maandag 29 april 2013

De nacht van het ruimteschip (2)

 
Eén van de wezens kwam op me af. Indringend staarde hij mij aan en stak toen een hand op. Verbouwereerd bleef ik vlak voor hem staan. Wat wilde hij? Nu ik vlak bij hem was had ik alle gelegenheid om hem eens goed in mij op te nemen. Hij was hooguit 1.20 meter groot en had een tenger postuur. Zijn armen waren naar verhouding een stuk langer dan bij een mens en hingen slungelachtig langs zijn lijf. Zijn gezicht was ovaal, met twee grote, kogelronde ogen zonder wimpers en wenkbrauwen.  Een neus had hij wel, maar die verhief zich nauwelijks boven de rest van zijn gezicht. Vreemd genoeg was er nergens een mondopening te zien. Hoe spraken ze dan met elkaar?

Het antwoord op die vraag werd me al snel duidelijk, want terwijl hij mij onafgebroken bleef aanstaren begon het me te duizelen en vervaagde de omgeving. Het Noordzeestrand maakte plaats voor beelden van een andere wereld. Als in een droom zag ik een soort hangar op een reusachtig vliegveld. De lucht zag er rood uit, vergelijkbaar met de rode lucht die je ziet op foto’s die vanaf Mars zijn genomen. Voor de hangar stonden tientallen zilverkleurige ruimteschepen opgesteld. Ze hadden allemaal de vorm van een schotel met een flinke verdikking in het midden. In elk toestel klommen drie wezentjes die niet groter waren dan kinderen van een jaar of acht. Ze hadden apparaten bij zich die ze in de ruimteschepen droegen.
En opeens hoorde ik het weer: het melodietje. Op dit buitenaardse vliegveld klonken dezelfde diepe zoemtonen die me weken lang hadden geteisterd totdat ik helderzienden, hypnotherapeuten en zelfs een acupuncturist had bezocht om dat gejengel te laten stoppen. Kennelijk vormde dat melodieuze gezoem het afgesproken teken dat de zilverkleurige flottielje kon vertrekken. Moeiteloos verhieven ze zich tegelijkertijd in de lucht en wonnen pijlsnel hoogte. Nergens was een raketmotor te zien; het leek wel alsof ze simpelweg de zwaartekracht konden opheffen. Daarop verschoof het beeld. Ik bevond me nu in de cabine van het commandoschip.
Door de patrijspoorten zag ik de kleinere schepen die in formatie meevlogen, op weg naar de aarde. Dat ze onderweg waren naar onze planeet bleek uit de beelden die werden getoond op een groot scherm dat in het midden van de cabine stond opgesteld. Majestueus zag je de aarde in de ruimte hangen. Een paar andere planeten van ons zonnestelsel waren als kleine bolletjes in de verte zichtbaar. Achter het scherm zat het wezen dat nu voor me stond. Hij pakte een koperkleurig apparaat van de vloer en verbond het met een paar kabels met het scherm waarop de aarde zichtbaar was. Daarop begonnen op de aarde een paar puntjes op te lichten. Razendsnel werd nu ingezoomd op de plekken waar de lichtpuntjes zichtbaar waren. Tot mijn verbijstering bleek het om mensen te gaan waarmee contact werd gelegd. Telkens wanneer het beeld enkele seconden lang bij één van deze mensen bleef rusten, begon het eentonige melodietje, bestaande uit een vijftonig gezoem, te klinken. Opeens schrok ik: één van deze mensen was ik! Ze wilden ons verdorie meenemen naar hun thuisplaneet!
De trance, of wat daarvoor doorging, was plotseling uitgewerkt. Ik werd me weer van mijn omgeving bewust. Voor me stond het wezen dat ik in het ruimteschip gezien had. Hij was de leider van de expeditie die tot doel had om mensen van de aarde te ontvoeren. De adem stokte in mijn keel. Was er nog een ontsnapping mogelijk? Onbeweeglijk stonden we tegenover elkaar, daar op het strand, in het blauwzilveren licht van de volle maan.  Nooit klonk de branding van de Noordzee me angstaanjagender in de oren dan op dat moment. Opeens schoof er een deur open van het ruimteschip en zag ik het interieur. Hoe veel tijd had ik nog?

- wordt vervolgd -

maandag 22 april 2013

De nacht van het ruimteschip (1)


 
Achteraf kan ik niet meer precies zeggen wanneer het begonnen is, maar op een nacht was het er, zomaar, en nestelde het zich in mijn hoofd met een onverwoestbare kracht en een hardnekkigheid waardoor ik meteen wist dat het nooit meer weg zou gaan. Ik heb ertegen gevochten, geloof me, ik heb gedaan wat ik kon; ik heb geneesheren en therapeuten bezocht, zowel regulier als alternatief, kruidentheeën gedronken, oosterse en westerse meditatietechnieken beoefend, ja ik heb me zelfs van onder tot boven door een ondoorgrondelijk kijkende Chinees met spelden laten prikken om het weg te krijgen – maar het mocht allemaal niet baten: het melodietje dat nu al weken door mijn hoofd speelt gaat van zijn levensdagen niet meer weg. Het is echt om gek van te worden.

’s Nachts ben ik gaan zwerven, niet lopend, maar op mijn racefiets, om maar aan iets anders te denken. Dan heb ik een MP3-speler erbij aan, de oortelefoontjes diep in mijn oren gedrukt, en probeer ik me op de muziek te concentreren. Soms lukt dat, maar meestal niet, want dan krijgt dat verrekte melodietje weer de overhand en bekruipt mij soms de neiging om maar in de sloot te fietsen, want dan ben ik van al dat gedonder af. Maar ik mag daar niet aan toegeven, het leven is te kostbaar om me door dat getetter eronder te laten krijgen. Daarom haal ik alles uit de kast om nog zo veel mogelijk een normaal leven te leiden, of iets wat daarvoor doorgaat tenminste.
 
Gelukkig is nu het einde van de tunnel in zicht. Dat wil zeggen: ik hoop het vurig, maar helemaal zeker weten doe ik het niet. U moet weten dat ik een keer, toen ik ’s nachts aan het fietsen was, als in trance ben doorgereden naar de Noordzeekust. Daar wilde ik ongestoord naar de sterren kijken, ver weg van alle neonreclames en lichtmasten die het zicht op de sterrenhemel verpesten. Heerlijk vind ik dat, om in mijn eentje de Melkweg te zien die zich van horizon tot horizon door het firmament slingert, een tijdloze oase van rust en stilte in een knotsgekke wereld. Een rustig nachtje onder de sterren zou het echter niet worden. Daar zorgden die vreemde gasten wel voor die ik er tegenkwam. Wie het zijn en waar ze vandaan komen – Joost mag het weten. Ze komen in elk geval van ver, dat is zeker. Anders land je niet midden in de nacht in een UFO op een verlaten plekje op het Noordzeestrand. Sinds ik hen heb ontmoet is alles anders geworden.

