donderdag 3 maart 2011

Borderline en andere toverballen van de moderne GGZ

Borderliners zijn psychiatrische lapjeskatten met kenmerken van alle andere psychiatrische aandoeningen. Ze vormen een restcategorie die pas in 1980 voor het eerst in het DSM-handboek, de bijbel van de psychiatrie, wordt genoemd.
Dat het woord ‘border’ erin voorkomt, betekent niet – zoals meestal wordt gedacht – dat deze mensen geen grenzen kennen. Dat woord is toentertijd in de benaming opgenomen omdat men vond dat het om patiënten ging die op het grensgebied zaten van psychose en neurose. ‘Border’ verwijst dus naar de verlegenheid en onzekerheid van hulpverleners en niet naar kenmerken van de patiënten zelf. Psychiaters zagen in de zeventiger jaren mensen die ze in geen enkel bestaand hokje konden onderbrengen, en als er één ding is waar men in de psychiatrie een bloedhekel aan heeft, dan is dat wel dat men iemand geen bruikbaar etiket op kan plakken.
Ook in die nood werd natuurlijk voorzien. Vandaar de drakerige term ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’. Wat verstaat men er nu onder? Het Trimbosinstituut (landelijk kennisinstituut voor de GGZ) omschrijft de borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) a.v.: “Borderline kenmerkt zich door sterke wisselingen in stemmingen, gedachten en gedrag. Mensen met borderline zijn enorm impulsief, denken vaak zwart-wit, reageren extreem. Relaties zijn moeilijk te onderhouden en wisselen ook sterk.”
Je kunt er dus alle kanten mee op. Bovendien kan men er in allerlei gradaties mee zijn behept. De kritiek op die benaming is daarom nooit van de lucht geweest. Om die kritiek te pareren heeft men vaak aan de kenmerken van de borderliner zitten sleutelen. Zo heeft men in de DSM-IV-editie van 2000 aan de bestaande definitie toegevoegd dat borderliners last zouden hebben van ‘micropsychotische’ perioden. Gedurende enkele uren zouden ze psychotisch zijn, waarna die nare aanval weer even spoorloos verdwijnt als hij gekomen is.
Rara, hoe kan dat? Aan creativiteit ontbreekt het de psychiatrische elite dus niet. Het lijkt er sterk op dat een diagnose die nogal lukraak is gekozen, daarna vaak is bijgesteld om er een schijn van geloofwaardigheid aan te verlenen. We zullen in dit verband maar niet al te diep ingaan op het feit dat de meerderheid van de medici, die zitting hebben in de DSM-commissie die nieuwe psychische aandoeningen bedenkt, op de loonlijst staat van de farmaceutische industrie. Dit artikel wordt dan immers al te pijnlijk. Ook zullen we maar niet stilstaan bij het feit dat bij elke volgende editie van het DSM weer een aantal nieuwe soorten gekte aan de erelijst mogen worden toegevoegd, want dan begint dit verhaal pas echt navrant te worden. Dat geldt al helemaal als je bedenkt dat voor die nieuwe 'stoornissen' weer een heleboel nieuwe soorten medicijnen kunnen worden ontwikkeld waarvan je maar mag hopen en bidden dat ze voldoende zijn uitgetest.

Nee, laten we ons maar beperken tot de kern van de zaak. Die kern is dat het hier - net zoals bij ‘ziekten’ en ‘stoornissen’ als ADHD en PDD-NOS, en hoe die wilde bloemen van de psychiatrische flora en fauna ook allemaal mogen heten - vooral lijkt te gaan om een soort modeziekte, een gedachtenconstructie, een virtuele aandoening, een gekte die op de creatieve tekentafel van de psychiatrie is ontstaan. Daarmee wil ik niet zeggen dat er geen mensen bestaan die een aantal borderlinekenmerken hebben, maar wel dat het begrip als geheel een construct is, een verzamelnaam waarmee men mensen met uiteenlopende klachten op één hoop probeert te vegen.

Als men deze mensen dan toch een diagnose wil geven, lijkt de term ‘emotieregulatiestoornis’, die door sommigen als alternatief wordt voorgesteld, me beter op zijn plaats. Die benaming geeft immers duidelijker aan wat het kernprobleem is van borderliners: het gaat om mensen die moeite hebben om hun emoties onder controle te houden.
Een bijkomend voordeel is dat die term minder beladen is. Mensen met BPS worden in de hulpverlening nl. vaak extreem negatief bejegend. Vaak hoor je mensen die in de zorg werken, kreten slaken als “Je moet niet met hen in discussie gaan, ze moeten gewoon lúisteren!” en “Je moet ze hard aanpakken, want anders pakken ze je in”. Met dergelijke kreten wordt het personeel vaak geïnstrueerd als borderline-patiënten op een afdeling worden opgenomen: ze zouden een bijna onbedwingbare behoefte hebben om hun omgeving naar hun hand te zetten. De verpleging in de GGZ wordt dan ook meteen al bij de opleiding ingepeperd dat ze streng en resoluut moeten zijn tegen dit onbetrouwbare volkje. Natuurlijk leidt dit soms tot allerlei wantoestanden, met misbruik van de machtsmiddelen in de GGZ tot gevolg.

Op fora voor zorgpersoneel kwam ik zelfs uitlatingen tegen van verpleegkundigen die borderliners moeiteloos over één kam scheren met ‘criminelen, moordenaars en verkrachters’. Het laat zich raden dat zorgwerkers die zo’n beeld hebben van patiënten met BPS, geneigd zijn om op een heel afstandelijke, om niet te zeggen intolerante manier met deze groep om te gaan. Een dergelijke aanpak helpt beslist niet om moeilijkheden te voorkomen, maar roept gemakkelijk de problemen op die men juist met alle geweld wil bestrijden. Het gaat hier in de eerste plaats om patiënten die liefde, aandacht en zorg nodig hebben, niet om criminelen die moeten worden gedetineerd.

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de mensen met dat etiket vroeger het slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, mishandeling of emotionele verwaarlozing. Het gaat dus wel degelijk om slachtoffers, om patiënten. Misschien uiten zij zich later nogal vreemd, maar niettemin zijn het mensen die hulp nodig hebben. Door constant maar te hameren op orde, hardheid en structuur in de benadering van borderliners worden de verhoudingen met deze patiënten totaal verziekt. Wie voortdurend op zo'n manier wordt bejegend, gaat zich op den duur immers ook zo gedragen.

Wat me verder opvalt is de enorme tegenstrijdigheid tussen aan de ene kant het vage, algemene karakter van de diagnose ‘borderline’ en aan de andere kant het feit dat mensen met dit etiket als de moeilijkst te behandelen categorie patiënten binnen de GGZ worden beschouwd. Bovendien gaan de meeste hulpverleners ervan uit dat deze problematiek ongeneeslijk is. Het komt er dus op neer dat een stoornis, die zo glibberig is dat men hem niet goed kan definiëren, tegelijkertijd als chronisch wordt beschouwd, waarbij een bikkelharde aanpak vereist is. Is dat misschien een uiting van extreme onzekerheid? In ieder geval lijkt me dat een gevaarlijke ontwikkeling.

Hoe het ook kan, blijkt uit het gedrag van een verpleegkundige waarover ik op een forum las. Een bewoonster, die als borderliner op een afdeling werd binnengebracht, werd altijd met heel veel begrip en warmte door haar behandeld. Haar collega's waren vaak heel hard tegen die mevrouw omdat hun dat door het afdelingshoofd was opgedragen: borderliners moet je hard aanpakken, want anders pakken ze je in.
Drie maal raden wie de meeste problemen met die mevrouw ondervond: dat waren juist de gehospitaliseerde verpleegkundigen die braaf het advies van de leiding opvolgden. De verpleegster die wél met die borderliner in gesprek bleef en haar vriendelijk en normaal behandelde, had nóóit problemen met haar. Geen wonder. Psychische ellende kun je beter niet met pillen, hardheid en dwangmaatregelen bestrijden, maar met aandacht, liefde en een open oor. Tergend langzaam begint men dat nu in de GGZ te beseffen, alle kouwe drukte over ‘cliëntgerichte zorg’ ten spijt.

vrijdag 25 februari 2011

Zullen we ooit de sterren bereiken?

Al jaren zijn een paar enthousiastelingen in de VS bezig om technieken te bedenken waardoor het mogelijk wordt om naar andere zonnestelsels te reizen. Hun fantasie is bijna grenzeloos. Zo hebben ze zelfs al een methode onderzocht die ze hebben afgekeken van Star Trek, de zgn. ‘warp drive’. Daarbij maakt men gebruikt van een rimpeling in de structuur van ruimte en tijd om snel enorme afstanden af te leggen. Zulke rimpelingen noemt men wormgaten. Ze zijn reuze handig, want als het je lukt om er heelhuids doorheen te glippen, heb je voor je ruimtereis geen brandstoftanks zo groot als een touringcar meer nodig en kun je zelfs sneller reizen dan het licht. Je vliegt dan gewoon ‘binnendoor’ naar andere werelden. Jammer genoeg is men nog nooit verder gekomen dan het speculeren over deze mogelijkheid. Maar ook met de beste raketten waarover men nu beschikt zal het nooit lukken om in enkele tientallen jaren een andere ster te bereiken. Volgens Marc Millis, de leider van de Tau Zero Foundation die daar onderzoek naar doet, zijn we pas in de 23e eeuw in staat om voldoende energie op te wekken om interstellaire reizen mogelijk te maken.

Dat klinkt vrij somber. Betekent dit nu - voorlopig tenminste - einde verhaal voor de droom van de mensheid om andere zonnestelsels te verkennen en daarbij andere beschavingen tegen te komen? Als we ons doel voor ogen blijven houden, zullen we het in elk geval over een heel andere boeg moeten gooien. De vraag is dan of er wel andere manieren bestaan om dit probleem te benaderen.

Ik geloof dat dit mogelijk is. We zullen dan wel af moeten stappen van het idee dat de techniek ons hierin verder kan brengen. Het antwoord is simpel: met de geest kun je veel langere en betere reizen maken dan met een ruimteschip. Het is een bekend verschijnsel dat mensen tijdens uittredingen, waarbij hun geest zich van hun lichaam verwijdert, elke willekeurige plaats op aarde kunnen bezoeken. Men kan dan waarnemingen doen van de personen of de omgeving waar men om de één of andere reden affiniteit mee voelt. Achteraf blijken die waarnemingen in de regel te kloppen. De geest van zo iemand is dan alleen nog maar met een dunne band, het ‘zilveren koord’, met het lichaam verbonden.

Toch is niet elke uittreding voor ons doel geschikt. Er zijn nl. globaal genomen twee soorten uittredingen. In sommige gevallen gebeurt het spontaan en heeft degene, die het overkomt, er geen controle over. Dergelijke uittredingen komen bv. voor tijdens een bijna-doodervaring of vergelijkbare ervaringen waardoor mensen plotseling uit hun lichaam worden geslingerd. De tweede categorie uittredingen vindt bewust en gecontroleerd plaats. Mensen, die jarenlang hebben gemediteerd of over bijzondere gaven beschikken, kunnen dan bij vol bewustzijn uit hun lichaam treden. Er zijn Indiase yogi’s die deze techniek beheersen, maar in principe zijn heel veel mensen hiertoe in staat, vooropgesteld dat men in zekere zin ‘onthecht’ is van de uiterlijke wereld en zichzelf onder controle heeft. Al deze uittredingen beperken zich tot verplaatsingen in de geest naar andere plekken op aarde. Zou deze techniek nu ook gebruikt kunnen worden om reizen te ondernemen naar andere werelden?

