Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen

zaterdag 14 januari 2012

Maakt het geloof in het hiernamaals de mens egoïstisch?


In de christelijke leer gaat men ervan uit dat de mens een individuele, door God geschapen ziel heeft die door de zondeval beschadigd is geraakt. Daardoor is de weg van de menselijke ziel naar de hemel versperd. Om nu de band tussen God en mens te herstellen zond God zijn Zoon die door zijn leer en het offer van zijn kruisdood de weg naar de hemel weer heeft vrij gemaakt. Iedereen, die in zijn verlossend optreden gelooft en Hem navolgt, komt volgens die leer in een ‘verheerlijkt lichaam’ in de hemel terecht.

Kritiek op deze centrale gedachtegang in het christendom is er altijd al geweest. Deze kritiek komt erop neer dat de mens zozeer door zijn streven naar persoonlijke verlossing in beslag genomen wordt, dat men het aardse leven in feite onbelangrijk vindt. De prikkel om aan armoede, maatschappelijke wantoestanden en onderdrukking een einde te maken zou daardoor veel te zwak zijn. Volgens deze critici is de aarde voor veel christenen niet meer dan een wachtkamer of voorportaal, waar men punten hoopt op te sparen die men later kan verzilveren voor een eeuwig bestaan in hemelse gelukzaligheid.  De christen zou zich, kortom, te veel richten op zijn persoonlijke heil in het hiernamaals en te weinig op het gemeenschappelijke welzijn in het hier en nu. Graag ga ik hieronder op deze kritiek in.

DE INDIVIDUELE ZIEL EN HET LEERSTUK VAN DE WEDEROPSTANDING
Hoe ziet dat voortbestaan van de individuele ziel er volgens christenen uit? De voorstellingen hierover werden eeuwenlang beheerst door de leer van de lichamelijke wederopstanding. Deze leer werd in allerlei kerken, waaronder de Rooms-Katholieke kerk, aangehangen. Daarbij baseerde men zich op het dogma van de 'zielenslaap', zoals o.a. geformuleerd door Thomas van Aquino. Tot 'de jongste dag', die bij de terugkeer van Christus zou aanbreken, zouden de zielen van de overledenen slapen. Daarna zouden ze lichamelijk worden opgewekt om ofwel in de hemel, ofwel in de hel terecht te komen. 
Tegenwoordig geloven steeds minder mensen in een fysieke wederopstanding. De meeste predikanten, priesters en kerkleden denken dat dit veel meer geestelijk moet worden opgevat. Ook over de 'wederkomst van Christus' wordt heel verschillend gedacht. Alleen fundamentalisten geloven nog in een fysieke terugkeer van Christus. Zij denken dat Hij letterlijk ‘op de wolken’ zal terugkomen.

Sterker nog: met christelijke en bijbelse argumenten kun je aannemelijk maken dat dat dogma van de zielenslaap een enorme misvatting is. Zo heb ik in 2001 een boekje vertaald van Otto Feuerstein. Daarin laat hij zien hoe ongeloofwaardig deze leer is. Met ‘de jongste dag’ wordt bv. de dag bedoeld waarop de individuele mens sterft en in de geestelijke wereld aankomt. Daarom kan die dag nooit samenvallen met de wederkomst; voor iedereen is ‘de jongste dag’ immers weer verschillend, afhankelijk van de dag waarop men overgaat.   

VERZWAKT HET CONCEPT VAN DE INDIVIDUELE ZIEL DE AANDACHT VOOR DE MEDEMENS?  
De traditionele opvatting van de opwekking van de doden bij de wederkomst van Christus is dus discutabel, maar dat geldt binnen het christendom niet voor het idee dat de mens een individuele ziel heeft en dat men daarmee moet proberen de hemel te bereiken. Leidt dit streven naar persoonlijke verlossing nu niet tot egocentrisme en het verwaarlozen van de aandacht voor de medemens en de samenleving als geheel? M.a.w.: stimuleert dit mensen misschien tot wereldmijding en een eenzijdige gerichtheid op het hiernamaals, zoals veel critici menen?