Het moet tegen een uur of twee ’s nachts zijn geweest toen ik mijn fiets vastmaakte aan een hekje aan de voet van de duinen. Echt donker was het niet, want het was helder en hoog in het zuiden scheen de volle maan. Snel liep ik daarom het rulle zandpad op. Daarachter, zo wist ik, ruiste de Noordzee. Maar tot mijn stomme verbazing zag ik in die heldere sterrennacht niet alleen de branding, maar ook een groot, zilverkleurig voorwerp dat op het strand rustte. Het leek wel een ruimteschip. Ik schat dat het een doorsnee had van zo’n 25 meter. Het was rond, wat afgeplat en bezat een soort patrijspoorten die hel verlicht waren. Rondom het voorwerp liepen vier kleine wezentjes in zilverkleurige pakken. Ik kon niet zien wat ze aan het doen waren. Een beetje eng was het wel, want ze waren misschien wel gewapend, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst. Daarom begon ik naar het ruimteschip toe te lopen. Dat ik mijn angst opzij zette had ook nog een andere reden: de ellendige melodie die mij nu al weken lang het leven zuur maakte, werd steeds zwakker naarmate ik dichter in de buurt van het vreemde voorwerp kwam. Zou dat gejengel misschien helemaal stoppen als ik ervoor stond? Toen ik het ruimteschip tot op een paar passen genaderd was, wachtte me echter een verrassing.
 
- wordt vervolgd -

zondag 7 april 2013

Trip naar Brabant

Kasteel Heeswijk bij Heeswijk-Dinter
 
Ons bezoek aan Noord-Brabant had een wat eigenaardige start. We wilden het kasteel Heeswijk bekijken, maar omdat je daar alleen onder begeleiding van een gids naar binnen mag - elk half uur  is er een rondleiding, zo luidde het opschrift - besloten we eerst een hapje te eten in het restaurant, dat in een bijgebouw gevestigd is. Een serveerster bracht mij een broodje gezond. Er kwam echter een eigenaardige geur van af. Onder het eten kreeg ik steeds meer argwaan. Toen mij door een bediende werd gevraagd of het eten me smaakte, besloot ik er iets van te zeggen: "Mevrouw, volgens mij zijn de eieren in mijn gerecht bedorven". Geschrokken snelde ze naar de keuken om navraag te doen, maar daar kon alleen maar worden vastgesteld dat er die morgen verse eieren waren geleverd. "Toch komt er een vieze geur van dit eten af, mevrouw, waarschijnlijk is de kaas dan bedorven". Na deze mededeling werd de chefkok erbij gehaald. Hij vermoedde dat de vieze geur werd afgescheiden door de dressing die hij over de kaas had gegoten en haalde er een schaaltje bij waarin hij wat van dat goedje had gekwakt, zodat ik zelf kon ruiken waar die stank vandaan kwam.
"Nee meneer, dat is het toch niet, ruikt u zelf maar." Ik duwde hem mijn bord onder de neus. Hij schrok en bood onmiddellijk aan om het gerecht te vervangen. Omdat mijn eetlust intussen was bedorven, namen we genoegen met een gratis kopje koffie als schadevergoeding voor de geleverde wanprestatie.
 
Daarna moesten we nog een uur wachten op de start van de rondleiding. Het was steenkoud - hooguit 5 graden - en er stond een stevige wind op de binnenplaats van het gebouw. Een groepje als middeleeuwse lansknechten uitgedoste jongelui vermaakte het publiek door over het kasteelplein en de binnenplaats te marcheren. Daarna duelleerden ze met hun lansen, maar niet echt overtuigend.
Pas na tweeën verscheen de gids die ons de ronleiding zou geven. Gelukkig was die heel gedegen. Zo kwamen we te weten dat Lodewijk XIV in 1672 een nacht op het kasteel heeft doorgebracht en dat de adellijke familie die het kasteel in de 19e eeuw bewoonde nauwe contacten had met de koninklijke familie. Eén kamer bevatte zelfs allerlei martelwerktuigen die ook echt in het kasteel schijnen te zijn gebruikt. Na de anderhalf uur durende rondleiding reden we door naar Den Bosch.
 
Oostzijde van de Sint-Jans kathedraal
 
Vanaf het station hebben we een rondwandeling van ongeveer een uur gemaakt door het centrum van Den Bosch. Vandaag was het er koopzondag. Daarom was het er behoorlijk druk. Morgen gaan we de stad uitgebreid verkennen.
 
 
Naschrift op 8 mei 2013: het lag in de bedoeling om 's anderendaags de Sint-Jan te bezoeken. Jammer genoeg was die kerk de volgende dag gesloten voor bezoekers. Hopelijk zijn we later nog in de gelegenheid om deel te nemen aan een rondleiding door die kathedraal. 
  
 
 
 

vrijdag 29 maart 2013

Astronomische Fehler im Lorberwerk



Weil ich ein Amateur-Astronom bin und auch die meisten Bücher Jakob Lorbers (1800-1864) gelesen habe, muss ich offen gestatten dass es mir nicht gelungen ist um die kosmische Einsichten Jakob Lorbers in Übereinstimmung zu bringen mit den Resultaten wissenschaftlicher Forschung.
Das Grosse Evangelium Johannis ist für mich wertvoll und ich habe oft darin gelesen. In vielen Kapiteln erzählt Jesus über die Verhältnisse im Weltall und auf anderen Weltkörper. Das gilt ebenfalls für "Die natürliche Sonne" und "Der Saturn". Aber die Einsichten und zahlenmässsigen Angaben in diesen Büchern kommen mir oft merkwürdig vor. Gerne gebe ich einige Beispiele.

1. Den Stern Sirius nennt man im Lorberwerk unsere ‘Gebietssonne’. Eine Gebietssonne ist nach Jakob Lorber das Zentrum eines ‘Sonnengebietes’, die von etwa 200 Millionen Sternen umkreist wird.  Eine Gebietssonne wie Sirius sollte nach Jakob Lorber einen Durchschnitt haben von 1 bis 9 Billion Kilometer. Trigonometrische Berechnungen (von der Parallaxe), ausgeführt von dem Hipparcos-satellit, haben die Entfernung von Sirius sehr genau festgestellt. Seine Parallaxe ist 0,3792", und das entspricht eine Entfernung von 8,5970 Lichtjahren. 1) Ich kann mir nicht vorstellen dass diese Angaben falsch sind, denn trigonometrische Berechnungen in der Astronomie sind – ebenso wie trigonometrische Messungen auf dem Erdoberflach - sehr zuverlässig. Wenn diese Entfernung richtig ist, ist es einfach unvorstellbar dass Sirius einen Durchschnitt hat von 1-9 Billion Kilometer. Ein Stern mit diesem Durchmesser muss viel heller sein als VM -1,6 (Sirius’ scheinbare oder visuelle Helligkeit). Auch wäre es dann möglich die Sternscheibe von Sirius zu sehen, was durchaus nicht der Fall ist.
2. Die Parallaxe von Regulus (im Lorberwerk 'Urka' genannt), gemessen von dem Hipparcos-satellit, ist 0,0421". Das entspricht eine Entfernung von 77,43 Lichtjahren. Die mögliche Abweichung ist nur 0,0008". Das wichtigste Problem scheint mir in diesem Fall dass Regulus sich bewegt wie ein Stern unserer Galaxis. Sollte Regulus die Urzentralsonne (oder 'Urka') sein, wie Lorber behauptet, dann hätte er eine ungeheure Entfernung von der Erde – mindestens einige Milliarden Lichtjahre. Alle Sternsystemen im Weltall wie unsere Milchstrasse drehten sich dann um Regulus. Jedoch widerspricht dass die genaue und kontrolierbare trigonometrische  Berechnung vom Hipparcos. Regulus sieht aus wie ein ganz normaler und nicht besonderes grosser Stern. Auffallend ist nur, dass es sich hier um ein mehrfacher Stern handelt: Regulus hat vier Komponente (Sterne), aber Doppel- und mehrfache Sterne kommen sehr oft vor im Weltall.