De Zweedse wiskundige, uitvinder en theoloog Emanuel Swedenborg heeft in zijn in 1758 gepubliceerde werk "Over de aarbollen in ons zonnestelsel en andere hemellichamen" beschreven dat dit wel degelijk mogelijk is. In dit boek vertelt hij dat hij uittrad en met zijn geest verschillende planeten rondom andere sterren bezocht. Hij sprak ook met de bewoners ervan. Opvallend in zijn relaas is het feit dat deze bewoners allemaal een menselijke vorm hebben. Hun lichaamsbouw en huidskleur vertonen een aantal varianten, vergelijkbaar met de verschillende soorten mensen op aarde. Ook hebben die planeten een rijke flora en fauna.
In andere opzichten verschillen die mensen wel sterk van ons. Zo zijn ze allemaal diep religieus en vereren ze God als de schepper van het heelal. Via engelen onderhouden ze contact met de geestelijke wereld. Technische ontwikkeling kennen deze beschavingen nauwelijks, simpelweg omdat zij zich alleen maar interesseren voor geestelijke ontwikkeling en al het materiële daaraan ondergeschikt achten.
Veel mensen zullen deze beschrijvingen wonderlijk vinden of moeite hebben met het idee dat men in zijn geest andere plaatsen kan bekijken terwijl het lichaam in een slaaptoestand verkeert. De combinatie van uittredingen en reizen naar andere werelden moet hun wel helemaal vreemd voorkomen. Weinig mensen in het Westen geloven immers meer in het bestaan van een menselijke geest die zich van het lichaam los kan maken en de dood overleeft. Toch is het verschijnsel van de uittreding vanuit de parapsychologie en de bijna-doodervaringen bekend. Het is al vaak onderzocht en blijkt iets reëels te zijn dat niet zomaar kan worden weerlegd. Swedenborg, die in zijn tijd ook faam genoot als sterrenkundige, heeft daar een nieuw element aan toegevoegd. Zijn helderziende gaven werden door zijn tijdgenoten erkend. Ook maakte hij naam als uitvinder. Zo ontwierp hij al in 1714 een vliegtuig, waarvan het ontwerp in onze tijd door de NASA is nagebouwd – en het bleek te kunnen vliegen.
Het mag dan zo zijn dat dit reizen naar andere werelden nooit gemeengoed zal worden, maar een interessante mogelijkheid is het in elk geval wel. Misschien zullen de huidige budgetproblemen van de NASA er nog eens voor zorgen dat men deze mogelijkheid gaat verkennen. Wat we ermee kunnen winnen is niet meer of minder dan kennis over andere beschavingen in het heelal. Het reizen in de geest blijkt uiteindelijk misschien wel het ‘wormgat’ te zijn waardoor we het heelal zullen leren kennen op een manier die met technische middelen nauwelijks haalbaar is.

Hendrik Klaassens.

zondag 13 februari 2011

Hoe reizen andere beschavingen door het heelal?

Vroeger was ik een groot liefhebber van de boeken van Erich von Däniken, Jochim Pahl en Stefan Denaerde. Ook werkjes over ufo´s verslond ik, hoewel ik ze met de nodige scepsis las. Al deze schrijvers waren gefascineerd door het idee dat andere beschavingen af en toe onze aarde bezoeken. Volgens hen hebben veel civilisaties het stadium van de interstellaire ruimtevaart bereikt en stimuleren ze de ontwikkeling op planeten waarvan de hoogste levensvormen zich nog met knots en speer staande proberen te houden. Een soort ontwikkelingshulp dus, en niet geheel zonder bijbedoelingen. De aarde moet immers worden opgestoten in de interstellaire vaart der volkeren, zodat ook de andere ruimtevarende intelligenties daarvan kunnen meeprofiteren en het in de ruimte geen rommeltje wordt.

Opvallend bij al deze schrijvers is de Star Trek-achtige manier waarop ze de werkelijkheid van het heelal benaderen. Meestal speelt de techniek een allesoverheersende rol. Toch heb ik daar grote twijfels over. Wat is nl. het belangrijkste doel van de hele materiële schepping? Is dat niet de vergeestelijking van het bewustzijn van de mens en de totale bevrijding uit de wereld van de materie? En als dat het belangrijkste doel van alles is, waarom zouden we dan met technische hulpmiddelen het heelal moeten veroveren? Is dat niet een paradox?

Na het lezen van de boeken van verschillende mystici ben ik dit alles systematisch gaan vergelijken met modern ruimteonderzoek. Daarbij heb ik gemerkt dat er in de hele wereld van de materie wel degelijk één centraal principe is, en wel dat alles in het heelal zich langzaam maar zeker ontwikkelt tot steeds hogere vormen, totdat alles op den duur volkomen vergeestelijkt is en in fysieke zin 'oplost'.
Je ziet dat ook bij sterren, planeten en kometen. Aan het eind van hun ontwikkeling lossen ze volkomen op: ze 'verdampen' als ze hun tijd hebben uitgediend. Precies hetzelfde geldt ook voor de mens. We zijn beslist niet geschapen om in de wereld van de materie te blijven hangen. Dit is maar een tussenstadium, een noodzakelijk kwaad omdat we ooit door een bewuste keuze - de val uit de geestenwereld - onze frequentie hebben verlaagd. Zo kon het stoffelijke heelal ontstaan. Het is een hulpmiddel om via een aantal incarnaties terug te keren naar de geestelijke wereld.

Wat doen nu al die levende wezens op de sterren en planeten? Als ze zich van hun geestelijke opdracht bewust zijn, zullen ze kiezen voor een ontwikkeling van hun geest en niet van de materie, omdat materie op zichzelf genomen praktisch dood is. Miljarden en nog eens miljarden beschavingen zijn er in het heelal. Hun aantal moet zó onnoemelijk groot zijn, dat we dit niet eens met een aards getal uit kunnen drukken. Toch zullen de meest wijze civilisaties nooit beginnen aan een ongeremde technische ontwikkeling. Waarom niet? Het antwoord is simpel: met de geest kun je veel langere en betere reizen maken dan met een ruimteschip.

De Zweedse ontdekker, geleerde en ziener Emanuel Swedenborg heeft dat in zijn boek "Over de aarbollen in ons zonnestelsel" duidelijk laten zien. Hij trad uit en bezocht met zijn geest verschillende werelden. Hij sprak met de bewoners daar. En overal spreken de meer ontwikkelde wezens dezelfde taal: ze kunnen met elkaar communiceren en bezitten een wijsheid, waarbij vergeleken de wijsheid van ons meestal maar een hersenschim is.
Om te reizen in het heelal heb je geen techniek, geen ruimteschepen nodig, maar een wakkere, heldere geest. Een geest die zich volkomen op Jezus richt en vast op Hem vertrouwt. Neem van mij aan dat de rest dan vanzelf gaat. Maar bijna niemand op aarde heeft dát vermogen, díe geestelijke kracht, omdat we in de materie verzonken zijn. Ons bewustzijn is ongelofelijk mat.

Daar zal beslist verandering in komen. De ontwikkeling op aarde kan niet blijven stilstaan, we móeten echt verder. Zoals Jezus de materie volkomen overwon, zo zullen wij dat ook ooit 'es moeten doen. Niet met techniek, niet met ruimteschepen, maar alleen met onze vrije geest, die peilloos ver boven de materie staat.
Wat er tijdens de laatste fase van de wederkomst van Christus zal gebeuren, God only knows. Maar ik weet wel dat dat een transformatie van de aardse omstandigheden zal betekenen waar we ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken.
Wie zullen er na de wederkomst overblijven? Jezus zei ooit: "De zachtmoedigen zullen de aarde beërven". Ik denk dat dat betekent, dat niet de slechte mensen achter zullen blijven, maar juist de liefdevolle, deemoedige mensen. De rest zal weggevoerd worden. Niet met ruimteschepen, maar in de geest. Op andere werelden mogen ze hun ontwikkeling vervolgen. Soms zal dat materiëel gebeuren, soms ook niet. Want ook de geestelijke wereld heeft heel veel sferen waarin de mens kan worden opgevoed.

In die zin kijk ik ook tegen de voorspellingen over de drie dagen van duisternis aan, die volgens velen onmiddellijk voorafgaan aan de transformatie van de aarde. De opvatting dat een heleboel mensen met ruimteschepen van de aarde worden opgehaald, kom je o.a. tegen in de boekjes van Bertha Dudde. Ook binnen New Age doen zulke verhalen de ronde. Toch geloof ik dat niet. UFO's zijn al vaak beschouwd als vertegenwoordigers van de 'goden' of als bezoekers uit een andere dimensie. Ik heb die ideeën bestudeerd, maar er nooit overtuigende bewijzen voor gevonden. UFO's bestaan wel, maar ze kunnen nooit zijn gebouwd door hoogstaande beschavingen. Simpelweg omdat hoogstaande beschavingen hun heil niet zoeken in de materie, maar in de mogelijkheden van de vrije, op God gelijkende geest.
Alleen beschavingen die in het materiële stadium zijn blijven steken, zullen ruimteschepen bouwen die de afstanden tussen de sterren - gemiddeld ca. 4 lichtjaren - kunnen overbruggen. Een bewijs voor hun geestelijke superioriteit is dat echter allerminst. Het wijst eerder op een sterke gehechtheid aan de materie en op een fascinatie voor de verworvenheden van de techniek. De boodschappen die we van dergelijke beschavingen kunnen opvangen, hebben in spiritueel opzicht dan ook maar een heel beperkte waarde. Een civilisatie die immers grondig over haar eigen plaats en oorsprong heeft nagedacht, zal zich vooral in geestelijke zin ontwikkelen en de techniek hooguit gebruiken als een middel om geestelijke doeleinden te verwerkelijken.

woensdag 9 februari 2011

Beweringen - 1

Nu het pacifistische imago van Groen Links door de Sapcentrifuge is gehaald, kan deze partij haar besmeurde blazoen alleen nog maar oppoetsen door uit alle macht - én met succes! - te gaan lobbyen tegen de aanschaf van de peperdure en lawaaierige JSF, een toestel dat elk jaar op miraculeuze wijze 20% duurder wordt.

Wetenschappers zouden moeten beseffen dat maar een heel klein deel van onze werkelijkheid met instrumenten kan worden onderzocht. Over wat daar buiten valt - de menselijke ervaringswereld bv. - kan men geen zinnige uitspraken doen, laat staan dat men er harde conclusies over kan trekken.

In Nederlandse ziekenhuizen overlijden jaarlijks bijna tweeduizend mensen door vermijdbare fouten, zoals fouten bij operaties en verkeerd medicijngebruik. Het zou de Vereniging tegen de Kwakzalverij, die alles op alles heeft gezet om Jomanda te laten veroordelen, daarom sieren als ze de moed zou opbrengen om ook hiertegen in het geweer te komen!
Als D66 blijft vasthouden aan het plan om Friesland te laten opgaan in een noordelijk landsdeel, is de kans reëel dat deze partij in Friesland zal worden weggevaagd bij de komende verkiezingen voor de Provinciale Staten.

Heren, laten we het nu maar eerlijk toegeven: mannen zijn kleinzeriger en grotere aanstellers dan vrouwen.

Dagelijks worden in Nederlandse verpleeghuizen minstens 6.000 demente bejaarden met een zweedse band vastgebonden op hun stoel of bed om te voorkomen dat ze vallen en daarbij botbreuken oplopen. Toch helpt dit niet. De oude mensen worden er vaak angstig en onrustig van, en áls ze al uit hun stoel of bed mogen opstaan, lopen ze juist een grotere kans op botbreuken. Het wordt dan ook hoog tijd dat dit martelwerktuig in Nederland verboden wordt.
Zie hiervoor ook http://www.innovatiekringdementie.nl/ow/Artikel/Feiten-over-vrijheidsbeperking.aspx

Schrijvers die veel succes oogsten met hun boeken lopen het reële risico dat ze een ego ontwikkelen dat zo groot is als een volwassen melkwegstelsel. Harry Mulisch en Jan Wolkers zijn daar krasse voorbeelden van.

Het wordt tijd dat het kabinet-Rutte definitief stopt met het geldverslindende JSF-project nu bekend is geworden dat de prijs van 85 gevechtstoestellen is gestegen naar minstens €7,6 miljard. In de VS circuleert momenteel al een prijs per toestel van €176 miljoen. Het is waanzin om onder deze omstandigheden slaafs achter de VS aan te blijven hollen. De Zweedse Saab Gripen is immers een vergelijkbaar toestel dat veel minder lawaaierig en ook veel goedkoper is. Het getuigt van een tunnelvisie als men onder deze omstandigheden niet voor dat Zweedse toestel kiest.

maandag 24 januari 2011

Isoleren en vastbinden - hardnekkige gewoonten in de zorg

In het tijdschrift "Historia" las ik vorig jaar een artikel over de geschiedenis van de psychiatrie vanaf de veertiende eeuw. Een eeuwenlange geschiedenis van martelingen, bewoners die naakt aan de muren werden vastgeketend en bezoekers die bij wijze van volksvermaak mochten komen kijken naar de 'gekken'. Vooral onder rijke dames was dat een geliefd uitje. Behandelingen waren er niet, of het moest al zijn dat men hen bijna liet verzuipen of bedreigde met een gloeiende pook in de hoop dat de ‘hysterie’ daardoor verdween. Artsen of wat daarvoor doorging mochten ongehinderd medische experimenten uitvoeren op de inwoners van het gesticht.