Daar heb ik mijn vraagtekens bij. Het hangt er van af hoe je het geloof vorm geeft. Zo is de ‘charitas’, de dienst aan de naaste, een wezenlijk onderdeel van het christelijke geloof. De zorg voor anderen weegt binnen het christendom heel zwaar. Het is niet voor niets dat Joep de Hart in zijn gedegen onderzoek “Zwevende gelovigen – oude religie en nieuwe spiritualiteit” heeft aangetoond dat het vooral christenen zijn die heel veel tijd steken in allerlei soorten vrijwilligerswerk. Veel meer dan andere groepen in de samenleving zetten zij zich hiervoor in. Tekenend is verder dat de gezondheidszorg in het Westen uit kerken en kloosters is voortgekomen. Dat is lijnrecht in tegenspraak met de gedachte dat het christendom zou leiden tot wereldmijding en egocentrisme. 

Wat is verder het eerste wat BDE-ers zien als ze een glimp van de geestelijke wereld mogen opvangen? Zijn dat niet de familieleden en vrienden van wie men heel veel houdt? Daarom geloof ik niet dat mensen zó ontzettend op zichzelf gericht zijn, dat ze alleen maar oog hebben voor hun eigen, eeuwige heil en anderen daarbij uit het oog verliezen. Zeker, het komt natuurlijk voor, maar het vloekt wel met de essentie van het christendom.

HEBBEN OOK ANDERE LEVENDE WEZENS EEN INDIVIDUELE ZIEL?
Sommige critici zullen misschien opmerken dat het inconsequent is om wél aan mensen een individueel voortbestaan toe te kennen, maar niet aan andere levende wezens. Daar kan ik twee dingen op zeggen. Allereerst zijn er ook stromingen (antroposofie e.d.) waarbij men ervan uitgaat dat ook de zielen van planten en dieren na de dood voortbestaan. Wél geloven zij dat deze zielen in een volgend leven worden samengevoegd tot complexere levensvormen. Ze verdwijnen dus niet, maar worden ingepast in een groter geheel. Zo uniek is de mens volgens hen dus ook weer niet. 

In de tweede plaats wordt de mens binnen het christendom als 'de kroon van de schepping' beschouwd, met de notie dat de mens het enige wezen is dat naar het evenbeeld van God geschapen is. Daarmee bedoelt men dat alleen de mens (naast een lichaam en een ziel) over een geest beschikt, terwijl andere levende wezens alleen beschikken over een lichaam en een ziel. Op iemand die puur natuurwetenschappelijk denkt, komt dat heel arbitrair over, maar dat is wel de verklaring voor dit kenmerkende verschil.

Het idee van een individuele menselijke ziel, die onafhankelijk van het fysieke lichaam kan bestaan, is dan ook niet strijdig met het streven naar medemenselijkheid, geloof, hoop en liefde. Soms hoor je mensen ook opperen dat het bestaan van zo’n individuele ziel niet wetenschappelijk kan worden aangetoond. Dat berust op een gebrek aan kennis van de vorderingen op het gebied van de parapsychologie. Van minstens vijf paranormale verschijnselen, die uitgaan van het bestaan van de individuele ziel, heeft men voldoende wetenschappelijk kunnen aantonen dat ze bestaan. Jammer genoeg gaat men daar vaak met een boogje omheen. Dat geldt ook voor de talloze authentieke verhalen van BDE-ers, die zeer overtuigend zijn. 

HET EINDE VAN HET GELOOF IN DE MATERIE
Ik geloof dan ook dat de reductionistische wetenschap, inclusief zijn ontkenning van de individuele menselijke ziel, op de lange duur geen stand kan houden. Het is nog maar een kwestie van tijd voordat men niet langer om de realiteit van het leven na de dood heen kan. De nooddijken die men in steeds hoger tempo opwerpt om dat ontkennen, staan op instorten. De heftigheid waarmee men bv. authentieke BDE-verhalen probeert te ontkrachten door ze toe te schrijven aan hallucinaties, zuurstofgebrek en andere puur fysiologische oorzaken, is een onmiskenbaar teken van angst en onzekerheid. Ergens voelt men wel dat er een voortbestaan is en dat datgene, wat een mens tijdens zijn leven heeft gezegd, gedacht en gedaan, niet zomaar kan worden uitgewist. Maar met alle geweld loopt men voor de consequenties ervan weg.