3. Im Zentrum unserer Galaxis hat man keine All-Sonne gesehen mit einem Durchschnitt von 1 Trillion Kilometer - wie nach Jakob Lorber der Fall sein muss - sondern einige Sterne mit Massen von etwas 100 Sonnenmassen oder etwas mehr. Man vermutet dass sich dort ein schwarzes Loch befindet, vielleicht einige derartigen Objekte. Black Holes sind nicht sehr gross, sondern extrem kompakt.
Auch die Behauptung dass im Zentrum des Andromeda-Nebels (M 31), ein Sternsystem das 2,5 Millionen Lichtjahre von uns entfernt ist, eine All-Sonne steht, kann mit optischen Mitteln nicht bestätigt werden. Das Zentrum des Andromeda-nebels besteht aus normalen Sternen.
Auf dieser Aufnahme sehen Sie M31, den Andromedanebel. Im Zentrum gibt es keine All-Sonne, aber das Sternenlicht is dort stark konzentriert: Milliarden Sonnen befinden sich im Mitte dieses Sternsystems. Ihr gesamtes Licht bildet einen Lichtfleck. Mit sehr starken Vergrösserungen kann man dort einen kompakten Sternenhaufen beobachten. Entfernung: ungefehr 2.5 Millionen Lichtjahre. Sie sehen hier auch M32 und NGC205, zwei kleine Satellit-Galaxien. 
Auch bei anderen Sternsystemen hat man nie enen All-sonne-artigen Stern beochbachtet. Bei sehr starken Vergrösserungen (z.B. mit dem Hubble Space Telescope) nimmt man im Zentrum der Galaxien niemals einen riesenartigen Stern wahr mit einem Durchschnitt von 100.000 Lichtjahre, obwohl das nach Jakob Lorber der Fall sein muss wenn sein Weltbild richtig wäre. Das Licht einer Galaxis ist gleichmässig verteilt, mit einer Konzentration im Zentrum. Niemals hat man dort einen Stern beobachtet mit einer Leuchtkraft die weit grösser ist als die gesamte Leuchtkraft der anderen Sterne desselben Sternensystems. Eine Ausnahme bilden veilleicht die sog. “Quasare”, aber das sind keine normale Sterne. Auch Supernova’s sind manchmal heller als das gesamte Licht von allen anderen Sterne in einer Galaxie, aber das dauert fast nie länger als einige Tage und ist eine ausserordentliche Situation weil soch ein Stern explodiert und dabei viel Masse verliert. 2) 
4. In seinem Buch “Die Natürliche Sonne” behauptet Lorber dass die Monde im unserem Sonnensystem auf nur einer Seite eine Atmosphäre haben. Das stimmt nicht. Gasmassen umfliessen ein ganzes Weltkörper und sind nicht nur auf einer Seite zu finden. Fernaufnahmen mit den Voyagers haben gezeigt dass der Jupitermond Io eine Atmosphäre hat auf beiden Seiten der Oberfläche.  
  

Dieser Jupitermond Io sieht von Ferne aus wie eine geschmolzene und mislungene Pizza. NASA-Raumfahrzeuge haben festgestellt dass die Io-Atmosphäre gleichmässig verteilt ist über beiden Seiten dieses Mondes. Das gilt auch für den Saturnmond Titan, der ebenfalls eine Atmosphäre hat. Es gibt keine Weltkörper mit einer Lufthülle die sich nur auf einer Seite befindet.     

5. Mallona. Im GEJ kann man lesen dass Mallona, ein Planet der jemals die Sonne umkreiste zwischen die Bahnen von den Planeten Mars und Jupiter, etwa 2000 mahl grösser war als unsere Erde. Die Gesamtmasse der Asteroïden – die Trümmer von Mallona – ist aber viel weniger als 0,1 Erdmasse. Mann kan kaum annehmen dass es Planeten gibt mit einem spezifischen Gewicht von 1/20.000, oder dass dieser Planet fast völlig verdampft worden ist. Ausserdem steht im GEJ dass die vier grössten Asteroïden Pallas, Ceres, Juno und Vesta die übrig gebliebene Monde des Mallona sind, aber in “Die natürliche Sonne” nennt Lorber sie die Trümmer des ehemaligen Planeten. Die Geschichte von Mallona endet auch sehr merkwürdig. Nach der Explosion von diesem Planet sind einige Mallona-menschen ins Weltall geschleudert und späterhin abgestürzt in der Ägyptischen Wüste. Nach Lorber waren die Leichnahme von diesen Riesen intakt. Das ist sehr mërkwürdig, denn normalerweise müssen Objekte mit solch einem Durchschnitt verbrennen in der Erdatmosphäre, wie Meteore.
6. In “Der Kosmos in geistiger Schau” lese ich (Seite 87) “Eine von beiden Doppelsonnen ist stets um bedeutendes grösser als ihr Begleiterin” und “Die Ordnung dieser Gestirne ist so gestellt, dass auf je siebenhundert bis tausend Einsonnen eine solche Doppelsonne kommt”. Leider kann man auch sehr viele Doppelsonnen sehen mit Sternen die etwa gleich gross sind. Auch kann man feststellen dass schon in der Nähe unserer Sonne viele Doppelsterne vorkommen. Mehr als 50% von allen Sternen gehört zu einem Doppelsystem. Das wiederspricht die zahlenmässige Annahme Lorbers. 
Ich kann Ihnen versichern dass es nicht meine Absicht gewesen ist das hierarchische Weltbild Lorbers oder die Neu Offenbarung zu leugnen. Dessenungeachtet ist es schwer die Aussagen der Neu Offenbarung über das Weltall und die Aussagen und Theorieen der Astronomie mit einander in Übereinstimmung zu bringen. Obwohl ich glaube, dass die hierarchische Struktur des Weltalls im Grunde richtig und zuverlässig ist, muss ich leider feststellen dass das Weltbild Lorbers Fehler und Lücke enthält. Über die Ursache solcher Fehler kann man nur spekulieren.
______________________________________________________________________

1) Sternparallaxe: 
http://de.wikipedia.org/wiki/Parallaxe#J.C3.A4hrliche_Parallaxe.2C_Sternparallaxe  Eine Bogensekunde (Symbol: ″ oder auch arcsec von engl. arc second) ist eine Maßeinheit des Winkels, die 1/3600 (0,0002777) Grad entspricht. 60 Bogensekunden entsprechen einer Bogenminute, 60 Bogenminuten entsprechen einem Grad. Quelle: http://de.wikipedia.org/wiki/Bogensekunde.

2) Supernova:
http://de.wikipedia.org/wiki/Supernova

donderdag 28 maart 2013

Boekbespreking van "Na dit leven" van dr. Eben Alexander

 
Binnen de medische wereld wordt aangenomen dat ons bewustzijn wordt voortgebracht door de chemische en elektrische processen die zich binnen onze hersenpan afspelen. Dat paradigma kun je samenvatten als: “ons bewustzijn is het product van de hersenfuncties”. Volgens dat principe vallen onze psychische functies uit als we hersendood zijn. Vooral bij neurochirurgen heeft die gedachte postgevat: zijn de hersenen, door welke oorzaak dan ook, niet meer in staat om te functioneren, dan gaat onze interne video op zwart.
Wat zou er nu gebeuren als een vooraanstaand neurochirurg zelf enkele dagen in coma zou liggen, terwijl hij ondertussen wel zeer intense ervaringen ondergaat – ervaringen die zó levendig zijn dat hij als een compleet ander mens uit de coma ontwaakt? Dat overkwam dr. Eben Alexander uit Lynchburg, Virginia. In de vroege ochtend van de tiende november 2008 werd hij om half vijf wakker met hevige pijn in zijn rug. Hij stond op, nam een bad om wat te ontspannen, maar merkte dat de pijn alleen maar heviger werd. Toen hij teruggestrompeld was naar de slaapkamer, kon hij nog net tegen zijn vrouw uitbrengen dat ze geen ambulance hoefde te bellen. Daarna verloor hij het bewustzijn.
 