De meeste mensen zaten er gevangen tot de dood erop volgde. Geen wonder als je bedenkt dat veel patiënten met ijzeren kettingen aan de wanden waren vastgemaakt en weinig te eten kregen. Pas in de 19e eeuw kwam er enige verbetering in hun lot, maar tot aan het begin van de 20e eeuw was het in Nederland op sommige plaatsen nog mogelijk om op zondagmiddag naar de ‘gekken’ te kijken en hen tegen betaling van 10 cent met een stokje te slaan.

Voor sommige patiënten lijkt er in al die tijd weinig te zijn veranderd: ook nu nog worden ze geïsoleerd en vastgebonden. Blijkbaar is dat een hardnekkige traditie binnen de psychiatrie en de gehandicaptenzorg. Men schijnt er niet zonder te kunnen. Onaangepast gedrag wordt soms beantwoord met excessief geweld in de vorm van isolatie en vastbinden – in vakjargon ‘fixeren’. Brandon is daar het levende bewijs van. En de regels zijn keurig opgevolgd. Zegt de Inspectie en in navolging daarvan de staatssecretaris - dezelfde staatssecretaris die een dag daarvoor in de Tweede Kamer nog bijna in snikken uitbarstte omdat Brandons situatie 'schrijnend' was.

Voor alle situaties hebben we in Nederland wetten, inspecties en regels. En volgens die regels mogen we een meisje van 14, dat grote kans loopt om in Afghanistan door de Taliban te worden afgeranseld, zonder bezwaar terugsturen naar haar geboorteland. Volgens onze regels mogen we ook een jongen van 18 isoleren en vastbinden aan de muur. En o, wat zijn we weer zorgvuldig bezig! Wat is er toch een zorgvuldige afweging gemaakt! Maar het zijn echo's uit het verleden. Echo's uit 1988, toen de directie van een andere instelling voor verstandelijk gehandicapten ook meende dat ze verantwoorde zorg gaf. Zorg aan een jong meisje dat naakt met een zweedse band was vastgebonden aan de muur.

Godzijdank veranderde dat onder de enorme druk van de publiciteit. Natuurlijk: de directie schaamde zich. Het was geen goede public relations, weg met dat slechte imago. En dan kan er plots veel veranderen. ZorgiLeaks zogezeid. Maar we hebben dat kennelijk nog steeds hard nodig.

Toch gebeuren er nog veel ergere dingen in de zorg die slechts zelden de publiciteit halen. Wat maar heel weinig mensen weten is het feit dat dagelijks ca. 6.000 demente bejaarden op hun stoel of in hun bed worden vastgebonden met de zgn. ‘zweedse band’. Dat is een band die heel strak om het middel van een bewoner wordt vastgemaakt. Er zit een slotje op, waarvan de sleutel door het personeel wordt beheerd, zodat de bejaarde zich met geen mogelijkheid eruit kan bevrijden. Met twee riempjes wordt deze band aan de stoel of aan de stangen van het bed vastgemaakt.
Als reden voor deze dwangmaatregel geeft men op dat men daarmee wil voorkomen dat mensen, die slecht ter been zijn, proberen op te staan en daarna een lelijke smak maken waardoor ze iets kunnen breken. Uit allerlei onderzoeken is echter gebleken dat die vlieger niet opgaat: demente bejaarden die níet worden vastgebonden, vallen weliswaar vaker, maar de valincidenten zijn minder erg dan wanneer iemand dagelijks wordt vastgebonden met de zweedse band en dan overeind komt om bv. even naar de w.c. te gaan. Wie dagelijks in z’n stoel zit vastgebonden, verliest op den duur veel spiermassa, wordt incontinent en krijgt ook een slechter coördinatievermogen.

Toch is het geestelijke lijden van deze demente bejaarden het allerergste. Ze kunnen geen kant op, zijn volkomen afhankelijk geworden van het personeel en voelen zich vaak vernederd, alsof ze een ding zijn dat tijdelijk ergens moet worden ‘geparkeerd’. Vaak begrijpen deze mensen niet waarom ze strak worden vastgebonden. Ze denken dat ze straf hebben gekregen en weten niet waarom. Dit lijden is helemaal niet nodig. Er zijn tegenwoordig veel betere en humanere alternatieven om te voorkomen dat iemand valt en dan wat breekt.

Om deze reden heeft Jet Bussemaker, de vorige staatssecretaris van VWS, aangekondigd dat ze alles op alles wilde zetten om het gebruik van de zweedse band m.i.v. 2011 uit te bannen. Toch is de praktijk nogal weerbarstig. Het gebruik van allerlei rituelen in de zorg is een hardnekkkig verschijnsel. Hoewel de gevaren van de zweedse band bekend zijn – alleen al in 2008 stikten 8 mensen in dit martelwerktuig – zijn veel verzorgenden nogal gehecht aan dit dwangmiddel. Ze kunnen dan lekker aan het werk en hoeven even niet aan de bejaarden te denken die vast zitten. Maar ze realiseren zich helemaal niet wat ze iemand ermee aandoen. Bij een proef, die in een verpleeghuis werd gehouden, lieten vier zorgwerkers zich 24 uur lang fixeren. Ze waren er diep van onder de indruk en vonden het ‘onvoorstelbaar’ wat het met hen deed om vastgebonden te zitten en totaal afhankelijk te zijn van anderen.

Er zit daarom maar één ding op: er moet een wettelijk verbod komen op het gebruik van de zweedse band. Er vallen dan niet alleen geen doden meer door dit martelwerktuig, maar de bewoners zullen zich daardoor ook een stuk prettiger voelen. Als er veel humanere methoden worden gebruikt in de zorg, komt dat uiteindelijk niet alleen de bewoners, maar ook het personeel ten goede. Godzijdank zijn er nu al verpleeghuizen die volkomen fixatievrij zijn. Ik hoop en bid dat dit op den duur overal in Nederland in de praktijk zal worden gebracht.

donderdag 20 januari 2011

Vastbinden van gehandicapten is vaak uiting van onmacht

Gisteravond werd in de uitzending van Pauw en Witteman royaal aandacht besteed aan de manier waarop de 18-jarige Brandon van Ingen nu al drie jaar lang wordt verpleegd in ’s Heeren Loo te Ermelo, een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Daarbij bleek dat hij alleen maar met een tuigje zit vastgebonden aan de muur als er iemand bij hem in de kamer komt. In het Kamerdebat, dat gistermiddag werd gehouden, had men het er nog consequent over dat hij de hele dag vastgebonden zat.

De regiomanager van 's Heeren Loo die gisteravond te gast was bij Pauw & Witteman, zei dat het ontbreken van betere zorg géén geldkwestie was. Dat vertelde hij ook in het EO-programma waarin hem om commentaar werd gevraagd over deze kwestie. Als men dat nodig vond, kon hij extra geld krijgen voor andere en beter zorg voor die jongen. Laten we dat in alle opwinding niet vergeten.

Ik ben er 100% zeker van dat Brandon binnenkort meer bewegingsvrijheid en begeleiding krijgt dan daarvoor. Als een staatssecretaris van VWS zich er persoonlijk mee gaat bemoeien om te kijken hoe er verandering kan komen in deze situatie, mag je ervan uitgaan dat dat tuigje afgaat en er een paar potige Schwarzeneggers worden opgetrommeld om dit gevoelige knaapje onder hun hoede te nemen.

Toen er in 1988 een schandaal uitbrak rondom Jolanda Venema, die naakt met een zweedse band zat vastgetekend aan de muur, zei de instelling ook 'dit is echt verantwoorde zorg hoor', en 'er is een zorgvuldige afweging gemaakt' enz. Leuterkoek natuurlijk, want al snel ging dat onding af en werd er betere zorg voor haar geregeld. In het geval van Brandon zal dat ook wel zo gaan. Bovendien zitten er nog minstens 40 (!) andere mensen op dezelfde manier vast als Brandon.

Dat aantal is gebaseerd op gegevens van de Inspectie. Het werkelijke aantal zal wsch. veel hoger liggen. Toen er vorig jaar onafhankelijk onderzoek werd verricht naar langdurge isolatie binnen de GGZ, bleek immers dat het aantal langdurig geïsoleerden tien maal zo hoog was als de IGZ dacht. Volgens mij is de IGZ daarom net zo efficiënt en slagvaardig als de EU of de FIFA.

De instelling 's Heeren Loo kwam al eerder negatief in het nieuws. Zo meldt het dagblad Trouw vanmorgen:
____________________________________________________
Eerdere kritiek

"De zorginstelling ’s Heeren Loo in Ermelo kwam al eerder negatief in het nieuws. In 2007 lag Stefanie Baas, een 19-jarige licht verstandelijk gehandicapte vrouw, twee maanden in coma, nadat een autistische medebewoner haar mishandelde.
Volgens de ouders van Stefanie was er sprake van ’grove nalatigheid’, vanwege „verkeerde huisvesting, een verkeerde samenstelling van de groepen en niet gekwalificeerd personeel”. De directie van ’s Heeren Loo ontkende dat, maar directeur Lydia Helwig Nazarowa bekritiseerde later wel het hulpverlenersteam. Dat was ’heel gesloten’ en ’heel erg met zichzelf bezig in plaats van met de bewoners’."
_____________________________________________________

Ik denk dat de paniekerige, angsthazerige manier waarop er nu met Brandon wordt omgegaan minstens even veel zegt over Brandon zelf als over de ondeskundigheid en het gebrek aan creaviteit van het personeel. Per slot van rekening zijn er ook instellngen in de gehandicaptenzorg die vergelijkbare bewoners op een veel humanere manier behandelen, tot tevredenheid van zowel het personeel als de bewoners en hun ouders. Om met Henk Gemser te spreken: "Dat kan beter!"

vrijdag 14 januari 2011

Mannelijke en vrouwelijke eigenschappen van God en mens

In spirituele kringen wordt af en toe de vraag gesteld waarom vrouwen in het christendom stelselmatig worden ondergewaardeerd t.o.v. mannen. Daarbij worden o.a. Maria en Maria Magdalena genoemd. Hun rol zou zijn onderschat. Ook wordt vaak gesteld dat de leer van het christendom getuigt van minachting jegens vrouwen. Dat is een stelling die een goed antwoord verdient. In hoeverre spelen sekseverschillen een rol in de religie?

In de christelijke traditie bezit God zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen.Vrijwel altijd wordt Hij als een man afgebeeld. Toch moeten we wel bedenken dat we God eigenlijk helemaal niet in een beeld kunnen vangen. Dat betekent ook, dat het beeld van God als een oude man per definitie al gebrekkig of zelfs verkeerd is. God is toch geen bejaarde met een lange baard? Dat traditionele beeld drukt alleen maar uit dat God over gezag beschikt en eerbiedwaardig is. Hij is de onbetwiste autoriteit en schepper van het heelal. Ook drukt dat beeld uit dat Hij een rechter is over levenden en doden, d.w.z. dat Hij staat voor de orde.

Dat laatste betekent trouwens niet dat Hij mensen veroordeelt, maar alleen dat Hij de orde van de kosmos heeft ingesteld, waardoor alle ontwikkeling volgens bepaalde wetten en regels verloopt. Het is dan ook logisch om dat met mannelijke principes te verbinden.

In de bijbel komen we nog veel meer beelden van God tegen. Zo verschijnt God aan Mozes op de berg Sinaï als een oogverblindend licht. In het Nieuwe Testament (I Tim. 6) is sprake van God als iemand die woont in ‘het ontoegankelijke licht’. Op twee plaatsen van het Oude Testament wordt hij geassociëerd met ‘een koelte’ die voorbijtrekt. Dat zijn mystieke beelden die niets met sekseverschillen te maken hebben.

