetenschappelijk gezien schiet je daar misschien niet veel mee op, maar op de samenleving als geheel heeft het wel een grote invloed. Naar schatting hebben ca. 600.000 Nederlanders ooit een BDE gehad. Het zou mij niet verbazen als dat gegeven uiteindelijk de doorslag zal geven bij alle discussies die hierover worden gevoerd. De kans is groot dat de dood over niet al te lange tijd zal worden gezien als een verandering van het bewustzijn, niet als het definitieve einde ervan.