Enkele minuten later werd hij met loeiende sirenes overgebracht naar het plaatselijke ziekenhuis, waar hij zelf ook veel hersenoperaties had uitgevoerd. Na een eerste inspectie werd al snel duidelijk dat zijn hersenschors geen enkele activiteit meer vertoonde: dr. Alexander leed aan een ernstige vorm van hersenvliesontsteking. Bij hem was die ontsteking veroorzaakt door een E-coli bacterie, die tamelijk resistent is tegen een behandeling met antibiotica. De behandeling, die men hem gaf, sloeg dan ook niet aan. Integendeel: zijn toestand verslechterde met de dag. Zijn kans om te overleven was hooguit tien procent. Maar terwijl zijn lichaam zieltogend op een ziekenhuisbed lag, te midden van een wirwar van draden en slangetjes, had hij de meest intense ervaring van zijn leven: een BDE die hem verder voerde dan alle BDE’s die tot nu toe zijn gemeld.

Het eerste wat hij gewaar werd was een donkere, onderaardse wereld, alsof hij als een mol of regenworm onder de grond zat, zonder enige herinnering aan wie hij was. De omgeving was schemerachtig en onheilspellend. Vanuit de verte drong een kloppend geluid tot hem door, alsof een leger onderaardse arbeiders monotoon in een fabriekshal stond te werken. Dat kloppen werd steeds luider. Ondertussen verschenen er monsterachtige gezichten om hem heen, waardoor hij het benauwd kreeg. Hij wilde al om hulp roepen, toen er van boven een prachtige melodie tot dat onderaardse rijk doordrong: een melodie die zich ook manifesteerde als een lichtgloed die hem omvatte en door een poort uit die ondergrondse wereld optilde.
 
Boven de grond aangekomen vloog hij in het gezelschap van een engelachtige verschijning over eindeloze velden, wouden en heuvels. Sommige mensen beneden hen kon hij zelfs onderscheiden. De sfeer was er hemels en rustgevend, de kleuren diep en intens. Zoals vaak bij BDE’s het geval is, was er nauwelijks afstand tussen hemzelf en datgene wat hij waarnam. Bovendien manifesteerden kleuren zich ook als geluiden, en omgekeerd. Hem werd door zijn engel, een jonge vrouw, meegedeeld dat het geestelijke universum oneindig veel groter is dan de fysieke werkelijkheid, en dat er veel meer universa zijn dan het ene dat wij kennen; in sommige staat de intelligentie ook op een beduidend hoger peil. Een andere waarheid die hem werd meegedeeld had te maken met het kwaad: dat is noodzakelijk met het oog op de vrije wil van de mens. Zonder vrije wil is er geen groei mogelijk. In onze wereld is het kwaad sterker dan elders, maar binnen het grote geheel is de liefde overheersend. 

De diepste ervaring tijdens deze reis door het geestelijke rijk had dr. Alexander toen hij samen met zijn gids doordrong tot de ‘Kern’: een enorm diepe, zwarte ruimte, die toch heel vertroostend aanvoelde. Tijdens deze momenten ervoer hij de mystieke aanwezigheid van God als een wezen met een oneindig bewustzijn. Een lichtend hemellichaam was al die tijd bij hem en diende als tolk tussen zijn eigen gedachten en de goddelijke aanwezigheid die hem aan alle kanten omringde.
 
Zeven dagen na het begin van zijn ziekenhuisopname kwam dr. Alexander weer bij kennis. En hoewel iemand, die bijna een week door een bacteriële hersenvliesontsteking in coma heeft gelegen, meestal zo’n zware hersenbeschadiging heeft opgelopen dat hij de rest van zijn leven een hopeloze stumper is, herstelde hij volkomen. Zijn complete geheugen, incl. de herinneringen aan zijn BDE, kwamen terug. Van één ding was hij nu volledig overtuigd: deze ervaring was onomstotelijk echt. Bovendien was hij niet alleen genezen van zijn hersenvliesontsteking, maar ook van het medische paradigma dat ons bewustzijn afhankelijk is van onze hersenen.

Sinds de publicatie van zijn boek “Proof of Heaven” geeft hij overal lezingen en interviews. Zijn belangrijkste doel is om de medische wereld ervan te overtuigen dat ons bewustzijn ook onafhankelijk van de hersenen kan functioneren en dat de diepere natuur van de werkelijkheid puur geestelijk is. In de V.S. maakte zijn boek heel veel reacties los, zowel positief als negatief. De eerste reacties op de Nederlandse vertaling “Na dit leven” vertonen hetzelfde beeld. Wie een wetenschappelijk paradigma aanvecht, zal heel wat horden moeten nemen voordat zijn ideeën ingang vinden. Toch lijkt deze poging me de moeite waard. “Na dit leven” kan, door zijn soepele stijl en rijkdom aan medische details, hier zeker een bijdrage aan leveren. 

zondag 17 maart 2013

Hypnose (slot): in de tempel van de kosmos

 

Peter greep de uitgestoken hand van Naftaniël. Daarop vervaagde de omgeving. Het leek wel alsof ze opeens in een mistbank terecht waren gekomen; alleen hun eigen gestalten waren nog duidelijk zichtbaar – een gevolg van hun razendsnelle verplaatsing in de geest. Even later verdween de mist en doemden voor hen de omtrekken op van een gebouwencomplex op een bergplateau. Het leek wel een sterrenwacht, bestaande uit een heleboel rechthoekige gebouwen met witte koepels die d.m.v. gangen met elkaar waren verbonden. “Dit is de tempel van de kosmos”, sprak Naftaniël, “we gaan nu naar de bibliotheek. Daar zal ik je het boek laten lezen dat de antwoorden bevat op al je vragen.”

Ze betraden een grote hal. Aan alle kanten stonden boeken tegen de wanden opgesteld. Op een verhoging in het midden van de hal stonden enkele tafels. Achter één ervan zat een priester voorovergebogen boven een boek. Zijn handen rustten met gespreide vingers op de bladzijden. “Ik zal je nu verbinden met het bewustzijn van die priester”, sprak Naftaniël, “zodat je met hem mee kunt lezen.”

Voor zich zag Peter een eindeloze donkere ruimte; het leek wel een peilloze afgrond. Nergens was een sprankje licht te bekennen en nergens was er ook maar een vonkje bewustzijn dat die duisternis tot leven zou kunnen wekken. Hij ervoer een diepe verlatenheid, alsof hij gedoemd was miljarden jaren rond te zwerven door eindeloze leegten. Een gevoel van benauwdheid greep hem aan – totdat er in die diepten opeens een vonkje opgloeide. Het begon te fluctueren, werd zich steeds meer van zijn eigen bestaan bewust en vormde lichtvingers waarmee het begon te tasten door de diepten van het wereldruim. Steeds verder reikten zijn gedachten, totdat er opeens vanuit de diepten van zijn bewustzijn een machtige lichtstraal door de verten schoot: trillend, pulserend, alsof het die eindeloze verten met zijn bewustzijn wilde vullen, tot leven wilde wekken met zijn goddelijke kracht.
De verten beantwoordden de lichtpulsen, die elkaar in een steeds sneller tempo opvolgden, en stilaan vormden zich in de duisternis van de wereldruimte donkere wolken die door de inwerking van het goddelijk licht op den duur zelf ook licht begonnen uit te stralen. Zo ontstonden de eerste sterrenstelsels, reusachtige, flonkerende wielen van licht, die op hun beurt sterren voortbrachten, waaromheen zich planeten vormden met hun manen. Steeds sneller voltrok zich dit proces, totdat de hele ruimte gevuld was met allerlei soorten hemellichamen in onnoemelijke aantallen.