Naast de mannelijke eigenschappen, die vaak aan God worden toegeschreven, bezit Hij ook vrouwelijke kenmerken. Zo heeft Hij het vermogen om de mens geestelijk en lichamelijk te genezen. Mensen die verdriet hebben, worden getroost en bemoedigd. Bij Jezus zien we dat ook heel duidelijk. Hij genas steeds mensen en troostte hen. Ook zat Hij met tollenaars (mensen die als belastingambtenaar voor de Romeinen werkten en daarom werden veracht) aan tafel en zocht Hij bedelaars op. Hij zorgde er zelfs voor dat een menigte van 5.000 mensen te eten kreeg. Allemaal troostende, verzorgende eigenschappen die heel kenmerkend voor Hem waren.

Die eigenschappen heeft Hij nog steeds, want ze behoren tot zijn wezen: God is ook in een aantal opzichten vrouwelijk. Het mannelijke en het vrouwelijke principe behoren tot zijn Geest. Als Hij geen vrouwelijke eigenschappen bezat, hoe had Hij dan ooit vrouwelijke wezens kunnen scheppen? Iets wat zich in geestelijk opzicht niet in Hemzelf bevond, had Hij dan toch nooit buiten zichzelf vorm kunnen geven?

Maria was de lichamelijke moeder van Jezus. Ze heeft Hem ook opgevoed. Dat is een enorme verdienste van haar en mag nooit worden vergeten. Toch zie ik niet in waarom zij – zoals in sommige spirituele kringen gebruikelijk is - op één lijn zou mogen worden gesteld met Jezus.
Ik geloof wel dat Maria een bijzonder zuivere, liefdevolle geest had. Anders zou zij nooit de moeder van Jezus kunnen zijn geweest. Het feit dat zij de fysieke moeder van Jezus was en Hem heeft opgevoed, is m.i. nog geen reden om haar op hetzelfde geestelijke niveau te plaatsen als haar zoon. Maria maakte het mogelijk dat Hij op aarde geboren kon worden en er zijn taak kon verrichten. Ze kon Jezus’ goddelijke persoonlijkheid echter niet bevatten, nóch Hem daarbij werk uit handen nemen.

Ook Maria Magdalena heeft in de geschiedenis van het christendom een belangrijke rol gespeeld. In de traditie werd zij als een hoer afgeschilderd. Misschien is dat waar, maar dat is een beoordeling volgens wereldse normen en maatstaven. Het enige wat bij een mens telt, is zijn hart. De rest is in geestelijk opzicht veel minder belangrijk. En in dat opzicht had zij een hart van goud. Haar liefde voor Hem was ongelofelijk sterk, zelfs zó sterk dat zij de eerste was die Jezus in Zijn opgestane, geestelijke ('verheerlijkte') gestalte mocht zien! Dat was een onvoorstelbaar grote genade. Haar liefde voor Hem had nog een sterk fysiek karakter. Zo omklemde ze zijn voeten toen ze Hem na zijn opstanding had herkend. Jezus corrigeert haar daarop en zegt ‘Noli me tangere’ (Ik wil niet dat je me aanraakt). Nu Hij de dood heeft overwonnen en puur Geest is geworden, zijn sekseverschillen niet belangrijk meer en telt alleen het innerlijk.

In de traditie is het belang van Maria Magdalena’s ontmoeting met Jezus nooit ontkend. Wél heeft men de allereerste, belangrijke vrouwen uit de christelijke gemeenten tekort gedaan door hun rol en positie te marginaliseren. Niet God, maar de mens heeft vrouwen echter ten achter gesteld en hun rol in de geschiedenis van het christendom onderbelicht. God stoort zich immers niet aan menselijke maatstaven en zal nooit minachting opbrengen voor de vrouw en voor vrouwelijke eigenschappen.

Het is niet God, maar de kerkelijke traditie die de vrouw heeft ondergewaardeerd. Denk maar 'es aan de heksenvervolgingen! Ook mochten vrouwen heel lang geen ambten bekleden in de kerk. Zo mocht een vrouw als Anna Maria van Schurman in de 17e eeuw alleen bij de gratie Gods achter een gordijn colleges theologie volgen in Utrecht. Afstuderen kon ze niet, ook al was ze zonder meer geniaal! Later werd zij één van de leiders van de beweging van de 'Labadisten'. In de nieuwe tijd, die op het punt staat om aan te breken - en in zekere zin al aangebroken is - zullen man en vrouw gelijkwaardig zijn aan elkaar. Terecht, als je de geschiedenis bekijkt. Terecht ook, als je kijkt naar de eigenschappen die God Zelf bezit.

Op een hoger, geestelijk niveau tellen sekseverschillen niet meer, maar zijn ze opgenomen in de éénheid van geest, die alle zuivere zielen met elkaar verbindt. In de hemel is het niet van belang of iemand man of vrouw is. Daar wordt gekeken naar het hart en niet naar het uiterlijk.

Sekseverschillen zijn daarom voor mijn gevoel vooral van belang in de materiële wereld. In het hiernamaals telt alleen de innerlijke staat, niet het uiterlijke voorkomen. Sterker nog: het uiterlijk van een geest in het hiernamaals is een zuivere weerspiegeling van het innerlijk. En dat innerlijk wordt bepaald door de staat van liefde voor de ander en voor God. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de verschillen tussen die beide principes steeds minder belangrijk worden naarmate we geestelijk steeds verder rijpen.

In het werk van de ziener, uitvinder en theoloog Emanuel Swedenborg komt een schitterend beeld voor van voleindigde zielen in de hemel. In zijn boek “Hemel en hel” beschrijft hij hoe twee gelukzalige zielen die in de hemel in de echt zijn verbonden, er van een afstand uitzien als één hemelse mens. Alleen als men dichterbij komt, kan men beide zielen van elkaar onderscheiden. Hen helemaal van elkaar scheiden is echter niet mogelijk: geestelijk zijn ze een eenheid geworden.

Treffender kan niet worden uitgedrukt hoe de scheiding tussen de seksen, die bij de val in de materie heeft plaatsgevonden, in de hoogste hemelen weer bijna wordt opgeheven. De cyclus is dan voltooid, de cirkel is weer rond. De mens heeft dan een vrijwel androgyne staat bereikt. Op een hoger niveau is de mens dan opnieuw een zuivere engel geworden, die alle mannelijke en vrouwelijke eigenschappen bezit waarover een vergeestelijkt mens in potentie kan beschikken.

zaterdag 8 januari 2011

Een leven in het verborgene

Met in zijn gang iets plechtstatigs, als van een verbannen keizer die in zijn ballingsoord met een mengeling van trots en weemoed het tableau van zijn roemruchte daden overziet, ijsbeerde hij zijn kamer op en neer. Hij was voor een beter leven geschapen, zoveel was zeker.
De o­nrust in zijn binnenste was zo sterk, dat hij alleen aan zee rust kon vinden. De posters van planeten en verre sterrenwerelden, die aan alle wanden van zijn studeervertrek waren opgehangen, vormden daarvoor slechts een mager surrogaat, een absoluut minimum aan ruimte en weidsheid als tegenwicht voor het gevoel opgesloten te zitten. Maar het was een opgeslotenheid in de wirwar van zijn eigen binnenste, in het verkrampte tasten en zoeken naar iets bruikbaars temidden van alle hele en halve plannen die voortdurend in hem opborrelden.

Niets is vermoeiender, dacht hij, dan de hele dag lanterfanten en doldrieste projecten bedenken waarmee je de mensheid kunt verblijden, zonder ooit een begin te maken met de uitvoering ervan. Je kon nog beter hout gaan sprokkelen in het bos of een partijtje voetballen met de jeugd uit de buurt dan je de hele dag o­nledig houden met fantaseren over de grandioze dingen die je allemaal zou kunnen doen. Wie zo leeft, verdwaalt op den duur onherroepelijk in zijn zelfgeschapen koninkrijk der verbeelding. Na elk niet of maar half uitgevoerd plan wordt de hoop op een echte doorbraak doffer, gaan de sappen langzamer stromen en wordt de blik droef en donker. Een eenzaam wegkwijnen in eigen spelonken is het resultaat, een leven dat moedeloos voortdrijft op de kurk van tranquillizers, voorgeschreven door meelevend kijkende medici met iets sussends in hun stem.

Hij opende een raam en hoorde vanuit de verte het gelach van een groepje mannen. In de tuin van een verre overbuur was een verjaardagsfeestje aan de gang. O­nder een roodwit gestreepte partytent, die vage reminiscenties opriep aan middeleeuwse riddertoernooien, zaten enkele mannen in korte broek, een bierflesje loom in de hand, moppen te tappen. Barbecuegeuren vulden de straat en drongen zijn neusgaten binnen. Vol walging sloot hij daarop het raam. Toch bespeurde hij in zichzelf ook een sprankje jaloezie, de afgunst van de buitenstaander op de anderen die er wél bij horen.

Erg was dat niet. Hij had de afzondering immers welbewust gekozen. In de gewijde stilte van zijn studeervertrek bedreef hij de alchemie van de geest. Aan de hand van karrevrachten boeken over mystiek, spiritualiteit, sterrenkunde, archeologie en bijna-dood-ervaringen trachtte hij de loop van de kosmos, de oorsprong en het doel van het al te doorgronden. Op die eenzame speurtocht was hij al een heel eind gevorderd.

Gedurende de jaren waarin hij een meer actief leven had geleid en zelfs jarenlang met overgave de theologie had bestudeerd, was hij boeken op het spoor gekomen waarin o­ntdekkingen en verborgen samenhangen werden onthuld die zijn stoutste fantasieën van weleer in weidsheid en diepgang hadden overtroffen. Het enige wat hem nu nog o­ntbrak, memoreerde hij, was de vaste wil en het lef om volgens die moeizaam verworven inzichten te leven. Hij had de Ararat van de ziel bestegen en bedwongen. Nu restte hem de opgave om, beladen met al dat geestelijke goud, af te dalen naar het leven van alledag om te beproeven wat die jarenlange eenzaamheid uiteindelijk waard was geweest.

Hij ging achter zijn schrijftafel zitten en knipte de bureaulamp aan die hij nog van zijn vader had geërfd. Eigenlijk was het zijn vader geweest, zo moest hij tegenover zichzelf toegeven, die zijn bestaan als mystieke zoeker mogelijk had gemaakt. Tien jaar geleden was zijn vader gestorven na een leven van hard en verkrampt werken. Een klein vermogen had hij hem nagelaten waardoor elke dwingende reden om te werken was komen te vervallen. In plaats van de bloemetjes buiten te zetten had hij zich echter steeds meer in de leer van de mystieken verdiept. Onverdroten was hij steeds dieper door blijven boren naar de geheimen van het leven, naar doel en zin van zijn eigen bestaan. 'Door de steilten naar de sterren' was zijn devies dat immer in zijn hart geschreven stond. Gewapend met handenvol kennis was hij nu, maar toch bleef het binnenin hem knagen. Eigenlijk zocht hij mensen om zijn zieleroerselen mee te delen, om te vertellen wat hem bewoog en raakte. Groepen had hij opgericht, gespreksgroepen van geestverwanten, eenzame dolers zoals hijzelf, die alles op alles zetten om hun eigen leven en de wereld van de geest in het algemeen te begrijpen.

Jarenlang waren deze kringen bijeen gekomen, meestal in de beslotenheid van zijn eigen huiskamer. Niet alleen om over de eigen ervaringen te praten, maar ook om gezamenlijk spirituele werken te bestuderen die weinig bekendheid genoten, maar desondanks - of misschien juist daarom - vervuld waren van een diepe wijsheid. Een enkele maal was een paragnost uitgenodigd om tijdens zo'n avond het woord te voeren. Ook hadden ze een toneelavond bezocht waarop het leven van de mysticus Johannes van het Kruis werd uitgebeeld.

Maar door animositeit - o­nderlinge ruzies die in achterkamertjes werden uitgevochten - én doordat men na verloop van tijd was uitgepraat, waren deze groepjes op den duur ter ziele gegaan. En zo zat hij weer alleen op zijn zolderkamer en staarde uit over de boze wereld die zichzelf zo slecht begreep.

