donderdag 30 juni 2011

Dat is onmogelijk!


Soms denk ik wel eens dat de wereld van onwaarschijnlijkheden aan elkaar hangt. Er gebeuren allerlei dingen die volgens de wetenschap gewoon niet kunnen. Wetenschappers hebben immers bepaald wat waar is en wat niet. Ze hebben een aantal basisregels opgesteld die beschrijven hoe we ons de werkelijkheid moeten voorstellen. Toch rammelen veel van die regels aan alle kanten.

Neem nou bv. de hersendood. Volgens de gangbare definitie is iemand echt dood als hij hersendood is. Jammer genoeg is dat een fabeltje. Alleen al in Nederland zijn minstens 600.000 mensen hersendood geweest. Tóch zijn ze daarna weer bijgekomen. Is dat een reden voor medici om hun definitie van ‘dood’ bij te stellen? Helemaal niet. Een wetenschappelijke definitie of paradigma wordt pas bijgesteld als de wetenschappers, die ermee werken, onder de groene zoden liggen. De menselijke natuur is weerbarstig. Nu is een wetenschapper een mens. Wetenschappers zijn dus zo koppig als de neten.
Neem nou het feit dat mensen die een orgaan krijgen van iemand anders, heel vaak de eigenschappen van de donor overnemen. Volgens veel medische specialisten is dat onmogelijk. Maar het zijn juist hun patiënten die ons verzekeren dat ze door dat orgaan andere eigenschappen hebben gekregen. Ik heb een paar programma’s gezien op Discovery hierover. Verschillende mensen die een orgaan van een ander hadden gekregen, vertelden dat hun karakter er blijvend door was veranderd. Ook hun familieleden en vrienden bevestigden dat. Als proef op de som ging men na van wie ze dat orgaan gekregen hadden: karakteristieke eigenschappen van de donor bleken ze te hebben overgenomen. “Onmogelijk!” roepen veel medici. “En toch is het waar”, roepen veel patiënten. Wie zijn wij om hen niet te geloven?
Neem nou het fabeltje dat anti-psychotica goed zouden zijn voor demente bejaarden. Uit onderzoek is gebleken dat ze daardoor veel sneller overlijden. Toch gaat men gewoon door met die praktijken. De macht der gewoonte, zullen we maar zeggen.

Heel lang geloofde men dat je demente bejaarden, die slecht liepen, strak op hun stoel vast moest binden. Dat was lekker veilig want zo konden ze niet vallen. De oudjes kreunden er soms over, ze voelden zich als een ding behandeld. Maar opa moest het maar even volhouden zo, het was immers voor zijn eigen veiligheid. Tientallen jaren was men zo bezig. Nu pas komt er verandering in. Men ontdekte dat de conditie van bejaarden er hard door achteruit ging. Maar er moet hard voor geknokt worden om zulke praktijken terug te dringen. Mythen en fabeltjes leiden immers een hardnekkig leven.
Neem nou de werking van homeopatische geneesmiddelen. “Ze werken niet”, roepen veel medici in koor, “verbieden die handel”! Als reguliere medici de kans kregen zouden ze veel kruiden die gewoon in de natuur groeien verbieden om nog langer te groeien. Want veel kruiden werken nl. wel. St. Janskruid blijkt goed te werken om de stemming te verbeteren. Maar ook al is dat goed onderzocht, de reguliere medici blijven bij hun standpunt. Dogma’s komen immers niet alleen in de kerk voor, maar ook in de wetenschap: ze heten alleen anders.
De lijst met onmogelijke dingen is eindeloos. En toch gebeuren ze. Feiten en concrete ervaringen van mensen storen zich niet aan wat volgens reguliere wetenschappers al of niet mogelijk is. De werkelijkheid is veel gevarieerder, diepzinniger en creatiever dan de meeste mensen zich voor kunnen stellen. Toch is er één troost: wat nu nog onmogelijk lijkt, is over pakweg vijftig jaar heel gewoon. Men kan zich dan moeilijk voorstellen dat we zo eenzijdig tegen allerlei dingen hebben aangekeken. Als men dan hoort wat we in deze tijd allemaal hebben geloofd en voor hoeveel dingen we ons in onze onwetendheid hebben afgesloten, zullen er misschien ook wel mensen zijn die zeggen “Onmogelijk, dat geloof ik niet”.
Geloof me, zelfs dat is mogelijk.

zondag 26 juni 2011

De Nederlandse bezetting van Londen: een blinde vlek in de Britse memorie

De landing van de Nederlandse invasiemacht in Torquay, 5 november 1688.