Als de authenticiteit van BDE’s als beschrijvingen van een hiernamaals onomstotelijk wordt aangetoond, valt de materialistische manier van denken en wetenschap bedrijven in duigen en heeft het atheïsme het pleit voor eens en voor al verloren. Tot die tijd zullen er nog wel de nodige achterhoedegevechten worden geleverd. Niettemin heeft het geloof dat er niet meer is dan de materie zijn beste tijd gehad. Daarvoor stapelen zich té veel bewijzen en aanwijzingen op dat zo’n eenzijdige kijk op de werkelijkheid ons echt niet verder brengt, maar het zicht op de ware natuur van mens en kosmos eerder onnodig beperkt. 

zaterdag 8 oktober 2011

Het Judasevangelie

Veel mensen kennen Judas als de discipel die zijn meester heeft verraden aan de Romeinen. Dat vormt het begin van het lijdensverhaal dat met de gruwelijke dood van Jezus aan het kruis eindigt. Om die reden heeft Judas een bijzonder slechte reputatie gekregen. Erger kan bijna niet, want iemand die zijn leermeester uitlevert aan folteraars en beulen is een soort hellehond, een pervers mens die een zakje zilverlingen belangrijker vindt dan het leven van zijn meester. Geen wonder dat Judas het prototype is geworden van de mens die over lijken gaat om zijn doelen te bereiken. Maar is dat beeld terecht? Wat waren Judas’ motieven? Hoe kwam hij tot zijn daad?
 
 
Toen een Engelse vertaling van het Judasevangelie in 2006 werd gepubliceerd waren de verwachtingen dan ook hoog gespannen. Dit evangelie zou een nieuw en verrassend licht werpen op de persoon van Judas en het lijdensverhaal van Jezus, zo werd gesuggereerd. Miljoenen mensen zaten dan ook aan de buis gekluisterd toen National Geographic in april 2006 uitpakte met een met veel bombarie aangekondigde uitzending over deze Koptische tekst uit de vierde eeuw na Christus.