Het enige dat uit die roerige periode van studeren en discussiëren overgebleven was, was het schrijven. Als hij daar de tijd en de rust voor vond, schreef hij korte verhalen en artikelen. Ook recenseerde hij af en toe nieuwe uitgaven op spiritueel gebied. Dat gaf hem een diepe bevrediging. Je kon daardoor immers een groot publiek kennis laten maken met boeken die niet alleen vragen opriepen, maar ook echte antwoorden gaven op de raadsels van het menselijk bestaan, zoals de fascinerende vraag naar het leven na de dood.Zijn belangrijkste bezigheid bestond echter uit het vertalen van boeken van mystici, evenals het corrigeren van de ruwe vertalingen die door anderen waren opgesteld. Taai en moeizaam werk was dat, monnikenwerk zou je wel mogen zeggen. Toch gaf hem dat voldoening, omdat het tegemoet kwam aan zijn behoefte om mee te helpen bij de verspreiding van diepe geestelijke wijsheid. Daardoor kon hij ook het geduld opbengen om maanden achtereen aan één en hetzelfde boek te blijven werken. Bovendien vulde het een deel van de eenzaamheid op die hem als een taaie compaan vergezelde. Hij had, zo besloot hij, toch wat meer mensen om zich heen nodig om zich werkelijk gelukkig te kunnen voelen.

Hij knipte zijn bureaulamp uit en sorteerde de paperassen die voor hem lagen. Met het vaste voornemen zich wat meer onder de mensen te begeven kroop hij even later o­nder de wol. Al gauw sluimerde hij in.

Het feest bij de overburen was afgelopen. Er klonk zacht gerinkel en een enkele verwensing toen de bierflesjes bij elkaar werden geraapt. De witte tuinstoelen werden op elkaar gestapeld. Maar dat hoorde hij allang niet meer. Kalm lag hij op zijn rechterzij en gleed weg in de donzen stilte van de nacht.

Zijn wij goden?

Steeds vaker hoor ik de laatste tijd mensen zeggen dat we al goden zouden zijn en dat we alleen nog maar het goede en het goddelijke in onszelf hoeven te ontdekken om gelukkig te worden. Soms beschouwen ze dat als dé ontdekking van hun leven en putten zij er tijdelijk veel inspiratie uit. Maar beseffen deze mensen eigenlijk wel waarover ze het hebben?

We weten allemaal dat de geestelijke weg er één is van twijfels, aanvechtingen en verzoekingen - hoe we dat ook verder willen noemen. We gaan allemaal van tijd tot tijd door perioden van angst, onzekerheid en moedeloosheid. Die aanvechtingen worden vaak alleen maar erger als je probeert om ernst te maken met je geloof. Daardoor verander je geleidelijk van binnen. We kunnen immers niet in alle opzichten dezelfde blijven als we oprecht proberen om wijzer en liefdevoller te worden tegenover God, tegenover anderen en tegenover onszelf. Al vechtend en worstelend komen we taaie weerstanden tegen, zowel in onszelf als in de buitenwereld. Daarbij zullen we ook nog vaak ontdekken dat die obstakels in de buitenwereld hard nodig zijn om de zwakten in onszelf aan het licht te brengen, zodat we ze met vallen en opstaan kunnen overwinnen. Wie dergelijke ervaringen opdoet, beseft ook dat hij er álles voor op het spel moet zetten om Jezus echt na te volgen.

Wat zei Hij immers? Hij zei: "Neem je kruis op en volg mij!" Beseffen we eigenlijk wel wat dat betekent? Betekent dat soms, dat we achterover kunnen leunen in het veilige besef dat we er al zouden zijn? Wáár zouden we dan al zijn zónder die navolging? In het 'goddelijke' misschien? Wélk goddelijke? Zijn we dan al 'goden'? Wie zichzelf en zijn binnenste ook maar bij benádering kent, weet dat we volstrekt geen goden zijn, eerder halflichte en halfdonkere creaturen, maar zeker geen lieverdjes!

Wie geen perioden van vertwijfeling, aanvechting en wanhoop heeft gekend, weet niet waarover hij praat als het om de innerlijke loutering gaat. Dan besef je ook dat het volledig waar is wat de mystieken schreven over 'de innerlijke burcht' en over de monsters en peilloos diepe angsten die je tegenkomt op je tocht door het schimmenrijk van het innerlijk. Dat is geen kleinigheid meer. Het is als een tocht door de hel of het louteringsvuur. We komen onszelf daarbij tegen, met alle licht- en schaduwzijden die het menszijn inhoudt. Dan gaan we door de afgronden van het innerlijk - zoekend, tastend, voetje voor voetje. En aan al die mooie boeken die je vòòr die tijd gelezen hebt, heb je dan ongelofelijk weinig meer! Je zult het dan met jezelf en je eigen schaduw moeten uitvechten.

Dát is de leegte, de 'naaktheid', waarin we allemaal ooit komen te staan, of we dat nu willen of niet. Dan maakt het ook helemaal niets meer uit wat we op aarde zijn of waren: arm of rijk, jong of oud, belezen of niet - al die dingen maken dan geen enkel verschil. Want op het innerlijk komt het aan als ons al het uiterlijke uit handen is geslagen. Wie dan overeind blijft, is door geen macht in de buitenwereld meer te verslaan.

Is dat niet wat Jezus bedoelde toen hij zei: "Wie zichzelf overwint, is sterker dan hij, die een stad inneemt"? Wie zijn schaduw overwint, heeft alles al overwonnen. De rest wordt ons geschonken. Dán pas zullen we de hemel bereiken - of dat nu al op aarde is, of in het hiernamaals maakt geen verschil. De hemel verschijnt waar we onszelf de baas zijn geworden door Christus in ons toe te laten. Dat is geen gemakkelijk weg. Het is een weg waarbij we af en toe diep verdeemoedigd zullen worden. Maar er is géén echte geestelijke weg zónder zelfverloochening, zoals er geen echte diamant is zonder dat 'ie eerst aan alle kanten glad wordt geslepen.

De vraag is alleen of we dat ook werkelijk wíllen. Wíllen we dat, of willen we liever veilig aan de kant blijven staan, wegdromend in onze eigen fantasieën, techniekjes, voorwerpen, rituelen en andere uiterlijkheden, die ons nooit verder zullen brengen?

Ten diepste zouden we het wel willen, maar... En dan komen er allerlei tegenwerpingen, smoesjes, kletspraatjes. Gewoon omdat we bang zijn. Bang om het diepe in te gaan. Bang om af te gaan. Bang om te worden uitgelachen, uitgestoten, vernederd. Want we zijn praktisch allemaal bang, laf en klein als ons gevraagd wordt Christus na te volgen. Wie zegt, dat hij of zij Christus zonder problemen durft te volgen in Gethsemane, is een leugenaar of geestelijk verblind.

Ook ikzelf ken die angsten, die worsteling. In feite praat ik net zo hard tegen mezelf. Maar laten we er geen doekjes om winden: de geestelijke weg en de navolging van Christus is een bloedserieuze zaak. Zonder de inzet van onze hele persoon, onze ziel en zaligheid, zal dat nooit lukken. Godzijdank staan we er niet alleen voor.

dinsdag 21 december 2010

Hoe kritisch mogen we staan t.o.v. het Lorberwerk en t.o.v. doorgevingen in het algemeen?

Op 6 april dit jaar publiceerde ik op nieuweopenbaring.nl een artikel met de titel “De verschillen tussen de kosmologie van Lorber en de moderne sterrenkunde”. Het is te vinden op deze pagina. Verschillende mensen hebben mij hierover benaderd, zowel telefonisch als per email. Enkele reacties waren nogal kritisch, andere begripvol of neutraal. Omdat het sommigen niet duidelijk is waarom ik het heb geschreven en hoe ik nu tegenover het Lorberwerk sta, lijkt het mij goed nog eens uit te leggen wat mijn motieven waren om het te schrijven en welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld. Om het thematisch te ordenen geef ik hieronder antwoord op enkele karakteristieke vragen die bij die contacten regelmatig aan mij werden gesteld.

Heeft Lorber zijn beschrijvingen over de kosmos zelf verzonnen?

In het artikel schrijf ik dat Lorber, die zelf amateurastronoom was, het verlangen moet hebben gehad om het heelal te ontdekken en te beschrijven. Dat lijkt me een redelijke aanname. Dat betekent niet automatisch dat hij de boeken en hoofdstukken over de kosmos zelf heeft verzonnen, maar wél dat door dat verlangen er vervormingen kunnen zijn opgetreden in de mededelingen die hij over de kosmos kreeg. Er kunnen zich andere geesten hebben gemeld toen hij een beschrijving gaf van het heelal, óf hij heeft misschien – zonder het te weten en te willen, dus te goeder trouw – ook af en toe dingen beschreven vanuit zijn eigen geest. Dat er variaties zijn in de zuiverheid en concentratiegraad tijdens het schrijven d.m.v. het innerlijke woord staat m.i. buiten kijf. Anders kan ik ook niet verklaren waarom Lorber in het ‘aanhangsel’ van Aarde & Maan zeer veroordelende uitspraken doet over enkele volkeren. Dergelijke teksten zijn voor mijn gevoel niet zuiver.
Verder krijg ik de indruk dat hij zich onvoldoende realiseerde dat het niet zijn taak was om een compleet beeld te schetsen van het heelal, maar dat het erom ging de essentie van het christendom, zoals Jezus ons leerde, weer te geven in het GJE. Dat heeft m.i. ook meegespeeld toen hij een beschrijving gaf van de kosmos die voor een deel onjuist was.

Ver voor Lorber waren er trouwens al mensen als de sterrenkundige William Herschel (zie de link naar de Wikipediapagina over hem) die beseften dat de zon onderdeel is van een groot sterrenstelsel. William Herschel publiceerde daarover een boek in 1785, “On the Construction of the Heavens”. Hij was het, die ook al ver vòòr Lorber veronderstelde dat er onder de fotosfeer van de zon leven mogelijk is. In die zin was Lorber dus niet uniek, hoewel dat – ten onrechte – in Lorberkringen vaak wel wordt verondersteld.

Kunnen de gevonden verschillen tussen het wereldbeeld van Lorber en dat van hedendaagse sterrenkundigen mischien verklaard worden doordat Lorber het heelal op een andere frequentie beschrijft?
Lorber beschrijft het leven op de andere planeten van ons zonnestelsel tot in detail, inclusief de flora en fauna. Problematisch is daarbij dat er nog nooit leven op die planeten is waargenomen, ook niet door Europese en Amerikaanse ruimteverkenners zoals de Spirit en de Opportunity die op Mars zijn geland en heel lang ter plaatse waarnemingen hebben verricht. Dat doet de vraag rijzen of dat leven er wel is. Volgens de huidige kennis van die planeten is het er niet en zijn er ook geen condities aanwezig die leven mogelijk maken. Merkwaardig genoeg vermoedt men dat in ons zonnestelsel alleen leven voorkomt op de Jupitermaan Europa en de Saturnusmaan Titan.
Lorber maakt echter melding van zo’n uitgebreide planten- en dierenwereld op de planeten, dat we er iets van hadden moeten merken, zeker op Mars. Een aanwijzing in het Lorberwerk zelf zou kunnen zijn dat de lichamen van de mensen en andere levende wezens op die werelden volgens hem van een fijnere substantie zijn dan op aarde, waar de materie haar grootste dichtheidsgraad heeft bereikt.
Materie van een ijlere samenstelling dan we nu kennen is zeker niet onmogelijk. Dat verklaart echter niet de vaak gigantische verschillen die we aantreffen als we de groottes en afstanden van planeten en sterren, zoals sterrenkundigen die kunnen meten, vergelijken met de waarden die Jakob Lorber daarvoor opgeeft. Als de afstand die Lorber bv. noemt voor de ster Sirius - enkele duizenden lichtjaren – betrekking heeft op de ster Sirius op een andere frequentie dan de grofstoffelijke, dan moet de grofstoffelijke gedaante van die ster óók op diezelfde afstand staan. We kunnen hemellichamen immers op verschillende golflengten waarnemen – t.w. het zichtbare licht, het infrarood, het ultraviolet, op de frequentie van gammastraling en van röntgenstralling – maar op alle golflengten staat het bewuste object op dezelfde afstand van de aarde.
Daaruit volgt dat de bewering die je in Lorberkringen vaak hoort, nl. dat de door Lorber genoemde groottes en afstanden van hemellichamen niet overeenkomen met de waarden die sterrenkundigen noemen omdat Lorber het heelal op een andere frequentie beschrijft, naar het rijk der fabelen kan worden verwezen. Het waarnemen van het heelal op andere frequenties heeft immer nooit tot gevolg dat daardoor opeens de groottes en afstanden van de waargenomen objecten veranderen. We kunnen dat dus volledig als verklaringsgrond voor de gevonden verschillen uitsluiten. Wie Sirius waarneemt in zichtbaar licht, ziet die ster op een afstand van 8,6 lichtjaren staan. Maar ook als we hem waarnemen in het infrarood of desnoods op radiogolflengten, blijft zijn afstand tot de aarde onveranderd 8,6 lichtjaren.