Dat Britten nogal selectief omgaan met de geschiedenis, is voor de meeste mensen geen geheim. Voor hen is Groot-Brittannië immers nog steeds het middelpunt van de wereld. Niet voor niets loopt de nulmeridiaan over Greenwich, een voorstad van Londen. Dat het Engels als de lingua franca van deze tijd wordt beschouwd sterkt hen alleen maar in hun zelfingenomenheid.

Voor een objectieve geschiedschrijving heeft dat zo zijn nadelen. Zo denken veel Engelsen nog steeds dat hun land na 1066, toen Willem de Veroveraar naar de Britse eilanden overstak, niet meer met succes is aangevallen. Het is dan ook een verademing dat een Britse historica als Lisa Jardine dat beeld heeft bijgesteld. In haar boek “Going Dutch”, dat in 2008 verscheen, toont ze aan dat de succesvolle invasie die in 1688 door de Nederlandse stadhouder Willem III op het Engelse grondgebied werd uitgevoerd, niet een intern-Engelse aangelegenheid was, zoals dat meestal in Groot-Brittannië wordt voorgesteld. Zeker: Willem III was getrouwd met Maria Stuart, de dochter van de Engelse koning James II. Zijn echtgenote had als oudste dochter van de koning recht op de Engelse troon. Nog belangrijker was het feit dat Willem III als protestant door veel leidende figuren in Engeland werd gezien als de ideale opvolger van de katholieke James II. Een meerderheid van de Engelsen had schoon genoeg van de katholieke vorsten die hen op een absolutistische manier hadden geregeerd en de macht van het parlement hadden beknot. Daarom had zich een sterke Engelse lobby gevormd die de katholieke koning met buitenlandse hulp wilde verjagen. 
Toch is er ook een andere kant van het verhaal die de Engelsen lang hebben verzwegen omdat het niet goed past bij het beeld dat zij van hun land als soevereine natie hebben. De invasie van Engeland die Willem III ondernam had nl. ook puur strategische redenen voor de Republiek. De katholieke James II stond op het punt om, net als in 1672, een bondgenootschap tegen Nederland te sluiten met de Franse Lodewijk XIV. Dat moest natuurlijk worden voorkomen. Het meest effectieve middel was een invasie van Engeland, waarbij de macht door een protestantse leider werd overgenomen die het samen met de Republiek tegen Frankrijk kon opnemen. Willem III was daarvoor de aangewezen man.
Over de invasie van 1688, die in Engeland als “The Glorious Revolution” wordt aangeduid, bevat het boek van Lisa Jardine een aantal onthullende en verrassende feiten. Ze vergelijkt deze met D-day. Werkelijk elk detail was door Willem III tot in de puntjes voorbereid. Zo liet hij al maanden van tevoren tienduizenden exemplaren drukken van het pamflet waarin hij de invasie rechtvaardigde, de “Declaration”. Deze werden al vòòr zijn overtocht op verschillende plaatsen in Engeland in het geheim opgeslagen, zodat ze direct konden worden verspreid zodra de invasie van start was gegaan. Er werd zelfs een mobiele drukkerij mee aan boord genomen die na aankomst werd gebruikt om pamfletten te verspreiden onder de bevolking. Op die manier werd de publieke opinie listig bespeeld.
Toen Willems leger van 20.000 man, inclusief 7.000 man aan ruiterij, op 5 november 1688 in Torquay aan de Engelse zuidwestkust aan land was gegaan, presenteerde hij zich als de door God gezonden protestantse bevrijder van de katholieke dwingeland James II. Hij deed zijn uiterste best om te lijken op de ruiter op het witte paard uit het bijbelboek Openbaringen, die in de eindtijd de antichrist zal verslaan. Daarom trok hij op 18 december op een smetteloos wit paard Londen binnen, gestoken in een wit gala-uniform, geëscorteerd door ruiters op zwarte paarden. Op de Engelse toeschouwers maakte dat een onvergetelijke indruk; het “God bless you” was dan ook niet van de lucht. Van grote menigten moest Willem trouwens niets hebben; aan het eind van de intocht in Londen kneep hij er stiekem tussenuit om de tuinen van St. James Palace te bewonderen, waar hij als hovenier in geïnteresseerd was.
Tot het voorjaar van 1690 werd Londen en de wijde omgeving ervan bezet gehouden door Nederlandse elitetroepen. Willem III nam ruim de tijd om zijn macht in Engeland te consolideren en nam geen risico’s. Het is vooral het sterk Nederlandse karakter van deze bezetting die voor Engelsen onverdraaglijk was. Jardine concludeert dan ook: “Sinds het begin van de achttiende eeuw is een dikke muur van stilte gedaald rondom de Nederlandse bezetting van Londen 1688-1690. De hele kwestie kwam latere generaties zo onwaarschijnlijk voor dat het zowel door geleerden als door de bevolking met algemene instemming gewoon werd geschrapt uit de geschiedenisboeken.”

