Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

maandag 22 oktober 2012

Recensie van "Maanlicht" van Hella Haasse


Het overkomt elke schrijver wel eens: je hebt een verhaal of artikel geschreven waar je redelijk tevreden over bent, maar toch is het voor je gevoel niet helemaal af. Eigenlijk zou je het nog wat moeten bijschaven. Om de een of andere reden kom je daar gewoon niet toe. Je legt het weg in een la, tussen een stapel oude boeken of in een groezelig mapje. Maanden later schiet je opeens te binnen dat je het geschreven had. Met het zweet onder de oksels haal je al je boeken uit de kast. Je doorzoekt de laden van je bureau en zet je hele kamer op de kop  - maar het is verdorie weg. Verdwenen. Opgelost in het niets. Maanden later herhaal je die hele operatie, maar opnieuw zonder resultaat. Een gevoel van doffe berusting maakt zich op den duur van je meester, een subtiel rouwproces, af en toe nog vermengd met een sprankje hoop.  
 
Zo ongeveer moet het Hella Haasse zijn vergaan toen ze zocht naar een witte map met verhalen die ze ooit nog wilde uitgeven. Enkele jaren voor haar dood begon ze er over, maar nooit slaagde ze erin die teksten te vinden. Pas na haar dood kwamen enkele verhalen te voorschijn. Niet in een witte map, maar in allerlei laden en kasten. Sommige van die teksten bevatten doorhalingen en correcties. Twee ervan waren al eerder gepubliceerd, maar ze heeft ze later aangepast. Gelukkig heeft men besloten er een bundel van samen te stellen, want ze zijn beslist de moeite waard.
Wat mij in deze bundel vooral aantrok was de wervende tekst in de advertenties: het zou gaan om ‘duistere, geheimzinnige gebeurtenissen en onverklaarbare verschijningen’.  Nieuwsgierig begon ik er daarom in te lezen. Ik moet bekennen dat de inhoud mij niet tegenviel. Deze verhalen, geschreven tussen (waarschijnlijk) 1938 en 1950, hebben allemaal als rode draad dat er een verbinding is tussen de materiële wereld en een ander bestaansniveau, dat zich ófwel in een andere tijd, ófwel buiten alle tijd en ruimte lijkt te bevinden.
In het eerste verhaal verliest een vrijgezelle man, die bij een bank werkt en een eentonig leven leidt, alle houvast als hij ’s avonds laat de stad in gaat en allerlei kroegen bezoekt. In een uitgestorven steeg kijkt hij om zich heen. Opeens krijgt hij daarbij het gevoel dat de wereld, die hij ziet, beangstigend en onwerkelijk is. Daarop wordt hij aangesproken door een vreemdeling die hem desondanks bekend voorkomt; het lijkt wel een dubbelganger van hemzelf. Deze neemt hem mee naar een danszaal, waar de werkelijkheid steeds groteskere vormen begint aan te nemen. Op den duur wordt hij door de man meegenomen naar een grot, waar de dansmuziek vandaan komt. De musici blijken duivelse monsters te zijn;  de wereld als geheel ervaart hij als ‘een demonisch dansfeest’. ’s Anderendaags  vlucht hij daarom naar een verlaten eiland, waar hij zijn verhaal vertelt aan iemand die het eiland op doorreis aandoet.
Het verhaal ‘Maanlicht’ is beslist het beste van deze bundel. De hoofdpersoon hierin verblijft een paar dagen in een royaal Amsterdams grachtenpand. Dit zestiende-eeuwse optrekje doet in het begin heel aangenaam en verstild aan. Die stilte wordt op den duur beklemmend als er boven in het huis het gehuil weerklinkt van een grote hond, die ook op een muur is afgebeeld. Plotseling verandert het perspectief en beleeft de hoofdpersoon gebeurtenissen uit de zestiende eeuw, waarbij een agressieve hond door zijn baas wordt doodgeschoten.
Hetzelfde motief – een afbeelding die als een soort toegangspoort naar een andere werkelijkheid fungeert – kom je tegen in het derde verhaal ‘Landschap in olieverf’. Een vrouw, die samen met haar man bij haar schoonmoeder is ingetrokken, raakt gefascineerd door een schilderij en stapt op den duur door het doek het schilderij binnen. Vaag is ze zich dan nog van de gewone wereld bewust.
Het laatste verhaal “Caulder Hall” vond ik minder geslaagd omdat het wel heel onwaarschijnlijk is. Een eenzame Nederlandse dame logeert een paar dagen in een afgelegen landhuis in Schotland waar excentrieke, mismaakte mensen wonen.’s Avonds hoort ze uit de kamer naast haar de vertrouwde geluiden van een moederlijk type dat zich gereed maakt voor de nacht en dan het licht uitdoet. Ze denkt dat daar de eigenaresse slaapt die zich overdag heel ongastvrij tegenover haar gedraagt. Dat klopt niet, want het spookt daar. Die kamer is namelijk helemaal leeg.
“Maanlicht” vond ik een bundel met fascinerende verhalen. Een echte aanrader voor liefhebbers van vertellingen waarin de alledaagse werkelijkheid in verbinding staat met een diepere, occulte wereld, die als een soort onderstroom vol duister, instinctief leven wordt beschouwd. Misschien is het daarom wel niet helemaal toevallig dat juist deze occulte verhalen pas na haar dood zijn verschenen.