Een ander, aanvullend argument waaruit blijkt dat Lorber in zijn natuurkundige werken wel degelijk het materiële heelal beschrijft, is het feit dat hij het over concrete, stoffelijke planeten heeft waarop organisch leven voorkomt. De afstandsopgaven van Lorber moeten daarom overeenkomen met wat door sterrenkundigen in zichtbaar licht gemeten kan worden. Jammer genoeg blijkt dan vaak dat de waarden die Lorber noemt meestal niet kloppen. T.a.v. de groottes en afstanden van de sterren blijkt zelfs dat Lorber er gigantisch naast zit. Daaruit blijkt dat er structurele fouten kunnen worden aangewezen in het beeld, dat Lorber van het heelal schetst.

De Heer schrijft toch via Lorber dat geopenbaarde waarheden in de ogen van de wereld dwaas zijn?

Er bestaan verschillende hoofdstukken en alinea’s in het Lorberwerk waarin wordt geschreven dat het Lorberwerk dwaasheid is voor het wereldse verstand en dat je alles vanuit de geest moet bekijken. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de hoofdstukken die Lorber wijdt aan de natuurlijke kosmos en de aarde – teksten die dus gaan over de fysieke natuur – wel degelijk op hun juistheid en betrouwbaarheid mogen worden getoest, zeker waar het gaat om de natuur waarvan wordt vermeld dat ze met fysieke ogen waarneembaar is. Als Lorber bv. in “Aarde en Maan” beweert, dat je vanuit het laagland (vanaf het zeeniveau) beter sterren kunt kijken dan in het hooggebergte omdat de atmosfeer zou werken als een lens, dan is dat gewoon onzin. De praktijk wijst immers anders uit. De atmosfeer werkt niet als een lens, maar als een krachtig filter dat beelden van objecten uit het heelal vertroebelt en verzwakt. Hoe dichter je je bij het zeeniveau bevindt, des te meer heb je last van lichtverzwakking.
Als Lorber aantoonbare onjuistheden vermeldt in zijn werk, voel ik me niet gehouden aan waarschuwingen waarin de lezer op het hart wordt gebonden om zijn verstand niet te gebruiken bij het lezen en beoordelen van die teksten. Dergelijke waarschuwingen in combinatie met beweringen, waarvan kan worden aangetoond dat ze feitelijke onjuistheden bevatten, roepen integendeel juist mijn wantrouwen op.

Het gebruik van de rede om het heelal te onderzoeken is m.i. niet verkeerd. Het heelal benader ik vaak heel intuïtief; ik heb er bv. ook korte verhalen over geschreven waarin ik het heelal beschrijf en ervaar als Gods schepping. Als we de structuur ervan willen kennen, is de astronomie echter een goed hulpmiddel. De afstandsbepaling tot sterren als bv. Sirius en Regulus (in het Lorberwerk ‘Urka’=oercentraalzon genoemd) met de beproefde methode van de parallaxmeting (zie de link) laat zien dat Lorber de afstand tot deze twee sterren volkomen verkeerd heeft ingeschat. Uit het Lorberwerk zelf vallen deze enorme verschillen tussen de reëel waargenomen en de door Lorber opgegeven waarden niet te verklaren. De opmerking dat we dit vooral ‘geestelijk’ moeten zien, verklaart op zichzelf helemaal niets.

Wat ontbreekt is een helder concept waarmee de gevonden verschillen tussen de door sterrenkundigen waargenomen en de door Lorber beschreven structuur van het heelal vanuit een geestelijk perspectief kunnen worden verklaard. Dat geldt temeer omdat Lorber hier de natuurlijke (= fysieke) kosmos beschrijft. Naar een dergelijke vertaalsleutel heb ik jaren gezocht, maar op geen enkele manier heb ik hem kunnen vinden. Hierover heb ik zelfs uitgebreid gecorrespondeerd met Duitse kenners op natuur- en sterrenkundig gebied; ook zij konden mij geen uitsluitsel geven. In feite kreeg ik van hen te horen dat ik allerlei dingen voetstoots, zonder kritische toetsing, moest aannemen – wat natuurlijk niets oplost en een zwaktebod is. Ik kan dan ook alleen maar concluderen dat Lorber er op verschillende punten in zijn beschrijving van de kosmos behoorlijk naast zat.

Zijn niet alleen de Lorberboeken over de kosmos fout, maar ook de mededelingen in het Grote Johannes Evangelie over de kosmos?

Ik geloof niet dat Lorber bewust op eigen houtje is gaan schrijven over de kosmos, maar wél dat zijn verlangen om het heelal te leren kennen er wellicht voor heeft gezorgd dat er vervormingen zijn opgetreden in de boodschappen die hij over het heelal en de aarde ontving. Andere geesten kunnen hem tijdens het schrijven hebben geïnspireerd. Dat is een vermoeden. Ik zoek naar verklaringen voor de gevonden onjuistheden in het Lorberwerk en opper dan o.a. dat zijn verlangen misschien te sterk was. Uit deel 2 van “Van de hel tot de hemel” is bekend dat Lorber zijn boodschappen niet van de Heer Zelf ontving, maar van een engel die hem dicteerde in opdracht van de Heer. Andere geesten kunnen hem misschien hebben gedicteerd toen hij over de kosmos schreef. Dat blijft uiteraard speculatief.
Het is waar dat ook in het GJE mededelingen over de kosmos staan, die in boeken als “De natuurlijke zon” nader worden uitgewerkt en door mij als foutief worden beoordeeld. Ook over Egypte heb ik verschillende onjuistheden aangetroffen, bv. over de ‘Shivinz’, de veronderstelde bouwer van de sfinx. Daarom heb ik in mijn artikel ook geschreven: “Het werk van deze mysticus en o­ntvanger van het innerlijke woord is m.i. van grote waarde, maar dan met name waar het gaat om het Grote Johannes Evangelie en andere werken waarin de essentie van het christendom wordt beschreven.”

De essentie van het christendom is volgens Lorber de weg tot geestelijke wedergeboorte, zoals Jezus ons in het GJE heeft uitgelegd: de mens moet tijdens dit leven leren om zijn ziel te verbinden met zijn geest, zodat ze een eenheid gaan vormen; de ziel moet zich niet richten op het lichaam en lichamelijke verlangens. Dat kan ik volledig onderschrijven. Dat houdt trouwens niet in dat de mens zijn verstand dan maar moet begraven, maar dat hoofd en hart moeten samenwerken volgens het principe “Onderzoek alles, maar behoud het goede”.
Volgens Mayerhofer (in “Predikingen van de Heer”) wordt de astronomie als wetenschap door de Heer Zelf gestimuleerd om de mens zijn nietigheid t.o.v. het enorme heelal te doen beseffen. Hoe verhoudt een dergelijke markante uitspraak zich tot uitspraken van Lorber, waarin het wereldse verstand (ook van geleerden) voortdurend als waardeloos en verwarrend wordt afgeschilderd?

Waarom de beschrijvingen van Lorber over verschillende onderwerpen opvallende fouten vertonen, is mij ook niet helemaal duidelijk, al heb ik mijn vermoedens hierover. In mijn artikel heb ik maar een deel van die onjuistheden vermeld; ik ben er veel meer op het spoor gekomen. Zo heeft Mars wel degelijk (twee) manen, nl. Phobos en Deimos, ook al beweert Lorber in “De Natuurlijke Zon” dat Mars geen manen bezit. Neptunus zou volgens Lorber ook ‘Mondsmonde’ (satellietmaantjes) hebben, maar die zijn nooit waargenomen, zelfs niet met camera’s aan boord van de Voyager die zeer scherpe opnamen konden maken. (Zie blz. 253-255 van “Die natürliche Sonne”, Duitse uitgave). De lijst is nog veel langer, maar ik moest me in mijn artikel beperken tot de meest in het oog lopende verschillen.

Twijfel ik hiermee nu aan de betrouwbaarheid van het hele Lorberwerk?

Ik onderschrijf de essentie van het christendom, zoals geformuleerd in het GJE, nl. dat het erom gaat tijdens dit leven ziel en geest met elkaar te verbinden. Ook de grondgedachte dat het fysieke heelal ontstaan is uit de ziel van Lucifer, onderschrijf ik; ik vind die gedachte magnifiek omdat ze het ontstaan van het fysieke heelal weergaloos helder verklaart.
Dat ik sommige elementen van het Lorberwerk niet wezenlijk of foutief vind, is juist. Een verkeerd beeld van de kosmos heeft m.i. echter geen invloed op die geestelijke kern. Per saldo maakt het niet zo veel uit hoe het heelal er exact uitziet; ik constateer alleen dat Lorber in sommige opzichten ernaast zit, meer niet. Dat dat sommige lezers aan het twijfelen kan brengen, is best mogelijk. Ik vind dat trouwens geen argument om die gevonden verschillen dan maar niet te vermelden en systematisch te belichten.

Heeft het verstandsdenken in deze kritiek de overhand gekregen boven het hart?

Voor mij is het Lorberwerk niet boven alle kritiek verheven, zeker niet als aangetoond kan worden dat sommige dingen niet kloppen met wat men op een controleerbare manier kan waarnemen. Een kritische toetsing van de Lorberteksten is per definitie nog geen uiting van ongeloof en plat verstandsdenken. Ook het Lorberwerk mag immers kritisch onderzocht worden. De integriteit van Lorber trek ik ook niet in twijfel. Ongetwijfeld heeft Lorber naar beste eer en geweten gehandeld. Ik constateer echter dat hij desondanks fouten heeft gemaakt. Ik handel ook naar beste eer en geweten. Wat ik wil voorkomen is, dat het hele Lorberwerk op den duur ongeloofwaardig wordt doordat evidente fouten worden verdonkeremaand en stelselmatig ontkend. Ik denk dat het goed is om die fouten aan te wijzen, zodat de kern van het Lorberwerk bewaard kan blijven.

Staan er meer fouten in het Lorberwerk dan alleen over de aarde en de kosmos?