Kennelijk was en is het voor de Engelse zelfingenomenheid ondraaglijk dat hun land in 6 weken tijd door een vlekkeloos uitgevoerde invasie van een Nederlandse prins op de knieën werd gedwongen. Liever beschouwen ze dat als een puur Engelse aangelegenheid. Gelukkig zijn er nog historici te vinden die moeite doen om dit al te eenzijdige beeld recht te zetten. Dat het uitgerekend een Britse historica is die de Engelse zelfgenoegzaamheid op dit punt een tik op de vingers heeft gegeven, is daarbij mooi meegenomen.    

woensdag 15 juni 2011

BDE-onderzoek, eindeloos bewustzijn en bewustzijnsvernauwing


Wie enkele eeuwen geleden ketterse opvattingen verkondigde over God, hiernamaals of heelal moest voor zijn leven vrezen. De kans was groot dat hij op de brandstapel eindigde, in mootjes werd gehakt of op een andere, even pijnlijke manier naar de andere wereld werd geholpen. Het gebrek aan wetenschappelijke verbeeldingskracht bij de autoriteiten was vaak omgekeerd evenredig aan de creativiteit waarmee men ketterse nieuwlichters te lijf ging, vaak met fatale gevolgen.


Gelukkig ligt de tijd van hakblokken nu achter ons. Maar de weerstand tegen nieuwe ideeën is niet verdwenen. Er zijn nu andere manieren om mensen te lynchen als ze ideeën verkondigen die afwijken van wat door de meerderheid wordt geloofd. Tegenwoordig gebeurt dat meestal digitaal. Kennis van zaken is niet meer nodig, wel een toetsenbord, een p.c. en een internetaansluiting. De richtingenstrijd heeft zich van het marktplein en het gerechtsgebouw naar het internet verplaatst - de emoties zijn onveranderd dezelfde gebleven.  