Het vonkje, dat was uitgegroeid tot een baaierd van licht, voelde dat er iets essentieels ontbrak en dook met zijn bewustzijn in zichzelf om te onderzoeken wat dat zou kunnen zijn. Toen het was uitgedacht, besprenkelde het de wereldruimte naar alle kanten met vonkjes van zijn eigen bewustzijn. Zo beademde het de kosmos met leven, dat weldra op allerlei plaatsen opschoot – eerst in de vorm van heel eenvoudige, eencellige organismen, later in de gedaante van vissen en landdieren, en tenslotte in de vorm van mensen. 
In geestelijke zin leken de mensen, die op allerlei werelden waren ontstaan, nog het meest op zijn eigen goddelijk bewustzijn, want net als Hij waren ze zich scherp van hun eigen bestaan en scheppende vermogens bewust, maar i.t.t. hun Schepper was hun geest ingekerkerd in een fysiek lichaam. Door de beperkingen van dit lichaam moest hun bewustzijn, dat nog ruw en zelfzuchtig was, steeds verder rijpen in liefde en mededogen, totdat ze op den duur mochten terugkeren naar Hem, de oerbron van al het bestaande.

Op veel planeten kozen de kinderen van God voor een leven in harmonie met de goddelijke wetten van liefde en wijsheid. Daar bloeiden beschavingen waarin de mensen leefden in verbondenheid met God en de geestelijke wereld, zodat ze voortdurend door engelen verder werden geholpen. De mensen leefden er vreedzaam en ontwikkelden machtige vermogens van de geest. Op andere werelden, zoals de aarde, verloren de mensen hun contact met de geestelijke wereld omdat ze zich blindstaarden op de materie. Op deze planeten nam de techniek een hoge vlucht, omdat de bewoners verzuimden hun geest te ontwikkelen. Maar omdat hun technische kennis geen gelijke tred hield met hun geestelijke ontwikkeling, raakten zulke werelden vaak in een diepe crisis. Sommige beschavingen vernietigden daarom zichzelf, andere kwamen hun crisis pas te boven toen ze zich opnieuw met de geestelijke wereld hadden verbonden.
Opeens hield de priester, met wiens bewustzijn Peter al die tijd verbonden was geweest, op met lezen. Hij stond op, sloeg het boek dicht en zette het terug in de kast. Peinzend liep hij daarna door naar de sterrenwacht in een aangrenzend gebouw. Daar richtte hij een telescoop op de aarde. Bezorgd keek hij naar de blauwwitte planeet, terwijl de laatste beelden die hij in het boek had gezien, hem nog helder voor de geest stonden: de aarde stond op een gevaarlijk keerpunt in zijn geschiedenis.

Naftaniël keek Peter aan. "Je weet nu alles wat je weten moet. Ik stuur je terug naar je lichaam. Daar zul je over enkele ogenblikken in wakker worden. Schrijf op wat je hebt gehoord en gezien. Haast je, want er is nog maar weinig tijd. Ga nu, je reis is hier ten einde."    

donderdag 14 maart 2013

Hypnose (3): de bewoners van grote sterrenwerelden


 
De gids ving Peters verbazing op en verklaarde: “Wat je hier ziet is niet zo vreemd als het lijkt. Op aarde is er een grote kloof tussen de wereld van de levenden en de sfeer waarin de zielen van overledenen verblijven. Dat komt doordat de mensen op aarde sterk gericht zijn op de materie. Voor de subtielere signalen vanuit de geestelijke wereld hebben zij zich meestal afgesloten. Dat betekent niet dat die signalen op aarde ontbreken, maar in de meeste culturen is het de gewoonte om die te negeren. En door dat stelselmatige negeren van manifestaties uit de geestelijke wereld verliest men op den duur ook werkelijk het vermogen om ze waar te nemen. Op de sterrenwerelden wordt juist geleerd om je ervoor open te stellen. Daardoor is de scheidslijn tussen de wereld van de levenden en de sfeer van de overgegane zielen daar ook lang niet zo groot.
Toch kunnen de bewoners van deze planeten niet alle zielen van gestorvenen zien; dat geldt alleen voor de zielen van mensen met wie ze tijdens hun leven al een nauwe band hadden, zoals met vrienden of familieleden. Voor andere zielen bestaat die scheidslijn dus wel. Maar de vrouw die je in dat dorp ziet, spreekt met haar vader en een paar broers die kort geleden zijn gestorven. Zij zien elkaar niet alleen, maar voelen ook elkaars gedachten en emoties aan. Daarom zullen we hen nu niet storen en de tempel binnengaan. Let goed op alles wat je daar te zien krijgt; sommige dingen zullen je nog goed van pas komen als je weer terug bent in je lichaam.”
Enkele ogenblikken later betraden ze het inwendige van de tempel, die tegen de helling van een lage heuvel was gebouwd. Vandaar had je een prachtig uitzicht op de kleine nederzetting in het dal en op een verre bergketen met besneeuwde pieken. Via een zijingang belandden ze in een ruimte die veel weg had van een bibliotheek. Aan alle wanden waren planken bevestigd waarop boeken stonden opgesteld. De ruggen van de boeken bevatten echter geen schrifttekens, maar kleine, gestileerde tekeningen, enigszins vergelijkbaar met het Oud-Egyptische hiëroglyfenschrift. Ze zagen hoe een priester een boek van een plank pakte en ermee naar een lage tafel liep. Hij sloeg het boek open, legde zijn handen met gespreide vingers op de bladzijden en sloot daarop zijn ogen. In gedachten verzonken bleef hij zo een tijdje zitten; het leek wel alsof hij sliep. Korte tijd later stond hij op en legde het boek terug op de plank waar hij het van af had gepakt. Hij zag eruit als iemand die net een ingewikkeld vraagstuk had opgelost. Daarna begon hij snel te schrijven in een schrift dat hij uit de wijde plooien van zijn mantel te voorschijn had gehaald.
“Ongelofelijk! In een paar minuten heeft hij de inhoud van het boek in zich opgenomen”, merkte Peter op, “en dat deed hij ook nog met gesloten ogen! Hoe kan dat?”
“Heel eenvoudig”, antwoordde Naftaniël. “Het is geen gewoon boek, want het werkt volgens een heel ander principe. De inhoud ervan is niet d.m.v. drukletters op het papier aangebracht, maar d.m.v. gedachtevormen. Een wijze, die thuis was in het onderwerp waar het boek over ging – in dit geval de kosmos – heeft zijn inzichten over de ruimte d.m.v. gedachtevormen aan het boek gehecht. Wie zich nu – net als de priester - die inzichten eigen wil maken, hoeft zich alleen maar voor die gedachtevormen open te stellen. Daardoor verbindt hij zich met de inhoud van het boek en wordt er als het ware één mee. Een snellere methode van kennisoverdracht is er niet. In enkele minuten kun je op deze manier de inhoud van een complete encyclopedie in je opnemen. Zo gaat men op veel grote sterrenwerelden te werk. De taal doet er ook niet, want deze gedachtevormen zijn universeel. ”
Peter knikte. “Dat begrijp ik nu. Maar er zijn nog  een paar dingen die ik graag zou willen weten. Welke godsdienst hebben deze mensen van planeten waar ze zich hebben toegelegd op het ontwikkelen van de geest i.p.v. de materie? En hoe is volgens hen het heelal ontstaan? Bereizen deze bewoners van de sterrenwerelden de ruimte?”
“Ik zal jouw vragen beantwoorden”, antwoordde de gids. “Maar daarvoor moeten we naar een andere tempel, die ook als sterrenwacht dienst doet: daar is al deze kennis opgeslagen. Ik zal je in de geest verbinden met het Boek van de Kosmos, een priesterlijk geschrift. Daarna zal ik je terugbrengen naar de aarde, want ik merk dat je vermoeid begint te raken. Kom, geef mij je hand, dan begeven we ons naar de laatste plek die ik je van deze wereld zal laten zien. Je reis door de kosmos eindigt daar.” 