De late datering van die tekst had het publiek echter voorzichtig moeten maken. Hoe kan immers een tekst uit de vierde eeuw nog een betrouwbaar ooggetuigenverslag vormen van het leven van Jezus? Weliswaar is de tekst een vertaling in het Koptisch van een Grieks origineel uit 120 na Chr. dat zelf nooit teruggevonden is, maar ook als we daar rekening mee houden is het op zijn minst twijfelachtig dat er toen nog nieuw, authentiek materiaal werd opgeschreven dat iets aan onze kennis over Jezus en zijn volgelingen kan toevoegen.
Met dat gegeven in mijn achterhoofd heb ik de uitzending van National Geographic bekeken en de tekst van dit evangelie gelezen. Daarbij viel ik van de ene verbazing in de andere. Deze tekst schetst nl. een heel ander beeld van Judas dan de vier evangeliën van het Nieuwe Testament. In het naar hem genoemde evangelie komt de schlemiel uit het N.T. naar voren als de leerling die Jezus het beste van allemaal begreep. Volgens het Judasevangelie wijdde Jezus hem in de week vòòr Pasen in allerlei spirituele geheimen in omdat hij meer dan alle andere leerlingen in staat was om de betekenis van Jezus’ komst naar de aarde te begrijpen. Sterker nog: Judas was volgens dit geschrift de enige die voldoende niveau had om de ware goddelijke aard van Jezus vrij te maken. Hij kon dat alleen maar doen door Jezus uit te leveren aan de Romeinen, zodat hij zou worden geëxecuteerd. In de terminologie van het Judasevangelie staat het er veel eufemistischer: Jezus zou ‘van zijn menselijke gedaante worden ontdaan’.  Op Judas rustte nu de taak om dit ‘mysterie’ te voltrekken. In dit evangelie wordt hij dus voorgesteld als Jezus’ assistent die op het beslissende moment de handle overhaalde zodat de mensheid uit de greep van het kwaad kon worden bevrijd.  
Ook in een ander opzicht is het Judasevangelie nogal vreemd. Zo wordt in deze tekst een Jezus opgevoerd die heel vaak lacht als anderen hem verkeerd begrijpen. Hij zou zijn discipelen zelfs hebben uitgelachen tijdens het Laatste Avondmaal, omdat zij dit zouden hebben opgedragen aan een valse Schepper-God.  Hun vroomheid, die voortkwam uit een radicaal verkeerd Godsbeeld, vond hij dus belachelijk. Als ik zoiets lees, zie ik een soort Baghwan voor me wiens homerisch gelach over de ashram schalt als een leerling hem een domme vraag heeft gesteld. Bij een zoon van God, die het bloedig ernst was met zijn opdracht om de mensheid te redden, stel ik me toch heel iets anders voor.
Dat Jezus er in deze tekst heel anders uitziet dan we gewend zijn komt vooral door de gnostische achtergrond ervan. De gnostiek is een stroming binnen het eerste christendom waarin niet de liefde en de navolging van Christus centraal staan, maar de kennis van de geestelijke geheimen. Het is de ‘gnosis’ (kennis) die de mens uit de greep van de materiële wereld kan bevrijden. Maar niet iedereen is geschikt om die kennis te ontvangen. Vandaar dat je binnen gnostische stromingen zowel leken had als ingewijden.

Judas is in die optiek de hoogste ingewijde, de man die op het beslissende moment de verlossing van de mensheid in gang zet. Maar zijn methoden komen me nogal twijfelachtig voor. Geen wonder als je bedenkt dat deze tekst afkomstig is van de gnostische stroming van de Kaïnieten. Deze gnostici vereerden de slang uit het paradijsverhaal (een symbool van het kwaad) en verder illustere figuren als Kaïn en Ezau – twee mensen die bekend staan als ongelovige driftkoppen, een soort Tokkies uit antieke tijden. 

Waar het geloof is afgezakt tot een methode om via kennis tot de goddelijke wereld door te dringen verdwijnt de ethiek op den duur uit beeld. Iets soortgelijks gebeurde in de laatste bloeiperiode van het Oude Egypte. De nadruk op ethiek uit vroegere tijden was toen verworden tot een spoedcursus om de namen van de verschillende goden en demonen, die men in het hiernamaals zou tegenkomen, correct uit te kunnen spreken, zodat je later goed terecht kwam. Kennis was de sleutel geworden, de ethiek deed er niet meer toe. Dat het Oude Egypte toen steeds meer in verval raakte, hoeft niemand te verbazen. Dat onze samenleving, waarin kennis steeds meer wordt verabsoluteerd ten koste van de ethiek, op zo’n rijk in verval begint te lijken, hoeft dan ook niemand meer te verwonderen.

maandag 13 juni 2011

De binnenwereld, New Age en het licht van Christus


De mystieke weg bestaat voor een groot deel uit een afdaling in het schimmenrijk van je binnenste. Zo vergaat het iedereen die er ernst mee maakt. Wie hem doorloopt, ziet niet alleen de grotten en spelonken in het zielenrijk, maar voelt, betast en proeft ze ook. Veel schimmen en gedrochten komt hij daar tegen. Veel monsters komen daar te voorschijn en grijpen hem naar de keel. Soms drijven ze hem zelfs naar de afgrond. Godzijdank draagt hij echter al die tijd - soms zonder het te weten - een fakkel in z'n hand, waardoor hij de weg door die grotten en spelonken vòòr hem kan blíjven zien.