De cardioloog Pim van Lommel is één van de mensen die dit aan den lijve heeft ondervonden. Na het verschijnen in 2007 van zijn boek “Eindeloos bewustzijn – een wetenschappelijke visie op de bijna-dood-ervaring” barstte de discussie hierover in alle hevigheid los. Veel bloggers, die dat boek niet eens hadden gelezen, verklaarden het voor onwetenschappelijk. Geleerden gingen op hun beurt ijverig aan de slag om de belangrijkste conclusies ervan onderuit te schoffelen.
De reden voor al dat gekrakeel ligt voor de hand: zijn conclusies waren vernietigend voor het medische paradigma dat ons bewustzijn het product zou zijn van onze hersenfuncties. In die gedachtengang verdwijnt ons bewustzijn bij de fysieke dood. Van Lommel toonde echter aan dat mensen tijdens de klinische dood vaak een veel helderder bewustzijn hebben dan tijdens het normale waakbewustzijn. Ze ontmoetten overleden vrienden en verwanten, kregen een andere, mooiere wereld te zien en soms ook een blik op dingen die nog moesten komen. Dat wijst erop dat onze geest de dood overleeft – en dat is iets wat veel mensen niet willen accepteren. Het heeft immers enorme consequenties voor onze manier van denken. Men dacht dankzij Verlichting en secularisatie van al die veronderstelde religieuze onzin af te zijn – en nu kwam er opeens een wetenschapper die meende dat hij het voortbestaan van ons bewustzijn na de dood had aangetoond? Afmaken die hap, want straks komt al die religieuze nonsens over hemel & hel weer terug, weliswaar verpakt in een wetenschappelijk jasje, maar daardoor nog veel moeilijker te bestrijden!
Paradoxaal genoeg zijn door die houding juist die groepen, die zichzelf als vertegenwoordigers van de Verlichting en de Vooruitgang beschouwen, verworden tot een achterhoede die een verbeten moddergevecht levert tegen nieuwe inzichten die door het BDE-onderzoek zijn verkregen. Wetenschappelijk gezien is het idee dat BDE’s slechts hallucinaties zijn als gevolg van zuurfstofgebrek in de hersenen volkomen onhoudbaar gebleken. In zijn boek “Herinneringen aan de dood” heeft dr. Michael B. Sabom, een cardioloog uit de VS, dit met grote precisie aangetoond. Bijna-dood-ervaringen treden immers op als er helemaal geen hersenactiviteit meer is. Klinisch gezien is de patiënt tijdens een BDE dus dood. Sabom kwam tot de conclusie dat een zuurstoftekort in de hersenen ongeveer dezelfde ervaringen veroorzaakt als psychedelische drugs. De consistentie, de helderheid en de grote cognitieve scherpte die kenmerkend zijn voor bijna-dood-ervaringen ontbreken dan echter. Ook van andere verklaringen, waarbij wordt uitgegaan van fysieke oorzaken, heeft hij aangetoond dat ze volledig onhoudbaar zijn, bv. de gedachte dat BDE's zouden ontstaan door chemische veranderingen in de hersenen tijdens het stervensproces.

Sabom is niet de enige die heeft aangetoond dat zuurstofgebrek nooit de oorzaak kan zijn van BDE’s. Uit de studies van Y.Henderson en H.W. Haggard - en een aanvullend onderzoek van R.M. McFarland - naar het effect van zuurstofgebrek in de hersenen, blijkt dat het waarnemingsvermogen van de mens bij het afnemen van de zuurstoftoevoer naar de hersenen steeds meer wordt verstoord. Dat staat in schril contrast met de enorme helderheid van geest die wordt beschreven door mensen die een BDE hadden. Sabom concludeert dan ook: “De reeks van gebeurtenissen die kenmerkend zijn voor een BDE wordt niet in gang gezet door de toenemende verlaging van het zuurstofniveau van de hersenen tot bewusteloosheid intreedt. Dus kan zuurstofgebrek in de hersenen geen verklaring vormen voor de wijze waarop een BDE zich manifesteert."
Is de discussie daarmee nu afgelopen? Absoluut niet. Er zijn veel meer pogingen gedaan om te bewijzen dat mensen tijdens een BDE niet echt dood zijn, of dat hun ervaringen het gevolg zijn van de chemische processen tijdens het sterven. De belangrijkste aanwijzing – hoewel geen wetenschappelijk bewijs - voor de echtheid van BDE’s wordt daarbij meestal over het hoofd gezien. De ingrijpende ervaringen die mensen hierbij hebben zorgen voor een complete verandering van hun persoon: ze worden vaak veel socialer, liefdevoller en minder ego-gericht. Wie aangeraakt wordt door de eeuwigheid hecht minder aan dit leven en meer aan alles wat het tijdelijke overstijgt: de liefde voor anderen, eerbied voor de wereld om ons heen, respect voor alles wat leeft.

Wetenschappelijk gezien schiet je daar misschien niet veel mee op, maar op de samenleving als geheel heeft het wel een grote invloed. Naar schatting hebben ca. 600.000 Nederlanders ooit een BDE gehad. Het zou mij niet verbazen als dat gegeven uiteindelijk de doorslag zal geven bij alle discussies die hierover worden gevoerd. De kans is groot dat de dood over niet al te lange tijd zal worden gezien als een verandering van het bewustzijn, niet als het definitieve einde ervan.  

maandag 13 juni 2011

De binnenwereld, New Age en het licht van Christus


De mystieke weg bestaat voor een groot deel uit een afdaling in het schimmenrijk van je binnenste. Zo vergaat het iedereen die er ernst mee maakt. Wie hem doorloopt, ziet niet alleen de grotten en spelonken in het zielenrijk, maar voelt, betast en proeft ze ook. Veel schimmen en gedrochten komt hij daar tegen. Veel monsters komen daar te voorschijn en grijpen hem naar de keel. Soms drijven ze hem zelfs naar de afgrond. Godzijdank draagt hij echter al die tijd - soms zonder het te weten - een fakkel in z'n hand, waardoor hij de weg door die grotten en spelonken vòòr hem kan blíjven zien.