zaterdag 9 maart 2013

Hypnose (2): op een verre sterrenwereld

 
De man had een jeugdig uiterlijk en droeg een lang, wit gewaad. Toen hij hem tot op een paar meter was genaderd, bleef zijn gestalte roerloos, als een tot leven gekomen hemelteken, voor hem in de ruimte zweven. Helder stak zijn silhouet af tegen het gitzwarte, met sterren bezaaide firmament. “Wat houdt je tegen om andere zonnestelsels te bezoeken?”, vroeg hij, alsof hij de aangesprokene kende en zijn gedachten had geraden. “Zie je op tegen de reis door de interstellaire ruimte? Dat hoeft niet: als je reist in de geest, wordt de duur van je reis niet door de materie, maar door je eigen gedachten bepaald. Alles is een kwestie van concentratie. Kies gerust een ster uit waar je naartoe wilt en richt al je aandacht daarop, dan zul je daar over enkele ogenblikken verschijnen.”
“Ongetwijfeld hebt u gelijk”, antwoordde de aangesprokene, “u schijnt te weten waarover u spreekt. Maar wie bent u? Hoe komt het dat u wist wat ik van plan was? Bent u een engel?”
“Dat ben ik”, antwoordde de man, “men noemt mij Naftaniël. Ik ben een gids voor reizigers tussen sterrenwerelden. Er zijn maar weinigen die over voldoende diepgang en verbeeldingskracht beschikken om de indrukken, die men op verre werelden opdoet, te kunnen verdragen. Maar als je je onder mijn bescherming stelt, zal ik alles in goede banen leiden. Ik wist, Peter, dat je zo ver zou komen, en heb je opgewacht. Als jij dat wilt, zal ik je planeten laten zien die sterk verschillen van de aarde. Zie je die witgele ster in de Kleine Hond? Op aarde noemt hem Procyon. Als je je daar op concentreert, zijn wij er over enkele ogenblikken.”
Peter stemde toe. Hij fixeerde al zijn aandacht op die ster, en merkte dat ze er even later waren aangekomen. Het firmament was plotseling veranderd; uit sommige constellaties waren sterren verdwenen, terwijl andere sterrenbeelden waren vervormd. Geen wonder: hij bevond zich nu op meer dan tien lichtjaar van de aarde. Onder hen bevond zich een planeet die wel iets weg had van de aarde; hij was alleen wat groter en bevatte minder oceanen. Ook ontbraken de poolkappen die zo kenmerkend zijn voor onze eigen wereld.   
 
“We dalen nu af naar het oppervlak. We maken een rondgang over deze planeet, die de derde is vanaf de hoofdster Procyon. Onthoud dat wij voor de bewoners ervan onzichtbaar zijn, maar wij kunnen hen wel zien. Als je iets weten wilt, kun je het mij gerust vragen, maar neem eerst maar op je gemak alle indrukken in je op. Dan zal jou veel duidelijk worden.”
Even later landde het tweetal in een zacht glooiend, heuvelachtig gebied. De toppen van de heuvels waren bedekt met hoog gras. Daaromheen groeiden reusachtige loofbomen, groene kathedralen waarvan de takken de hemel leken te raken. Er was geen levend wezen te zien. Langzaam zweefden ze voort boven een smal, slingerend pad totdat ze een dal bereikten waarin zich een kleine nederzetting bevond. In een wijde kring stonden daar zo’n dertig woningen, witbepleisterd en met een koepelvormig dak. Iets verderop was tegen een heuvelflank een soort tempel gebouwd, opgetrokken uit doorzichtig materiaal. Het gebouw was vrij groot, langwerpig en bezat verschillende torens. Voor de ingang stond een man in een lang, diepblauw gewaad; zijn handen rustten zegenend op de kruin van een vrouw die op een krukje voor hem zat. Beiden hadden hun ogen gesloten. Af en toe prevelde de man iets in een zangerige taal. Daarop viel de vrouw in slaap. De man – kennelijk een priester – riep iets, waarna twee helpers te voorschijn kwamen die de vrouw in het inwendige van de tempel droegen.

Vragend keek Peter zijn gids aan. “De priester, die je daar ziet, heeft een vrouw die hulp bij hem zocht in een genezende slaap gebracht en daarna naar binnen laten brengen”, verklaarde hij. “Daar zal ze herstellen, maar dat kan wel een paar dagen duren. Op deze wereld worden mensen genezen door de krachten van de geest, soms aangevuld met een behandeling door kruiden. Dat gebeurt allemaal heel kalm en ordelijk. Valt jou trouwens in het dal iets op? Kijk eens goed naar de huizen van de nederzetting; wat zie je?”
Peter draaide zich om en keek naar het dorp. Enkele vrouwen stonden daar met elkaar te praten. Verderop speelden een paar kinderen. Maar ook zag hij schimmen die tussen de huizen liepen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Eén van de vrouwen voerde zelfs een geanimeerd gesprek met hen, terwijl hij zeker wist dat het zielen van overledenen waren. Wat moest dat betekenen? Op wat voor een vreemde wereld was hij terecht gekomen?

- wordt vervolgd -

dinsdag 5 maart 2013

Hypnose (deel 1)

 

In een ontspannen houding, de armen losjes gespreid, ging hij op de bank liggen. Daarna zoog hij zijn longen vol lucht terwijl hij zijn oogbollen zo ver mogelijk naar boven draaide. Langzaam liet hij daarop de lucht uit zijn longen ontsnappen terwijl hij zijn blik weer in horizontale positie bracht. Met grote concentratie herhaalde hij dat enkele keren totdat hij soezerig begon te worden. Daarop sloot hij zijn ogen. De trance kon beginnen.

Scherp richtte hij zijn aandacht nu op de vakantievilla achter de eerste duinenrij – het plekje waarheen hij zich altijd in de geest verplaatste als hij onder hypnose ging. In de slaapkamer van het optrekje trok hij zijn zwembroek aan, nam een badlaken uit de kast en liep daarna over een rul zandpad het duin op. Op de top aangekomen zag hij de Noordzee voor zich. De zilte zeelucht prikkelde zijn neusgaten. Enkele meeuwen scheerden krijsend over de branding, verder was er geen levend wezen te bekennen.
Aan de voet van de duinen rolde hij het badlaken uit en ging erop liggen. Nu kwam het moeilijkste gedeelte. Scherp concentreerde hij al zijn aandacht op zijn middenrif waar zich de zonnevlecht bevond, de verbinding tussen geest en lichaam. Voorzichtig liet hij daarop zijn geest uit zijn lichaam glippen. Alleen met een dun, zilveren koord was hij nog met zijn lichaam verbonden, verder was hij vrij om zich overal naartoe te verplaatsen.