Omdat dat land mij sterk interesseert, heb ik verschillende dingen, die Lorber beweert over de Oud-Egyptische cultuur en architectuur, gecontroleerd aan de hand van boeken van Egyptologen. Zo kreeg ik een paar jaar geleden het boek "De schatten van de piramiden" cadeau. Hoewel de ietwat glossy titel anders doet vermoeden, is het een boek dat helemaal door Egyptologen is geschreven. Dit boek, dat in het Engels verscheen in 2003 en een jaar later in een Nederlandse vertaling uitkwam, bevat de nieuwste inzichten over de Egyptische piramiden. Uiteraard is er ook een hoofdstuk ingeruimd voor een beschrijving van de sfinx.
Ik was benieuwd welke farao volgens Egyptologen de sfinx moet hebben gebouwd. De geleerden zijn hierin eenduidig: dat moet farao Chefren zijn geweest. Hij was één van de jongere zonen van farao Cheops, de bouwer van de grote piramide.
Op pag. 177 van "Schatten van de piramiden" staat in de 3e kolom:"Wie heeft de sfinx gebouwd? De stenen basis, de monumentale architectuur en de geschiedenis van de steengroeve op het terrein van de sfinx wijzen naar Chefren als de bouwer van de sfinx". Ter verduidelijking staat hier nog o.a. bij dat veel steenblokken van de sfinx van exact dezelfde makelij zijn als de steenblokken in de piramide van Chefren.
Nu is er etymologisch met dit woord niet zo veel aan de hand. 'Che - fren' heeft ongeveer dezelfde cadans als 'Shi - vinz'. De klinkers zijn voor de etymologie niet zo belangrijk, medeklinkers wel. Dan houden we als 'geraamte' over Ch - frn en Sh vnz. De Ch en de Sh worden op dezelfde manier uitgesproken, terwijl de f en de v heel nauw aan elkaar verwant zijn. Die twee namen zouden dus heel goed op dezelfde persoon kunnen slaan.
Problematisch is echter wel, dat in het Lorberwerk wordt gesteld dat Shivinz (aangenomen dat we hem mogen identificeren met Chrefren) de bouwer van de eerste piramide zou zijn, terwijl Chefren beslist niet de eerste Egyptische piramide bouwde. In feite komen piramiden ook niet zomaar uit de lucht vallen, maar was er al eeuwen een geleidelijke ontwikkeling gaande waarbij men steeds meer zgn. mastaba's op elkaar ging stapelen, totdat men er uiteindelijk dekplaten omheen bouwde. Ook met de hellingshoek heeft men een tijdlang geëxperimenteerd, waardoor sommige piramides instortten. Dat zijn algemeen bekende feiten die iedereen desgewenst kan controleren. Er bestaat m.i. dan ook geen reden om geloof te blijven hechten aan de doorgevingen die Lorber over de geschiedenis van het Oude Egypte ontving. Meer info hierover is op deze pagina te vinden.
Zowel in kosmisch als in geschiedkundig opzicht rammelt het Lorberwerk dus nogal. Dat neemt echter niet weg dat ik de kern van het Lorberwerk, nl. de leer van de liefde die God voor de mensen voelt, wél zuiver vind. Het GJE is voor mijn gevoel het meest zuivere deel van het Lorberwerk, hoewel ook daar al fouten en tegenstrijdigheden in voorkomen.
T.a.v. openbaringen geldt, dat je altijd zelf moet blijven nadenken en nooit en te nimmer iets klakkeloos moet aannemen alleen omdat het afkomstig is van een schrijver van wie wordt beweerd dat hij goddelijke openbaringen ontving. Persoonlijke en tijd- en cultuurgebonden elementen spelen altijd een rol mee in het werk van elke mysticus en religieuze auteur. Het is dus altijd oppassen geblazen bij het lezen van doorgegeven teksten. Ik heb ook wel 'es gedacht dat teksten, die ik persoonlijk ontving, uit een zuivere bron afkomstig waren - totdat ik tot de ontdekking kwam dat ik me had vergist. Je kunt dus niet alles zomaar geloven. Toets daarom alles aan je eigen hart en neem nóóit iets aan wat tegen je gevoel en je verstand indruist - dat is de veiligste en meest zeker manier om met dergelijke teksten om te gaan.

Brengt deze kritiek andere Lorberlezers van het geloof in de authenticiteit van deze boeken af?

Het Lorberwerk is niet boven alle kritiek verheven, maar mag vrijelijk en kritisch worden onderzocht. Het verstand mag daarbij worden gebruikt, zeker wanneer dat gebeurt door iemand die Jezus als Zijn redder erkent.

Het verwerpen van delen of zelfs het geheel van het Lorberwerk is niet identiek aan het verwerpen van het christendom. Ik accepteer bepaalde elementen van het Lorberwerk niet, maar dat heeft geen invloed op mijn geloof in Jezus. Bovendien zijn er veel meer mystici die ook authentieke doorgevingen hebben ontvangen. Zij geven het leven van Jezus en belangrijke personen uit de Bijbel vaak op een andere manier weer dan Jakob Lorber. Mogen we daarom zeggen dat zij geen echte christenen waren, of zelfs dat ze door de duivel werden beïnvloed? Zeker niet! Zo lang zij de kern van het christendom geen geweld aandoen en de kerk in het midden van het dorp laten, bestaat er geen reden om bij voorbaat aan hun authenticiteit te twijfelen, al zullen we ook dan hoofd en hart moeten gebruiken om hun werk te beoordelen.
Zelfs in het Swedenborgwerk komen mededelingen over de kosmos voor, die “De natuurlijke zon” tegenspreken. Wie dat wil, leest het boek “Over de aardbollen in ons zonnestelsel” van Swedenborg er maar eens op na. Daarom hecht ik ook niet zo’n absolute, unieke en allesovertreffende waarde aan het werk van één enkele profeet of mysticus. Per slot van rekening is het geloof een zaak van het eigen hart en is boekenkennis alleen maar een middel om Jezus via het eigen hart beter te leren kennen. Het ene boek is daarvoor wat geschikter dan het andere, maar ook niet meer dan dat.


Hendrik, 20 december 2010.

vrijdag 10 december 2010

Pas op voor fundamentalisme en dogmatisme in de omgang met doorgegeven teksten!

Volgens de mysticus Jakob Lorber is de sfinx gebouwd door dezelfde farao die ook de eerste Egyptische piramide heeft laten bouwen. Historisch gezien klopt dit niet. De sfinx is nl. tot stand gekomen in de regeringsperiode van Chefren, één van de zonen van farao Cheops, de bouwer van de grote piramide van Gizeh. Vòòr hem werden al generaties lang piramiden gebouwd. Dit is één van de vele missers in de passages van het Lorberwerk die over het Oude Egypte gaan.

Fundamentalisme, in die zin dat men alles wat de musicus en mysticus Jakob Lorber (1800-1864) heeft geschreven letterlijk als het woord van God beschouwt waaraan op geen enkele manier mag worden getornd, komt onder de lezers van zijn boeken beslist voor. Er zijn groepjes en individuen die zo met de Lorberboeken omgaan. Het gevaar bestaat natuurlijk dat men zijn werk daardoor verabsoluteert. Kritiek op Lorber wordt dan gelijkgesteld aan kritiek op God. Als je bv. twijfelt aan de juistheid van het beeld dat Lorber schetst van het heelal, zou je gewoon niet hard genoeg geloven, ook al staan er bv. dingen in "De Natuurlijke Zon" en "Aarde en Maan" waarvan glashard kan worden aangetoond dat ze niet kloppen.
Ik denk dat het goed is dat binnen Lorberkringen véél meer wordt nagedacht over het karakter van de goddelijke openbaring. Hoe komen doorgevingen en openbaringen d.m.v. het innerlijke woord tot stand? In hoeverre speelt de persoon van de schrijver die de openbaring ontvangt, een rol bij de vormgeving en totstandkoming van het werk? Hoe is het mogelijk dat mensen, die allemaal beweren dat ze hun openbaringen van God of van de engelen hebben ontvangen, vaak met heel tegenstrijdige verhalen naar buiten komen? Deugt de één dan wel en de ander niet, óf zijn er misschien gradaties in het gehalte en de zuiverheid van die openbaringen? Waaraan kunnen we herkennen of een doorgeving zuiver is of niet? Welke criteria zijn daarvoor?

Het is m.i. onmogelijk dat we de persoon van de schrijver volledig buiten beschouwing laten. Ook de tijd en de cultuur waarbinnen een openbaring wordt ontvangen, spelen beslist een rol. Zelfs de Duitse uitgever van de Lorberboeken, Manuel Zluhan, heeft al jaren geleden die conclusie getrokken. Hij gelooft dat er ook in het Lorberwerk verschillende dingen staan, die niet juist zijn en die we gerust kunnen negeren. Iedereen zal zélf moeten bepalen wat hij gelooft en wat niet voor hem of haar van toepassing is.

Om een paar dingen te noemen:
- Lorber beweert in "Aarde en Maan" dat er aan de noord- en de zuidpool een trechtervorminge opening zit van een paar honderd kilometer. Toch kun je gewoon met een onderzeeër onder de geografische noordpool doorvaren. Die opening is er dus gewoon niet.
- De door Jakob Lorber vermelde afstanden en groottes van hemellichamen in het zonnestelsel kloppen voor een heel groot deel niet. Dat kan gemakkelijk aangetoond worden.
- Volgens Jakob Lorber sterft een mens als zijn kleinste hartkamertje wordt vernietigd. Toch zijn er verschillende mensen die een harttransplantatie hebben ondergaan en van wie dus het hartkamertje is afgestorven; ze konden daarna nog jaren leven.
Zo kan ik nog wel een hele tijd doorgaan. De Lorberiaanse etymologie (de manier waarop woorden worden herleid tot de taal waarin ze het eerst werden gebruikt) rammelt voor mijn gevoel aan alle kanten. De geschiedenis van Egypte wordt ook niet goed weergegeven. Omdat dat land mij sterk interesseert, heb ik verschillende dingen, die Lorber beweert over de Oud-Egyptische cultuur en architectuur, gecontroleerd aan de hand van boeken van Egyptologen.
Een paar jaar geleden kreeg ik het boek "De schatten van de piramiden" cadeau. Hoewel de ietwat glossy titel anders doet vermoeden, is het een boek dat helemaal door Egyptologen is geschreven. Dit boek, dat in het Engels verscheen in 2003 en een jaar later in een Nederlandse vertaling uitkwam, bevat de nieuwste inzichten over de Egyptische piramiden. Uiteraard is er ook een hoofdstuk ingeruimd voor een beschrijving van de sfinx.
Ik was benieuwd welke farao volgens Egyptologen de sfinx moet hebben gebouwd. De geleerden zijn hierin eenduidig: dat moet farao Chefren zijn geweest. Hij was één van de jongere zonen van farao Cheops, de bouwer van de grote piramide.
Op pag. 177 van "Schatten van de piramiden" staat in de 3e kolom:

"Wie heeft de sfinx gebouwd? De stenen basis, de monumentale architectuur en de geschiedenis van de steengroeve op het terrein van de sfinx wijzen naar Chefren als de bouwer van de sfinx". Ter verduidelijking staat hier nog o.a. bij dat veel steenblokken van de sfinx van exact dezelfde makelij zijn als de steenblokken in de piramide van Chefren.

Nu is er etymologisch met dit woord niet zo veel aan de hand. 'Che - fren' heeft ongeveer dezelfde cadans als 'Shi - vinz'. De vocalen zijn voor de etymologie niet zo belangrijk, consonanten wel. Dan houden we als 'geraamte' over Ch - frn en Sh vnz. De Ch en de Sh worden op dezelfde manier uitgesproken, terwijl de f en de v heel nauw aan elkaar verwant zijn. Die twee namen zouden dus heel goed op dezelfde persoon kunnen slaan.

Problematisch is echter wel, dat in het Lorberwerk wordt gesteld dat Shivinz (aangenomen dat we hem mogen identificeren met Chrefren) de bouwer van de eerste piramide zou zijn, terwijl Chefren beslist niet de eerste Egyptische piramide bouwde. In feite komen piramiden ook niet zomaar uit de lucht vallen. Er was al eeuwen een geleidelijke ontwikkeling gaande, waarbij men steeds meer zgn. mastaba's op elkaar ging stapelen, totdat men er uiteindelijk dekplaten omheen bouwde. Ook met de hellingshoek heeft men een tijdlang geëxperimenteerd, waardoor sommige piramides instortten.

Zowel in kosmisch als in geschiedkundig opzicht rammelt het Lorberwerk dus nogal. Dat neemt echter niet weg dat ik de kern van het Lorberwerk, nl. de leer van de liefde die God voor de mensen voelt, wél zuiver vind. Het GJE is voor mijn gevoel het meest zuivere deel van het Lorberwerk, hoewel ook daar al fouten en tegenstrijdigheden in voorkomen.

Jammer genoeg bestaan er dogmatische Lorberlezers, die geneigd zijn om anderen met Lorberteksten om de oren te slaan. Een deel van de Lorbervrienden heeft daar inderdaad een handje van. Ik heb ook al verschillende keren Bijbel- en Lorberteksten in mijn mailbox aangetroffen omdat iemand het niet eens was met iets wat ik had geschreven of met een lezing die ik had georganiseerd. Het zijn met name zulke lezers die het Lorberwerk bij de buitenwacht een slechte naam bezorgen. Meestal zijn dat oudere Lorberlezers, die die boeken al 10 jaar of langer lezen en daaraan het recht ontlenen om anderen ermee om de oren te slaan.