Zonder die fakkel is hij reddeloos verloren. De mystieke weg is immers een poging tot inwijding, zonder kompas, door het onontgonnen gebied van het onbewuste. Toch komt men er altijd sterker uit te voorschijn. Niet door formules te prevelen, jezelf in een yogazit te knopen of oosterse technieken aan te leren. Nee. Het enige oriëntatiepunt bestaat uit het licht en de liefde van Christus. Maar dat is voldoende. Meer heb je helemaal niet nodig.

Zo verging het ook mij. Ik verlangde niet naar hokus pokus of geheimzinnige openbaringen der antieken, niet naar een cursus in wonderen of therapieën die trauma’s uit een imaginair vorig leven genezen. Alle wonderdoeners, New Age-goeroes en zelfbenoemde profeten, waanwijzen, predikers van de wereld, aurahealers, numerologen en hun paradijsvogel-achtige aanhang wees ik resoluut de deur, nadat ik af en toe van hun wonderlijke leringen had geproefd.
De uiterlijke, fysieke wereld – de alledaagse werkelijkheid – bestaat immers louter uit drogbeelden en illusies. Maar binnenin onszelf, met de vlam van onze geest, kunnen we weer de verbinding aangaan met de oneindige geestelijke wereld, waarvan Christus het middelpunt is. Ik heb zelf ervaren dat alle dingen (nou ja, bíjna alle dingen) mogelijk worden als je je innerlijk voor Hem openstelt en je hart toegankelijk maakt voor Zijn liefde.

Goddelijk zijn wij, maar dan alleen in aanleg. Volgens de aanhangers van New Age zijn wij echter allemaal goden. Daarmee doelen zij op het ego dat zichzelf op de troon zet. Ons werkelijke startpunt is echter helemaal niet het innerlijk. We zijn immers geen ongeschapen, maar geschapen wezens. Zoals we ooit zijn ontstaan van buitenaf, door een wilsdaad van God, waarna we gedurende miljarden jaren van die oorsprong zijn afgedwaald omdat we wegtuimelden uit het Oerlicht, zo zullen we ons ook weer een weg terug moeten vechten, terug naar Hem bij wie onze levenstocht begon.

Van ons bestaan vòòrdat wij op aarde kwamen, weten we vrijwel niets. We dronken immers van de Lethe, de rivier der vergetelheid, voordat wij hier werden geboren. Toch zijn de herinneringen aan de voorgeboortelijke wereld niet helemaal verdwenen. Af en toe verschijnen nog flarden daarvan op het netvlies van onze ziel. Het zijn niet de concrete herinneringen zelf die ons dan te binnen schieten, maar het besef dát we er ooit herinneringen aan hadden, zoals een oude man nog vagelijk weet dat hij in zijn vroegste jeugd in een klein dorpje heeft gewoond, zonder dat hem nog scherpe beelden voor ogen staan van het huis of het dorp waarin hij zijn eerste levensjaren sleet. Zo is het gesteld met die voorgeboortelijke herinneringen; ze ontglippen ons als een schim die je vanuit je ooghoeken maar ternauwernood kunt zien, maar opeens verdwenen is zodra je er gericht naar kijkt.

Als wij niet uit het hoge licht waren getuimeld, hadden we nooit hoeven te incarneren op deze duistere wereld die in de greep is van de illusie en de schone schijn. We kunnen ons alleen bevrijden uit de greep van die wereld vol maya door het licht van Christus in ons binnenste toe te laten. Dan doorlicht Zijn liefde ons hart en vlamt het op in liefde voor Hem die ons schiep.
Maar wie – zoals vaak binnen New Age gebeurt - in het labyrint van zijn innerlijk blijft dwalen in de hoop daar het mystieke goud van de alchemisten te vinden, raakt het spoor bijster en verliest zichzelf in eindeloze spiegelingen, drogbeelden en waanbeelden van wijsheid. Waarom? Omdat je je dan bevindt in spiegelzalen vol oud, gebroken licht. Het is afgeleid licht dat je daar door de gangen ziet spelen, stuifmeellicht dat op een zomerdag door het dakraam van een grote zolder binnenvalt en een lichtkolom vol dwarrelend stof vormt in een voor het overige donkere zolderruimte. Het eigenlijke licht van de zon zul je daar nooit vinden, alleen maar reflecties van reflecties daarvan...