Zonder die fakkel is hij reddeloos verloren. De mystieke weg is immers een poging tot inwijding, zonder kompas, door het onontgonnen gebied van het onbewuste. Toch komt men er altijd sterker uit te voorschijn. Niet door formules te prevelen, jezelf in een yogazit te knopen of oosterse technieken aan te leren. Nee. Het enige oriëntatiepunt bestaat uit het licht en de liefde van Christus. Maar dat is voldoende. Meer heb je helemaal niet nodig.

Zo verging het ook mij. Ik verlangde niet naar hokus pokus of geheimzinnige openbaringen der antieken, niet naar een cursus in wonderen of therapieën die trauma’s uit een imaginair vorig leven genezen. Alle wonderdoeners, New Age-goeroes en zelfbenoemde profeten, waanwijzen, predikers van de wereld, aurahealers, numerologen en hun paradijsvogel-achtige aanhang wees ik resoluut de deur, nadat ik af en toe van hun wonderlijke leringen had geproefd.
De uiterlijke, fysieke wereld – de alledaagse werkelijkheid – bestaat immers louter uit drogbeelden en illusies. Maar binnenin onszelf, met de vlam van onze geest, kunnen we weer de verbinding aangaan met de oneindige geestelijke wereld, waarvan Christus het middelpunt is. Ik heb zelf ervaren dat alle dingen (nou ja, bíjna alle dingen) mogelijk worden als je je innerlijk voor Hem openstelt en je hart toegankelijk maakt voor Zijn liefde.

Goddelijk zijn wij, maar dan alleen in aanleg. Volgens de aanhangers van New Age zijn wij echter allemaal goden. Daarmee doelen zij op het ego dat zichzelf op de troon zet. Ons werkelijke startpunt is echter helemaal niet het innerlijk. We zijn immers geen ongeschapen, maar geschapen wezens. Zoals we ooit zijn ontstaan van buitenaf, door een wilsdaad van God, waarna we gedurende miljarden jaren van die oorsprong zijn afgedwaald omdat we wegtuimelden uit het Oerlicht, zo zullen we ons ook weer een weg terug moeten vechten, terug naar Hem bij wie onze levenstocht begon.

Van ons bestaan vòòrdat wij op aarde kwamen, weten we vrijwel niets. We dronken immers van de Lethe, de rivier der vergetelheid, voordat wij hier werden geboren. Toch zijn de herinneringen aan de voorgeboortelijke wereld niet helemaal verdwenen. Af en toe verschijnen nog flarden daarvan op het netvlies van onze ziel. Het zijn niet de concrete herinneringen zelf die ons dan te binnen schieten, maar het besef dát we er ooit herinneringen aan hadden, zoals een oude man nog vagelijk weet dat hij in zijn vroegste jeugd in een klein dorpje heeft gewoond, zonder dat hem nog scherpe beelden voor ogen staan van het huis of het dorp waarin hij zijn eerste levensjaren sleet. Zo is het gesteld met die voorgeboortelijke herinneringen; ze ontglippen ons als een schim die je vanuit je ooghoeken maar ternauwernood kunt zien, maar opeens verdwenen is zodra je er gericht naar kijkt.

Als wij niet uit het hoge licht waren getuimeld, hadden we nooit hoeven te incarneren op deze duistere wereld die in de greep is van de illusie en de schone schijn. We kunnen ons alleen bevrijden uit de greep van die wereld vol maya door het licht van Christus in ons binnenste toe te laten. Dan doorlicht Zijn liefde ons hart en vlamt het op in liefde voor Hem die ons schiep.
Maar wie – zoals vaak binnen New Age gebeurt - in het labyrint van zijn innerlijk blijft dwalen in de hoop daar het mystieke goud van de alchemisten te vinden, raakt het spoor bijster en verliest zichzelf in eindeloze spiegelingen, drogbeelden en waanbeelden van wijsheid. Waarom? Omdat je je dan bevindt in spiegelzalen vol oud, gebroken licht. Het is afgeleid licht dat je daar door de gangen ziet spelen, stuifmeellicht dat op een zomerdag door het dakraam van een grote zolder binnenvalt en een lichtkolom vol dwarrelend stof vormt in een voor het overige donkere zolderruimte. Het eigenlijke licht van de zon zul je daar nooit vinden, alleen maar reflecties van reflecties daarvan...

