Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen

zondag 6 maart 2011

Sterrennacht (tanka)

Hoog aan de hemel
flonkert oeroud sterrenlicht
spoelt in stilte aan.
Vlammend valt een meteoor
door de steilten van de nacht.

maandag 18 oktober 2010

Strandfoto's, Schiermonnikoog, 1976


Overal weerspiegelden de wolken
zich flonkerend in de golven.
De zeewind voerde verre geuren mee
en speelde met jouw natte, blonde haren.

Vanaf de duinen zag ik
tegen terugwijkende verten
in het wit van de branding
jouw vertrouwde gestalte staan
en ik bevroor de tijd in celluloid
met een knipoog van mijn polaroid.

Nu waart de nagedachtenis rond
om oude foto's, lege spiegels,
gevangen in bundels oud, gebroken licht.

De tijd keert licht in schaduw om,
de kleurenbeelden trekken krom,
herleven kort, maar sterven dan voorgoed
in de hoge hoed van de herinnering.

vrijdag 15 oktober 2010

Terugblik op een trouweloos drama

Uit een diepe afkeer van ’t geloof in God
heeft Hella de schrijfsite de rug toegekeerd
Ze hield zich niet aan het eerste gebod:
’t is haar taak dat ze anderen schrijven leert.

Ze viel uit haar rol en ging anderen bestrijden
overtuigd van haar eigen gelijk en retoriek.
Maar in haar ijver ging ze ver over de schreef:
de redactie van trouw diende haar van repliek.

Vier blogjes van haar werden daarom gedelete,
ik en nog drie anderen kregen daarvan de schuld
hoewel ze zelf alle grenzen te buiten was gegaan.
Sindsdien heeft zij zich in stilzwijgen gehuld.

“Die rakkers zijn daarvan de schuld, weg met hen”,
raast haar aanhang nog als nooit tevoren,
“’t is allemaal hùn schuld, wij hebben niks gedaan”
zo krijgen wij nog bijna elke dag te horen.

Me dunkt dat ’t tijd wordt om de mythe los te laten
van Hella’s onschuld, ondanks al haar fraaie verhalen.
Wie uit alle macht anderen de grond in trapt
moet daarvoor uiteindelijk een hoge prijs betalen.

Haar verstrooide aanhang kan die waarheid niet geloven
en balkt maar door dat het echt haar schuld niet was.
Ziedaar wat over is van het eens vermaarde Schrijf:
een groepje boze kinderen uit Hella’s kleuterklas.

zaterdag 9 oktober 2010

Op Helena van Troje - (4)


Bij ’t omwolkte licht van de vale maan,
niet ver van Troje’s trotse tinnen vandaan,
verlaten de Grieken één voor één ’t houten paard
en heffen hun in ‘t koele maanlicht blinkend zwaard.

Twee aan twee trekken zij door de verslagen stad
op zoek naar de schandknaap Paris en zijn schat
totdat een verkenner van Troje’s laatste veste,
Heleen bespiedt, verschalkt ten langen leste.

Met een diepe schreeuw heft de hopliet het staal,
doorklieft de Myceense hoer voor de laatste maal
totdat zij stervend in Paris’ armen valt.

Het verhaal van Heleen en de Grieken eindigt hier;
met afgewend gelaat vaart Charon haar over de rivier
naar Hades' rijk dat voortaan haar 't bestaan vergalt.

Op Helena van Troje - (3)

Heleen, gij blinde dwaas en ijdel wijf,
Paris Hilton uit het rijk van Mycene,
ge liet u schaken door een herdersknaap
en zingt nu als een Trojaanse sirene.

De Erinyen zullen u elegisch bezingen
als u afdaalt in Hades’ diepe duisternis,
‘t rijk waaruit geen sterveling wederkeert -
gij, die meent dat de dood het eind van alles is.

In ’t dodenrijk zal uw ziel herleven
over de einder van ’t aards bestaan.
Uw spotdichten zullen dan verstommen
als u d’ ogen voor de andere wereld opengaan.

donderdag 7 oktober 2010

Op Helena van Troje - (2)


Alsof er geen voortbestaan is, geen eeuwige geest,
lastert en spot u met koning en met God.
’t Zal noch u, noch uw minnaar Paris baten:
elke sterveling wacht hetzelfde lot.