In duizelingwekkende vaart steeg hij nu op boven het strand totdat hij de Waddenzee in zijn geheel kon overzien. Links daarvan tekende zich de gebogen lijn af van de Hollandse Noordzeekust, verder naar het westen doemde al de Engelse oostkust op. Hier en daar zag hij minuscule donkere streepjes op het glinsterende zeeoppervlak: dat moesten olietankers zijn. Als een soort Icarus, maar dan zonder vleugels, bleef hij zo nog een tijdje stijgen. Hoog boven de Atlantische Oceaan pauzeerde hij even om op zijn gemak naar beneden te kijken. De bolvorm van de aarde was nu duidelijk zichtbaar; de hemel daar omheen was inktzwart. In de ruimte ontwaarde hij bekende sterformaties, maar hun licht was veel helderder dan vanaf de aarde. Bovendien flonkerden de sterren niet; ze zonden een scherp, bewegingloos licht uit dat bijna pijn deed aan zijn ogen.
Uitgelaten vanwege de tomeloze vrijheid waarmee hij zich kon verplaatsen hervatte hij zijn lange klim naar de sterrenhemel. Onder hem zonk de aarde langzaam weg. De maan leek wel een geel pingpongballetje dat op grote afstand om de aarde cirkelde. Mars en Venus zag hij als zwakke lichtpuntjes in de verte. Alleen de gasreuzen Jupiter en Saturnus waren kleine bolletjes die, omstuwd door tientallen manen, in de uitgestrekte diepten van het zonnestelsel hun baantjes trokken om de zon.
Een juichkreet welde in hem op: dit had hij tot dusver alleen maar gezien op NASA-foto’s van ruimteverkenners die na een eenzame vlucht van jaren bij de buitenplaneten van het zonnestelsel waren aangekomen om daar duizenden haarscherpe opnamen te maken van hun oppervlak. Hij had al na enkele minuten de rand van het zonnestelsel bereikt. Wat zou hij daarbuiten te zien krijgen? Ook al kende hij de sterrenhemel op zijn duimpje, toch begon het hem te duizelen bij de gedachte aan de sprong over een afstand van lichtjaren naar andere sterren.
Besluiteloos bleef hij een tijdje boven het zonnestelsel hangen totdat hij opeens een gestalte ontdekte die hem met hoge snelheid naderde. Schijnbaar moeiteloos, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, zweefde deze op hem af. En opeens besefte hij weer dat hij hier in uitgetreden staat naartoe was gereisd en daarom in principe ook andere geesten kon ontmoeten. Wie zou die man toch zijn? Wat wilde hij? Was het een geest of misschien een engel? 

- wordt vervolgd -

donderdag 21 februari 2013

My final answer to all defenders of the books of Jakob Lorber


Revelations from God or angels are not one hundred percent pure and trustworthy. Why not? Because the wishes, anxieties and prejudices of the human person, who receives those revelations, can easily interfere with the heavenly content of the messages. It's this weakness in all revelations that causes so much confusion - I'm quite sure of that. I've studied the revelations of various prophets and mystics, and it's clear that they differ a lot. The explanations for those differences are various, but the most important is - to my opinion - that the person to whom heavenly things are revealed, also has his own viewpoints, prejudices and personal characteristics.

These differences can already be discerned when you compare the works of related mystics like Jakob Lorber, Emanuel Swedenborg, Gottfried Mayerhofer, Bertha Dudde and others who belong to the so-called 'New Revelation'. That's also the case when you compare the writers of this group with  spiritual authors like Jozef Rulof and Rudolf Steiner. I've studied them all. The differences are gigantic. And yet they all claim they reveal the truth about the spiritual dimension. Why should I prefer one of them and despise or reject the others? Who is right and who is wrong?

The fact that God or the spiritual world reveals something doesn´t mean that it´s not permitted to criticize it and to investigate whether the stories and descriptions such a revelation contains are true and reliable. Moreover, when a book like `The natural Sun´, written by Jakob Lorber, explicitly tells the reader that the descriptions are about the natural, physical world, those data may be investigated by the science that is active in that field. There´s nothing wrong about that. I think it's not fair to reject such an investigation by pointing at the fact that it's not permitted to doubt the word of God, especially when the outcome is negative for a spiritual book. That's the traditional fundamentalist way of defending the own position.

In a couple of articles I demonstrated that the mystic Jakob Lorber made many mistakes in his descriptions of the structure of the universe, especially in his books “Earth and Moon” and “The natural sun”. After reading them, some people reacted ferociously and accused me of rejecting his revelations completely. Some defenders of these books even suggested that my eternal fate was at stake now and that I would go to hell when my worthless, sinful life had come to an end.

I think that part of that criticism on my point of view is based on the fact that the usual methods in astronomy to measure distances are not known to many people. But before raising doubts on those methods, it's important to know them. The most precise and reliable method is the parallax method, that is described here: http://en.wikipedia.org/wiki/Parallax

Beyond reasonable doubt that instrument is very reliable for distances up till 1000 light years or so. The parallax method is based on trigonometry; since hundreds of years that method is used for geographical purposes. The Hipparcos satellite used the parallax method to measure the distance of thousands of nearby stars. The distances from Earth to Sirius and Regulus were also measured. I think it's not reasonable to remark - like some Lorber defendants did - that the Hipparcos way of measuring was so unreliable that in a couple of hundred years the outcome would be completely different. In the same way it's not reasonable to say that the distance of a church tower, measured by trigonometry, will change dramatically when the instruments improve: that method is exactly the same.

The distance from Earth to Sirius is 8,6 light years. That's completely different from the data in the "Natural Sun" of Lorber. In fact Lorber writes that Sirius is bigger than 200 million stars (!) In reality Sirius is no more than 1.7 larger than our Sun. It's a quite normal, main sequence star and certainly not a giant.

Remember that Jakob Lorber spoke about the size and distance of celestial bodies in a natural, physical sense. According to him 200 million stars would circle around Sirius. That is simply not true: there's only one star - its companion Sirius-B - that encircles Sirius. It's not necessary to travel to Sirius to confirm that, because the same method to measure distances is used to schedule flights from NASA spacecraft to the planets of our own solar system. If those measurements were completely unreliable, NASA and ESA (European Space Agency) would not be able to plan a flight to other members of our solar system like Pluto, Uranus, Neptune etc.

Lorber writes that Regulus is the largest star of the universe we can observe; its seize and brightness would almost be unmeasurable. However, Regulus turned out to be a quite normal star, not the gigantic star at a tremendous distance that is described by Lorber. That star is lying about 77,5 light years from Earth. It's approximately 288 times brighter than our sun. For a main sequence star, that's nothing special. Regulus is certainly not the supergiant with a seize of millions of light years that is described by Jakob Lorber. Rejecting those precise and reliable measurements is much too easy, because there's no basis for that. Therefore I think it's much more courageous to admit that Lorber made errors in his books.

I'm quite aware of the fact that people always can say: "O, the stars and planets are so far away, we can't touch them and investigate their surface; maybe our telescopes and other instruments have to be improved to get a better picture of them, so that we can better understand their structure and composition."