Ik zoek mijn heil uiteindelijk in de wereld van de geest buiten me én in m'n binnenste. Het gaat mij om de wisselwerking tussen binnen en buiten, om het laten doorlichten van het hart door Christus. Goden zijn wij, maar dan alleen in aanleg. Pas door de vonk van God in ons binnenste toe te laten worden we gewekt, niet door eindeloos in onszelf rond te cirkelen, zoals New Age de mensen vaak voorhoudt.
De verheerlijking en vergoddelijking van het ego is dan ook één van de grootste spirituele valkuilen van deze tijd. Laten we nooit vergeten dat onze wil en onze liefde wel heel erg belangrijk zijn, maar dat al onze inspanningen pas gezegend worden als we ons liefdevol verbinden met onze Vader. Op eigen kracht draaien we vroeg of laat vast. Maar verbonden met Hem openen zich verten waar we ons nu nog geen voorstelling van kunnen maken.

woensdag 20 oktober 2010

Kun je in de 21e eeuw nog wel geloven in God?

Als ik om me heen kijk en op mijn eigen ervaringen af ga, kom ik tot de conclusie dat mensen God vaak pas gaan zoeken als ze eerst heel erge dingen hebben meegemaakt. Ook merk ik dat mensen God vaak zoeken op een wonderlijke manier, bv. door een ritueel gebed af te raffelen. Dan kun je terecht de vraag stellen: “Wélke God zoeken ze?"

Ik geloof dat God méér is dan alleen maar een energievorm, méér dan een eerste oorzaak, de alomvattende liefde of - helemaal lekker vaag - 'al wat is'. Wat zou dat trouwens zijn: 'al wat is?' Dat klinkt raadselachtig en tegelijk veelbelovend. Alles wat er is, dat is ontzettend veel. Maar is God dan het geheel, de optelsom van alle afzonderlijke dingen, of misschien het overkoepelende geheel?

'Al wat is' lijkt me daarom té vaag om voor God in aanmerking te komen. Je kunt er immers alle kanten mee op. Het is net een toverbal die alle kleuren van de regenboog aanneemt als je er maar lang genoeg op sabbelt. Goed. Welke kandidaten zijn er nog meer? God als energievorm dan? Klinkt lekker technisch in dit moderne tijdperk. Het doet me denken aan God als een soort energiecentrale of als een wolk elektromagnetische lading. Maar energie is op zichzelf neutraal. Als ik de stekker in het stopcontact steek, speelt de radio ook op energie. Maar God moet als God toch méér zijn dan een energetische lading? Hij heeft toch ook eigenschappen en vermogens? Hoe zou Hij anders de wereld hebben kunnen scheppen?

Dat laatste brengt me op een ander godsbeeld: God als persoon. In deze tijd is dat beeld van God niet populair. Het is niet modern genoeg, niet hip en niet flitsend. Het doet veel mensen denken aan de kerken en aan de Bijbelse God. En die God van de bijbel... Nee, bah, daar willen ze niets mee te maken hebben, dat hebben we nu zo langzamerhand wel gehad. We leven nu in de 21e eeuw en niet meer in de Middeleeuwen, nietwaar...
Maar klopt die redenering eigenlijk wel? Is dat godsbeeld écht verouderd, of durven we simpelweg geen duidelijke keuzes meer te maken? Schamen we ons voor het godsbeeld van de Vader die ons als Zijn kinderen heeft voortgebracht? Zo ja, waarom dan?