Al met al vind ik het schrijnend dat er beslist fundamentalisme onder Lorberlezers voorkomt. Ik schat dat zo'n 20-30% van de lezers een fundamentalistische instelling heeft. De kern van het Lorberwerk, het Grote Johannes Evangelie, is voor mijn gevoel echter wel grotendeels zuiver omdat ik er de goddelijke liefde in herken.
T.a.v. openbaringen geldt, dat je altijd zelf moet blijven nadenken en nooit en te nimmer iets klakkeloos moet aannemen alleen omdat het afkomstig is van een schrijver van wie wordt beweerd dat hij goddelijke openbaringen ontving. Persoonlijke en tijd- en cultuurgebonden elementen spelen altijd een rol mee in het werk van elke mysticus en religieuze auteur. Het is dus altijd oppassen geblazen bij het lezen van doorgegeven teksten. Ik heb ook wel 'es gedacht dat teksten, die ik persoonlijk ontving, uit een zuivere bron afkomstig waren - totdat ik tot de ontdekking kwam dat ik me had vergist. Je kunt dus niet alles zomaar geloven. Toets daarom alles aan je eigen hart en neem nóóit iets aan wat tegen je gevoel en je verstand indruist - dat is de veiligste en meest zeker manier om met dergelijke teksten om te gaan.

donderdag 9 december 2010

HEEFT DE KERK ZICHZELF OVERLEEFD EN MOET ZE DAAROM OPGAAN IN NEW AGE?

Veel mensen vinden de kerkelijke leer niet meer passen bij deze tijd. Ook de kerkdiensten spreken de gemeenteleden absoluut niet meer aan. De preken vindt men ronduit saai en duren altijd te lang, tijdens het stille gebed begint het kerkvolk al gauw ongemakkelijk te draaien in de kerkbankjes en ook een incidenteel gospelgroepje of een in fleurige jurkjes gestoken koor vermag de lethargisch geworden gemeente niet meer te boeien. De kerkelijke bobo’s voelen dat ze de aansluiting met de geest van deze tijd hebben verloren. Het is dan ook geen wonder dat de kerken af en toe schuchtere pogingen ondernemen om in gesprek te gaan met New Age en andere spirituele stromingen. Maar hoe ver moeten de kerken gaan om de mensen weer aan te spreken en volle zalen te trekken? Moeten de kerken dan maar opgaan in New Age, omdat die beweging er wél in slaagt om veel mensen op de been te brengen?
Ik vind dat een interessante vraag. Het klopt dat de geestelijke dorheid van de kerken heeft bijgedragen aan het relishoppen dat je overal ziet. Die trend is trouwens niet zonder risico's. Een cursusje pendelen, een workshop ‘hoe leer je je beschermengel kennen’ en een spiritistisch avondje zijn misschien wel heel spannend, maar ze kunnen ook heel vervelend uitpakken. Er bestaat immers niet alleen een goede geestenwereld, maar ook een lagere sfeer van waaruit mensen negatief kunnen worden beïnvloed. Wie daar geen oog voor heeft, loopt het risico dat hij onder de invloed komt te staan van krachten die erop uit zijn om de mens geestelijk te ondermijnen. Een fikse dosis onderscheidingsvermogen is daarom nodig voordat je je met dit soort cursussen inlaat.
Tegenover die al te luchtige benadering van de geestelijke wereld staan de gedateerd aandoende leerstukken van de kerk. Ze zijn heel ouderwets en statisch geformuleerd, maar zijn ze daarom per definitie onwaar? Ik kan niet voor anderen spreken, maar dat Jezus de zoon van God is, staat voor mij vast en hoeft wat mij betreft niet overboord te worden gekieperd. De transsubstantiatieleer van de R.K. kerk is voor mijn gevoel echter een dwaalleer. Dat leerstuk komt er immers op neer dat door de magische handeling van de priester een stuk brood en een slokje wijn wérkelijk worden veranderd in het lichaam en het bloed van Christus. Zoiets zouden ze moeten afschaffen. Tussen die twee uitersten in zitten veel leerstellingen die voor mijn gevoel wel door de beugel kunnen. Verder is er een grijs gebied van grondbeginselen waar ik me niet zo snel achter zou scharen zonder dat ik ze trouwens fout vind.
Voor mijn gevoel weerspiegelen veel kerkelijke opvattingen de geestelijke werkelijkheid, maar spreken ze niet meer de taal van deze tijd. In die zin geloof ik niet dat je ze overboord zou moeten kieperen. Problematisch vind ik alleen wel, dat het steeds meer verstandelijk beleden waarheden zijn geworden. Wat eerst de uitdrukking was van een reële religieuze ervaring, versteende later tot een dogma dat aan anderen als een onbuigzaam leerstuk werd opgedrongen - én daar ging van alles mis!
Ik ben daarom niet zo extreem kritisch t.o.v. de kerk als veel mensen uit New Age-kringen. Hele volksstammen zijn geneigd om de complete erfenis van het christendom overboord te gooien met het argument dat de kerken er zo'n rommeltje van hebben gemaakt. Meestal gebruiken ze daarbij een paar stereotype beelden en sjablonen zoals de kruistochten, de inquisitie, de macht van de paus en de curie enz. Dat rijtje stereotypen laat men telkens weer opdraven om te zeggen van: "Zie je nou wel, die boodschap deugt niet!"
Mijn antwoord is dan steevast: "Wat weet je dan werkelijk van de kerkgeschiedenis af? Ben je je er wel van bewust dat je twee dingen hopeloos door elkaar haalt? Is de zuivere inhoud van een leer of geloof soms identiek aan het misbruik dat er door menselijke zwakheid en machtswellust van gemaakt wordt? Weet je eigenlijk wel dat instituten als scholen, ziekenhuizen en universiteiten in het Westen door kerken en kloosters zijn opgericht? Hoe veel mensen hebben anderen wel niet vanuit hun gelovige overtuiging geholpen, getroost, verzorgd en zelfs met de wapens verdedigd?" Mensen, die het christendom fundamenteel afwijzen onder het mom dat de traditie zou hebben bewezen dat zijn boodschap principiëel niet zou deugen, weten gewoonlijk niet waar ze over spreken.
Wat de kerken nodig hebben in deze tijd is dat men weer teruggaat naar de elementaire bezieling van het eerste christendom, naar de tijd waarin men nog in een levende verbinding stond met Christus en met de engelenwereld. Díe elementaire bezieling, díe liefde en díe betrokkenheid mis ik meestal in de kerken. Dat men met New Age in gesprek gaat, vind ik dan ook uitstekend. Dat gebeurt af en toe trouwens al.
Zo was ik in 2000 namens een spirituele stichting op een congres in Groningen dat door de kerken was georganiseerd onder de titel "Stemmen uit de hemel". Dat congres was onderdeel van een serie congressen waarbij vertegenwoordigers van de kerken en New Age met elkaar in gesprek gingen. Ik vond het fantastisch om dat bij te wonen. Het heeft misschien niet zo veel opgeleverd omdat ook veel oude tegenstellingen aan het licht kwamen, maar er werd tenminste over en weer gepraat. Ik heb dat als heel positief ervaren.
Van New Age zouden de kerken in elk geval kunnen leren hoe men het enthousiasme en de bevlogenheid in de omgang met de geestelijke werkelijkheid terug zou kunnen krijgen. Geloven vanuit het hart - dát is kort gezegd wat de kerken nodig hebben!

dinsdag 7 december 2010

Mijn positie t.o.v. het werk van Jakob Lorber

Naar mijn stellige overtuiging bevatten de boeken van Jakob Lorber doorgevingen uit de geestelijke wereld. Toch is de vermelding dat een doorgeving afkomstig is van God Zelf of uit de zuivere geestenwereld helemaal geen garantie dat de boodschap volkomen zuiver en betrouwbaar is. Doorgevingen worden immers altijd ontvangen door een schrijver die door zijn karaktereigenschappen en beperkingen noodzakelijkerwijs subjectief is. Dat betekent dat individuele én cultuurbepaalde opvattingen, voorkeuren, weerzin tegen bepaalde dingen en individuele attitudes de doorgevingen kleuren. Dat subjectieve elementen, die daarom van tijd tot tijd kunnen veranderen, in het Lorberwerk een rol spelen, wordt aangetoond door innerlijke tegenstrijdigheden die erin voorkomen. Zoals een mens van stemming kan veranderen, zo kunnen ook zijn uitspraken mettertijd van toon en inhoud veranderen en elkaar zelfs tegenspreken.
Als het Lorberwerk voor de volle 100% het onveranderlijke en onbetwijfelbare woord van God was, zouden dergelijke contradicties er niet in voor mogen komen. Ze komen er echter wel in voor. Daaruit kan maar één conclusie worden getrokken: het is in bepaalde opzichten mensenwerk.

Dat laatste wordt nog verergerd doordat er dingen in staan die niet waar zijn. Sneeuw komt op de maan niet voor, noch rivieren en levende wezens. De uitspraken die daarover worden gedaan in het Lorberboek "Aarde en Maan" zijn bedoeld als beschrijvingen van de natuurlijke werkelijkheid op onze satelliet. Daarom zijn ze niet waar. I.t.t. wat in dat boek staat, leert nauwkeurige en onafhankelijke waarneming dat er op de achterkant van de maan geen sneeuw en geen rivieren voorkomen. Omdat de maan geen atmosfeer bevat, is er immers ook geen organisch leven mogelijk.

Hetzelfde probleem speelt in het boek "Die Natürliche Sonne". Ik heb een heleboel uitspraken van Lorber over het heelal getoetst en ben tot de conclusie gekomen dat zijn beeld van de kosmos noch structureel, noch in de afzonderlijke details klopt.
Een systematische vergelijking tussen het Lorberwerk en de moderne sterrenkunde staat ook op nieuweopenbaring: het is op deze pagina te vinden. De Engelstalige versie ervan staat op deze URL; de Duitse versie staat op een andere pagina. Veel dingen heb ik daarin niet aangeroerd, omdat het artikel dan nog veel langer zou worden. Dat geldt o.a. voor de beschrijving die Lorber geeft van de manier waarop het licht van sterren zou ontstaan. Volgens hem fungeert de buitenste laag van een ster – in de sterrenkunde noemt men dat de chromosfeer - als een spiegelende bol die het licht van andere hemellichamen weerkaatst. Alleen de oercentraalzon en al-al-zonnen zouden zelf licht geven; alle andere sterren zenden volgens Lorber een zeer zwak licht uit, maar werken vnl. als reusachtige kerstboomballen die het licht van andere sterren reflecteren. Natuurkundig gezien is dit onmogelijk.

Erger wordt het als hij zich in bijzonder denigrerende bewoordingen uitlaat over bepaalde volkeren. De gedachte dat elk volk een eigen eigen ontwikkeling doormaakt, onderschrijf ik, maar het gaat mij te ver als daar allerlei vergaande waardeoordelen aan worden verbonden. Niettemin gebeurt dat in het Lorberwerk wel.
Ook sommige pedagogische adviezen van Lorber vind ik verschrikkelijk, o.a. dat je een kind, dat van vreugde lacht, zou moeten slaan om het de ernst des levens bij te brengen. Voor mijn gevoel is dat de perfecte manier om het gevoel van eigenwaarde van een kind om zeep te helpen. Liefde kan ik in zulke uitspraken niet ontdekken. Ook het feit dat een publieke marteling met een eventueel daarop volgende executie in het Lorberwerk wordt aangeprezen als de beste manier om hardnekkige misdadigers geestelijk te louteren, kan ik niet onderschrijven. Op mij komen zulke aanbevelingen tamelijk barbaars over.
Al met al zal ik mijn eigen gevoel en intuïtie moeten volgen. Ik blijf rotsvast in Jezus en in God geloven, maar kies voor een andere weg in het geloof dan die van Jakob Lorber. Hoewel er veel uitspraken in het Lorberwerk voorkomen die mij aanspreken en door mij als zuivere waarheden wordt herkend, moet mij van het hart dat er zoveel facetten van zijn werk zijn waar ik grote moeite mee heb, dat ik me niet langer kan en wil presenteren als vertegenwoordiger van een organisatie op het gebied van de Nieuwe Openbaringen. Daarom heb ik ervoor gekozen de basis van onze stichting te verbeden. Van nu af willen we werken op een algemeen-christelijke grondslag, zonder enige binding of verplichting aan een kerkgenootschap, geloofsgemeenschap of andere organisatie op religieus of levensbeschouwelijk gebied.
Het gaat er ons om méér mensen te bereiken bij onze activiteiten. Liever bepalen wij ons in het vervolg tot de essentie, en dat is Jezus Christus, die voor ons op aarde is gekomen om ons de weg naar de hemel te wijzen. Graag willen we dat in het vervolg als uitgangspunt nemen voor al ons handelen.