But how about the errors Lorber made about the pyramids and the history of Egypt? There you will find the same problems: the data Lorber gives are simply not correct. There has never been one pharao who invented the method how to build pyramids. In fact the skills to build pyramids have been developed during a period of a couple of hundred years. The basic form of it was the 'mastaba', in which important people of the pre-dynastic period were buried.
Later on a number of mastaba's were placed on each other; the first pyramids were built in this way. There has never been one pharao - 'the Shivinz', according to the Great Gospel of John - who suddenly invented the technique to build them, like Lorber writes.

I can almost go on indefinitely to tell about other very strange stories in the Lorber books. But in that case my story would become much too long.

Everybody is free to believe what he or she wants. The only thing I wanted to do is to show that not all passages in the books of Lorber are beyond doubt, and that there is reason to believe that some descriptions, especially those about the universe, are wrong. After reading the works of many spiritual authors, whose religious insights contradict each other, I didn't lose faith. My belief in God and Jesus is much more important than the works of a single prophet. And I won't defend the undefendable. So be it.


dinsdag 5 februari 2013

Kirsten Dunst als bruid van de dood in “Melancholia”

 Kirsten Dunst als de bruid Justine in "Melancholia"
 
Films waarin de mensheid bijna kopje onder gaat, zijn er zo langzamerhand een heleboel. Ik denk daarbij aan “Asteroid”, “The Day after Tomorrow” en “2012”. De nadruk in deze producties ligt meestal op het vette spektakel. Wolkenkrabbers storten als kaartenhuizen in elkaar, tsunami´s overspoelen met nietsontziend geweld de kust en snelwegen zijn verstopt met automobilisten die in paniek aan apocalyptische verschrikkingen proberen te ontkomen. Veel minder vaak worden films uitgebracht waarin de regisseur probeert te laten zien welk effect zo’n catastrofe heeft op de psyche van degenen die erdoor worden getroffen. Lars von Trier deed met zijn in 2011 uitgebrachte `Melancholia´ een poging om dat thema nader uit te werken; ik denk dat hij in zijn opzet is geslaagd.

De hoofdrol in deze productie is weggelegd voor de actrice Kirsten Dunst. Zij speelt de rol van de depressieve Justine. ‘Melancholia’ begint met een close up van haar. Uiterst traag en met een in-trieste blik opent zij haar ogen, alsof ze het liefst meteen weer terug zou willen zinken in een diepe lethargie. Deze openingsscene wordt gevolgd door minutenlange beelden in slow motion van een parkachtig landschap. Aan de hemel is niet alleen de maan te zien, maar ook een planeet die een blauwige gloed werpt over het landschap. Deze opnamen worden afgesloten met beelden van een botsing tussen deze planeet en de aarde.
In feite is dat de essentie van de hele film: melancholie die zó onnoemelijk zwaar is, dat hij leidt tot het definitieve einde. Toch zou je dat niet denken als je kijkt naar wat er op die slow motion-beelden volgt. De eerste helft van de film speelt zich namelijk af in een landhuis waar een pas getrouwd paar zijn bruiloftsfeest viert. De bruid Justine, gespeeld door Kirsten, probeert de schijn op te houden dat ze gelukkig is, maar achter dat masker wordt ze verteerd door angst en diepe melancholie. Naarmate de avond vordert vlucht ze daarom steeds vaker de feestzaal uit. Haar zus Claire, gespeeld door Charlotte Gainsbourg, en haar zwager, een rol van Kiefer Sutherland, weten haar telkens over te halen om terug te keren, maar haar gedrag blijft zonderling.
Zo rijdt ze ’s avonds laat in een golfkarretje door het park rondom het landhuis om naar een blauwe planeet te kijken die de aarde steeds dichter nadert. Iedereen weet dat hij de aarde rakelings zal passeren, maar het is onzeker wat er daarna gaat gebeuren: misschien keert hij daarna terug om op de aarde te botsen. Bij een volgende ontsnapping uit de feestzaal komt één van de gasten, een collega van haar, bezorgd achter haar aan. Zonder veel omhaal gooit ze hem op het gazon en heeft seks met hem, en dat nota bene op de avond van haar bruiloftsfeest. Alsof er niets gebeurd is, loopt ze daarna terug naar de feestzaal.
Rond middernacht gaat ze samen met haar nieuwbakken echtgenoot naar de bruidssuite. Verlekkerd begint hij zich uit te kleden, maar merkt al snel dat zijn bruid geen gemeenschap met hem wil en de kamer verlaat. Als hij even later ziet dat ze ook nog ruzie met één van de gasten staat te maken, besluit hij om afscheid van haar te nemen.
In het tweede gedeelte van de film wordt steeds duidelijker dat de planeet Melancholia op ramkoers ligt. Opvallend genoeg wordt Claire, die haar zaakjes altijd zo goed voor elkaar heeft, steeds onrustiger, terwijl de depressieve Justine steeds kalmer wordt. Af en toe kijkt Claire naar internetpagina’s met een prognose van de baan van Melancholia. Die zien er niet best uit: na een nauwe passage spiraleert de planeet terug naar de aarde, waarna ze op elkaar zullen botsen. Haar man John probeert haar gerust te stellen, maar dat is maar toneelspel: als duidelijk wordt dat een botsing onvermijdelijk is, pleegt hij zelfmoord. Justine reageert heel anders. In de nacht voor de ramp loopt ze naar buiten en gaat in het blauwe schijnsel van Melancholia naakt op een rots liggen, met haar gezicht naar de planeet toegekeerd. Ze ziet er heel kalm uit, alsof het vooruitzicht van het einde haar oplucht. Het lijkt wel alsof ze met de planeet flirt. 

Justine en Claire staren naar Melancholia.

In het zicht van het definitieve einde voeren de zussen de volgende dag hun laatste gesprekken. Justine is ervan overtuigd dat er geen weg terug is. “Er is alleen leven op aarde”, zegt ze. “Maar niet lang meer”, laat ze er met trillende stem op volgen. Ze weet zeker dat niemand de mensheid ooit zal missen. “De aarde is kwaadaardig. We hoeven er niet om te rouwen.” Vlak voor het moment van de botsing gaan de beide zussen, samen met het zoontje van Claire, naar het gazon voor het landhuis om het einde af te wachten. De film eindigt in een oogverblindende gloed van blauwwit licht, waarna een diepe stilte valt. De aarde heeft opgehouden te bestaan.
Deze film heeft diepe indruk op me gemaakt. Zo vond ik Kirsten Dunst in haar rol van Justine fenomenaal goed. Heel geloofwaardig speelt zij de rol van een zwaar depressieve jonge vrouw. Dat ze er op het filmfestival van Cannes in 2011 een award mee won als beste actrice vind ik dan ook terecht. Maar deprimerend vond ik de film desondanks wel. Er is wat mij betreft maar één tegengif tegen dat gevoel: het besef dat we elkaar vooral als medemensen moeten zien. Dreigingen uit de kosmos werpen ons terug op de essentie. Een open, liefdevolle houding tegen elkaar is voor mijn gevoel dan ook ontzettend waardevol. Samen kunnen we zo’n dreiging misschien aan, maar een diep verdeelde mensheid staat machteloos als er ooit een planeet of grote planetoïde op ons afstormt. En ooit zal dat gebeuren.  

Impending disaster: de planeet doemt op boven de horizon.
 
Slotscène van Melancholia: Justine bouwt een 'magische hut' voor het zoontje van Claire en vertelt hem dat ze daar veilig zullen zijn. Gedrieën wachten ze het einde van de wereld af.