Als het daarop aankomt, zie ik om me heen dat veel mensen meteen als door een speld gestoken overeind veren als iemand het woord 'God' laat vallen. Ik denk dat dat vooral komt door de puinhopen die de kerken ons in de loop der eeuwen hebben nagelaten. In plaats van de gemeenteleden te dienen zoals Christus Zijn leerlingen diende - denk maar aan de voetwassing - zagen de kerkbestuurders, bisschoppen en kardinalen het als hun voornaamste taak om hun eigen machtspositie en wereldlijke belangen veilig te stellen en waar mogelijk uit te breiden, desnoods ten koste van het welzijn van de gemeente. Dat er desondanks ook altijd priesters zijn geweest die écht om hun gemeenteleden gaven en voor hun wereldse en geestelijke belangen opkwamen, is een pluspunt en heeft ervoor gezorgd dat de traditie bewaard bleef, maar ook niet meer dan dat.

De kerken hebben veel schade aangericht en mensen kopschuw gemaakt voor het geloof. Dat gebeurt in feite nog steeds. De recente onthullingen over seksschandalen binnen de R.K. kerk roepen veel walging en weerzin op, en dat is volkomen terecht. De katholieken hebben dat voor een groot deel aan zichzelf te danken. Een instelling als het celibaat zorgt ervoor dat mensen hun seksuele driften op alle mogelijke manieren moeten onderdrukken. Natuurlijk gaat dat vaak fout. De leiding van de R.K. kerk zou er heel verstandig aan doen om te erkennen dat seksualiteit niet per definitie zondig en verdorven is, maar een normale menselijke drift die je in goede banen moet leiden. Het celibaat zouden ze dan ook onmiddellijk moeten afschaffen.

Deze en andere misstanden roepen walging en weerzin op. Begrijpelijk. Maar rechtvaardigt dat de enorme, soms fanatieke afkeer die sommige mensen in zich voelen opkomen zodra het woordje 'geloof' valt of iemand er openlijk voor uitkomt dat hij of zij christen is? Is dat voor de anderen, die dat horen, een gerechtvaardigde reden om alle stekels op te zetten en naar zo iemand uit te halen? Natuurlijk niet! Wie afkeer voelt voor christenen en elke christen goedkoop en gedachteloos vereenzelvigt met kruistochten, inquisitie, onderdrukking en dwang, is in principe sterk bevooroordeeld bezig. Zo iemand zou zijn eigen motieven, frustraties en zondebokken eens moeten onderzoeken i.p.v. altijd maar de blik naar buiten te richten en anderen - God, de christenen of de kerken – overal de schuld van te geven.
Christenen en het christendom veroordelen onder verwijzing naar de fouten van vroegere eeuwen is dan ook goedkoop en gedachteloos. Goedkoop, omdat een dergelijke gedachtegang met simpele etiketten werkt, die men elke christen zonder aanzien des persoons op kan plakken. Gedachteloos, omdat deze manier van denken en redeneren zelden onderbouwd is en gewoonlijk op onderbuikgevoelens is gebaseerd.

De werkelijkheid is, dat het christendom weliswaar veel te lijden heeft gehad van allerlei menselijke fouten en stommiteiten, maar tegelijkertijd ook voor heel veel mensen een bron van inspiratie en zingeving is geweest. Dat geldt in feite nog steeds. Door de eeuwen heen hebben christenen God als een liefdevolle Vader ervaren, die hen kon bereiken in de enige plaats waar een mens écht in de geest kan worden bereikt, nl. in zijn hart.

Ik geloof dat voor een mens, die eenmaal tot dat inzicht gekomen is en zich realiseert wat voor een onvolmaakt wezen hij is, de rest op den duur vanzelf op zijn plaats valt. Maar we zullen wél eerst van onze troon, onze gedroomde goddelijkheid, af moeten komen. Zonder deemoed - noem het voor mijn part gepaste bescheidenheid - is geen echte geestelijke ontwikkeling mogelijk. Helaas kunnen de meeste mensen die gepaste bescheidenheid alleen maar leren door eerst flink met hun kop (d.w.z. hun hoogmoed) tegen de muur te lopen. Dat is een bitter gegeven, maar gezien onze menselijke natuur pakt het vaak wel zo uit. Dat we dan al snel door Gods liefde in genade worden aangenomen, is daarbij gelukkig een hele troost.