Ik zoek mijn heil uiteindelijk in de wereld van de geest buiten me én in m'n binnenste. Het gaat mij om de wisselwerking tussen binnen en buiten, om het laten doorlichten van het hart door Christus. Goden zijn wij, maar dan alleen in aanleg. Pas door de vonk van God in ons binnenste toe te laten worden we gewekt, niet door eindeloos in onszelf rond te cirkelen, zoals New Age de mensen vaak voorhoudt.
De verheerlijking en vergoddelijking van het ego is dan ook één van de grootste spirituele valkuilen van deze tijd. Laten we nooit vergeten dat onze wil en onze liefde wel heel erg belangrijk zijn, maar dat al onze inspanningen pas gezegend worden als we ons liefdevol verbinden met onze Vader. Op eigen kracht draaien we vroeg of laat vast. Maar verbonden met Hem openen zich verten waar we ons nu nog geen voorstelling van kunnen maken.

donderdag 9 juni 2011

De dictatuur van de olifant met het kunstgebit


Vorige week verscheen “Zwevende gelovigen – oude religie en nieuwe spiritualiteit” van Joep de Hart. Als wetenschappelijk medewerker van het Sociaal en Cultureel Planbureau deed hij uitgebreid onderzoek naar de stand van zaken op religieus en spiritueel gebied in Nederland. Er wordt immers wat afgeloofd in ons landje. Parabeurzen hoppen als reizende circussen van het ene provinciestadje naar het andere, astrologen, waarzeggers, auralezers en andere wonderdoeners trekken volle zalen en boeken van alternatieve dominees als Hans Stolp vinden gretig aftrek. In schril contrast daarmee kwijnen de kerken in vergetelheid weg. Dominees preken nog slechts voor een handjevol bejaarden die rijp zijn voor het verpleeghuis en ook de pastoor ziet zijn vergrijzende schare met het jaar slinken. Alsof dat nog niet genoeg is worden veel kerken afgebroken en verbouwd tot studentenhuizen, wasserijen, kroegen of erger.

Er zijn dus twee duidelijke trends zichtbaar: de afkalving van de traditionele kerken en de opkomst van de nieuwe spiritualiteit. Om ze helder van elkaar te kunnen afbakenen maakt De Hart onderscheid tussen religie en spiritualiteit. De eerste term gebruikt hij vooral voor de aanhangers van de kerken, terwijl hij de term spiritualiteit reserveert voor alles wat meer met beleving, intuïtie en ervaring te maken heeft; dat vindt vooral buiten de kerken plaats.  
Die laatste groep is behoorlijk groot: ongeveer een kwart van de bevolking is geen lid van een kerk, maar wel geïnteresseerd in spiritualiteit. Het is vooral deze groep die vroeger bij veel onderzoeken naar religiositeit buiten de boot viel omdat men alleen het geloof van kerkleden onderzocht. Gelukkig wordt daar nu steeds meer rekening mee gehouden.
Een opvallende conclusie van “Zwevende gelovigen” is dat kerkelijke gelovigen, hoewel ze nog geen 40% van de bevolking vormen, veel vaker dan andere groepen betrokken zijn bij vrijwilligerswerk. Heel veel culturele en maatschappelijke organisaties zouden zonder hun inzet niet eens kunnen bestaan. Ook onder buitenkerkelijke gelovigen kom je trouwens meer vrijwilligers tegen dan onder groepen die helemaal niets met het geloof te maken willen hebben.
Zo bezien heeft geloof een heel nuttige functie. Door hun geloof creëren mensen allerlei netwerken die zich ook vertalen in maatschappelijke organisaties en culturele instellingen. Het is dan ook vreemd dat vooral militante atheïsten - waarmee ik niet de 14% atheïsten bedoel die zeker weten dat er geen god bestaat maar andersdenkenden niet bestrijden – vaak beweren dat het geloof schadelijk is voor individu en maatschappij. Het geloof zou als middel van onderdrukking en infantilisering worden gebruikt om de mensen aan te passen aan een systeem dat een kleine, bevoorrechte groep goed van pas komt.
Een kardinale fout die ze daarbij maken, is dat hun beeld van ‘de gelovige’ vooral slaat op de situatie van pakweg een eeuw geleden. Ze denken daarbij aan de fabrieksdirecteur die de arbeiders arm, en de pastoor die hen dom hield. Het geloof is daarbij een middel tot onderdrukking van de werkende klasse, als ‘opium van het volk’, zoals Marx het definiëerde. Met het geleidelijke verdwijnen van de kerken gaat die vlieger al lang niet meer op. Het zijn nu vooral de nieuwe spirituelen zonder binding met een kerk die de toon aangeven. Bovendien blunderen atheïsten door hun vrijage met de allang achterhaalde evolutietheorie. Er is nog nooit een missing link tussen twee soorten gevonden. Ook de door atheïsten aangehangen oerknaltheorie lijkt achterhaald. Wetenschappelijk bezien staan ze op glad ijs.  