Als God ’t uur van uw afscheid heeft bepaald
doorsnijdt de doodsengel ’t levenskoord
dat uw ziel met ’t lichaam verbindt.
Onherroepelijk spreekt hij het laatste woord.

Zodra het ‘Effatha’ weerklinkt, lost de ziel
in een lichtende nevel op, van ’t lichaam bevrijd,
en stijgt naar de sfeer die ginder bij haar past
ook gij, die uw hart aan lage lusten wijdt!

Op Helena van Troje - (1)

Wanneer het eind van uw dagen nadert,
‘t licht in uw ogen wordt gedoofd,
slaat gij ze in een andere wereld op
of ge op aard nu wel of niet gelooft.

Wat baat het u hen die in Zeus geloven
te overladen met uw ruwe zangen?
Als uw ziel wordt gevaren over de Styx
zijt ge voorgoed in Hades’ rijk gevangen.

Weet nu, Heleen, dat gij niet beter zijt dan zij
die u om hun godsvrucht gispt en laakt.
Dat gij onwetend zijt raakt de goden niet,
wél dat u niet over uw hart en woorden waakt.

woensdag 6 oktober 2010

Land over de drempel

In het wemelen van het licht aan de einder
doemen jouw lieflijke trekken op,
de glans van jouw gezicht ontstaat.

Ik open de droomsluizen van de tijd;
simultaan met mijn aards bestaan
leeft jouw droomgestalte in mij voort,
begiftigd met verborgen, immer groeiend leven.

Niet uit het lichaam, maar uit de ziel geboren
reis jij in je mantel van licht met mij mee
zoals je ooit tegenover mij zat en gebaarde.

Blinkend rijs jij op, koelwarm als jouw huid
strijkt het ochtendlicht mij ten leven
totdat ik in de geest geheel en al
met jouw bloed en adem samenval.

dinsdag 5 oktober 2010

Op een Spaanse stier

Een stier in het Spaanse Navarra
verliet dol van drift de arena.
Woedend stormde hij de tribunes op
en beukte zijn spotters met zijn kop.

Uiteindelijk werd hij door de Guardia geveld.
Toch is deze stier voor mij een held.
Wie dieren tergt voor zijn lage zinnen
ziet nog eens het hospitaal van binnen.

Stenen vingers

Op een late namiddag in midfebruari
loop ik samen met jou
over bedauwd grasland
langs het riet van een traag kanaal.
Jouw laarzenen stevenen voor mij uit
door hoge vergeelde stengels,
sporen een weg uit naar de kim.

Jouw ogen schitteren vochtig
als de waterigrode zon
zich door de vochtlagen boort.
Je praat en je lacht tegen me:
strompelend door de kuilen
houd ik je bij.
Over bevroren kluiten modder
en krakende halmen
stappend, geef ik je antwoord
waarop jij me verrast aankijkt,
glimlachend porren in m’n zij.

Na thee en breinaalden
neem je me mee
naar de schemer
van dalende stofbundels zonlicht
binnenvallend over ’t rommelige binnen
van je goedverwarmde slaapkamer.
Je nodigt me uit jou te raken
aan jouw warme lichaam,
maandagmorgen is nog ver.

Tot van mij,
een schimmig woord,
'misschien',
uit grove werkelijkheid van
ver- moei-de er- va-ring,
jou verkilt, de adem vertraagt,
verwolkt het in flarden, weg over
lege velden, grijnzen me uit
tot stof illusies van tederheid.

Want ik,
ogen staren wijd uit,
ik ben bang,
bang me te verwonden
aan het witte marmer
van het beeld
dat ik van je had gehouwen
uit de verdichtsels
van m’n verwondering.
Schuchter was ik,
jouw beeld te breken,
bloedend aan stenen vingers,
ijspegels die gaan smelten
in de zoutige midwinterzon.

Verdwaald, tastend in het donker,
vergeet ik dat steriele,
stomme beeld in te ruilen
voor de direkte zachtheid van jou,
huilend na m’n wazige staar
van onbegrip.

Triest kijk ik om
en zie je weer staan:
je gaat lopen door het hoge
vergeelde gras.
Jij, een silhouet naar de einder,
schemerend in de heilige mist.