vrijdag 6 juli 2012

Recensie van "Als ik me ophang, breekt het touw"


Vorig jaar verscheen bij uitgeverij De Brouwerij in Maassluis “Als ik me ophang, breekt het touw”, het debuut van de schrijver Eelt. Dit boek, dat hij op 69-jarige leeftijd publiceerde, draagt de subtitel “Een tragikomische familiekroniek”. Nu ik het boek in zijn geheel heb gelezen lijkt die omschrijving mij terecht. In maar liefst 66 hoofdstukken verhaalt de schrijver over zijn leven. Dat is zeker niet gemakkelijk geweest. In de veertiger en vijftiger jaren, waarover het boek grotendeels gaat, hadden veel mensen moeite om het hoofd boven water te houden. Wie het wat breder wilde hebben moest soms een beetje sjoemelen om zich wat luxe te kunnen permitteren. Voor sommigen betekende dat niet meer dan dat ze af en toe een lekker stukje vlees konden eten. Op humoristische wijze vertelt Eelt hoe familieleden van hem manieren wisten te bedenken om hun vaak karige inkomen aan te vullen.
 
De verhalenbundel begint met de dood van zijn vader op 21 juli 1951. Terwijl de jonge Eelt verwoede pogingen doet om een rekenopgave te maken, verschijnt plotseling zijn oudere zus in de lagere school; ze deelt mee dat zijn vader is overleden en dat hij snel naar huis moet komen. Allerlei tegenstrijdige gevoelens maken zich daarop van hem meester. In gedachten ziet hij voor zich hoe zijn vader het hele gezin heeft mishandeld. Tegelijkertijd voelt hij ook verdriet, want de man kon er weinig aan doen: hij leed aan de ziekte van Huntington, een erfelijke aandoening die de hersenen aantast en op den duur leidt tot onwillekeurige spierbewegingen en een verandering van de persoonlijkheid. Deze ziekte heeft altijd een fatale afloop.
 
In het een na laatste hoofdstuk, getiteld “Netty”, de naam van zijn overleden echtgenote, beschrijft Eelt wat voor een verwoestende uitwerking deze ziekte heeft op de patiënt en zijn familie. “Het meest tragische aspect van deze kwaal is wel dat de gezinsleden een hekel krijgen aan de patiënt waar zij eerst van hielden. De familie kan met enige tact het gedrag van de zieke gunstig beïnvloeden. We zijn echter allemaal maar mensen. Bij de dood van de stakker ervaart de naaste familie dit als een grote bevrijding.”
 
Dat betekent trouwens niet dat “Als ik me ophang…” triest of tragisch van toon is, integendeel. Op komische wijze beschrijft Eelt allerlei ooms en tantes, broers en zussen die een kleurrijk leven leiden. In dat verband moeten zijn grootouders zeker worden genoemd. Na de dood van zijn vader wordt Eelt niet alleen door zijn wat tobberige, maar verder wel zorgzame moeder opgevoed, maar ook door zijn opa. Deze leert hem om krachtig voor zichzelf op te komen en rotzakken hun verdiende loon te geven. Ook dat is een rode draad die door het hele boek heen loopt. Zijn oma blijkt trouwens over helderziende gaven te beschikken. En passant worden ook veel dingen beschreven die karakteristiek zijn voor de vijftiger jaren, zoals bv. bibliotheken die in boekhandels waren gevestigd en waar je voor een paar dubbeltjes een boek kon lenen, het algemene gebruik van kolen als brandstof en de opkomst van de nozems en de rock & roll.
 
Al met al is “Als ik me ophang…” een boek dat je als lezer aangrijpt. Door de caleidoscopische opzet ervan – het boek bestaat uit tientallen episoden uit het leven van de schrijver, die losjes met elkaar zijn verbonden – zijn de verhalen ook heel goed afzonderlijk te lezen. Het is zowel een familiekroniek als een kroniek van de vijftiger jaren geworden. Voor mij als late vijftiger is het daarom heel herkenbaar. Maar ook voor lezers van jongere generaties valt er heel wat te genieten, al was het alleen maar door de droogkomische stijl waarin veel personen en gebeurtenissen worden beschreven. Ik kan dit boek, dat al een maand na verschijning zijn tweede druk beleefde, dan ook beslist aanraden. Met belangstelling kijk ik uit naar Eelts tweede boek “Meer verleden dan toekomst”, waaraan de schrijver inmiddels is begonnen.