Toch beroepen ze zich vaak op hun wetenschappelijke basis, waarbij de natuurwetenschappen favoriet zijn. Dat is een vreemde redenering: de wetenschappen nemen immers geen metafysisch standpunt in en kunnen dan ook niet worden gebruikt om aan te tonen dat het wereldbeeld van gelovigen niet zou kloppen. Wetenschap en geloof spreken een andere taal, het zijn verschillende benaderingen van de werkelijkheid. Ze sluiten elkaar dan ook niet uit. Ook onder wetenschappers vind je immers gelovigen, en het Vaticaan heeft een eigen sterrenwacht.

De mens is een spiritueel wezen en heeft behoefte aan een niveau van de werkelijkheid dat buiten het alledaagse en het zichtbare valt. Mensen die helemaal nergens in geloven zijn er heel weinig.  Deze mensen zijn, om met Joep de Hart  te spreken, even zeldzaam als een olifant met een kunstgebit. Het spreekt vanzelf dat pogingen van deze kleine, militante groep om anderen dictatoriaal het zwijgen op te leggen dan ook gedoemd zijn om te mislukken. Hun campagnes lijken op een aanval vanaf een roeiboot op een vliegdekschip. Onbegonnen werk dus. Geloof - of je het nu religie of spiritualiteit noemt - is altijd al een heel belangrijke drijfveer van de mens geweest. Onze kunst- en cultuurgeschiedenis is zonder religie zelfs ondenkbaar. Het is naïef om te denken dat daar ooit verandering in zal komen. De mens kan er nu eenmaal niet zonder. Met of zonder kunstgebit.

woensdag 25 mei 2011

Recensie van "Uitbehandeld, maar niet opgegeven" van Detlef Petry


In maart dit jaar verscheen bij uitgeverij Ambo het boek “Uitbehandeld, maar niet opgegeven” van de Duitse psychiater Detlef Petry. Hoewel hij Duitser van origine is, was hij vooral in Nederland actief. Van 1978 tot 2009 was hij verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis “Vijverdal” in Maastricht. In die periode heeft hij zich vooral verdienstelijk gemaakt door zijn werk voor patiënten die als ‘onbehandelbaar’ door de psychiatrie waren opgegeven. In Nederland is hij geen onbekende. Zo maakte de NCRV in 2004 over zijn werk een documentaire, die dezelfde naam draagt als het boek dat pas van hem is verschenen.

Zijn boek begint met een beschrijving van zijn jeugd en jonge jaren in Duitsland. Gemakkelijk heeft hij het niet gehad. Zijn vader vocht bij de Waffen-SS en raakte in 1944 in krijgsgevangenschap; in datzelfde jaar werd Detlef geboren. Pas vijf jaar later kwam zijn vader vrij. De eerste jaren groeide Petry dus op zonder vader.
Begin vijftiger jaren deed de schrijver dienst bij de Bundeswehr. Veel officieren waar hij mee te maken had waren afkomstig uit de vroegere Wehrmacht. De training was dan ook bikkelhard.

Petry had weinig op met het Duitse nazi-verleden. In zijn boek is dat duidelijk te merken. Zo deed hij bv. onderzoek naar de wreedheden en moordpartijen die de nazi’s uitvoerden op psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten. Maar liefst 200.000 patiënten werden in het kader van de Aktion T-4 vermoord. Ze werden beschouwd als ‘Untermenschen’ wier leven mensonwaardig was. De nazi’s vonden het te duur om hen in leven te houden; daarom werden ze massaal afgemaakt. Voor een groot deel gebeurde dat door vergassing, maar voor een deel ook door executies voor het vuurpeloton.

Op een heel bewogen toon schrijft Petry over deze collectieve moord op psychiatrische patiënten. Daarbij maakt hij o.a. melding van de executie van een grote groep psychiatrische patiënten in het Apeldoornse Bos. Ook in Nederland kwamen deze praktijken dus voor. Verbijsterd vraagt Petry zich af hoe het mogelijk was dat ook veel psychiaters en verpleegkundigen uit die tijd meewerkten aan deze uitroeiïng van weerloze mensen. Waarom kwamen zo weinig mensen hiertegen in verzet? Waarom werd de moord op psychiatrische patiënten en gehandicapten na de oorlog angstvallig doodgezwegen?

Van 1966 tot 1972 studeerde Petry medicijnen aan de universiteit van Keulen. Het was in deze periode dat zijn interesse in de psychiatrie begon. Later studeerde hij aan dezelfde universiteit af als psychiater. Toch bleef hij niet in Duitsland; in 1978 ging hij werken als psychiater in “Vijverdal”. Als reden geeft hij op dat hij het klimaat in Nederland toleranter en ruimdenkender vond dan in Duitsland, waar men vrij traditioneel en ook tamelijk repressief met patiënten omging.

Het was in deze periode dat zijn aandacht steeds meer getrokken werd door het lot van chronische psychiatrische patiënten. In een kolossale behandeltoren van Vijverdal verbleven veel uitbehandelde patiënten die door de GGZ waren opgegeven. Gaandeweg realiseerde Petry zich steeds meer dat die benaming ‘onbehandelbaar’ onterecht was. Door zich intensief in de levensachtergrond van zijn patiënten te verdiepen en met hen mee te gaan naar de plaatsen waar ze hun jeugd hadden doorgebracht, merkte hij dat ze helemaal opleefden. Hun oude persoonlijkheid en spontaniteit keerde daardoor terug. De aandacht voor de persoonlijke levensgeschiedenis deed dus wonderen.

Bij dat alles werd ook de familie van de patiënt betrokken. Als je een patiënt, die vaak al jaren lang in een inrichting verblijft, weer een naam en een gezicht wilt geven en dus uit de anonimiteit van het inrichtingsleven wilt verheffen, is het goed om ook de familie bij de behandeling te betrekken. Verloren gegane familiebanden worden daardoor hersteld en nieuw leven ingeblazen. Dat komt de patiënt ten goede, mits hij of zij daar natuurlijk prijs op stelt, maar vaak blijkt dat wel het geval te zijn.
De hulpverlener is bij dat alles ook belangrijk, maar Petry vindt de sturende, leidinggevende en betuttelende rol die het GGZ-personeel vaak speelt bij de behandeling niet goed. De patiënt moet te allen tijde in zijn waarde worden gelaten. Hij moet als gelijkwaardige partner in dit geheel worden gezien. Ook hulpverleners kunnen iets van hem leren.

Op deze manier komt Petry tot – wat hij noemt – de ‘triade’ patiënt, familie en hulpverlener. Alle drie moeten worden ingeschakeld bij de rehabilitatie van de chronische psychiatrische patiënt. Petry heeft trouwens bezwaar tegen de term ‘chronisch’. Volgens hem is dat een constructie van de psychiatrie zelf: als je maar genoeg aandacht, tijd en zorg aan een patiënt besteedt, kun je elke patiënt zo ver helpen dat hij weer opbloeit. Veel mensen kunnen daarna weer een min of meer zelfstandig leven leiden, al zullen sommigen dan nog afhankelijk blijven van de hulpverlening omdat ze door jarenlange psychiatrische bemoeienis te erg beschadigd zijn geraakt om helemaal zelfstandig te wonen.

In zijn boek besteedt Petry niet alleen aandacht aan de rehabilitatie van mensen die jaren lang in de GGZ hebben doorgebracht, hij gaat ook in op nieuwe ontwikkelingen die volgens hem zeer schadelijk zijn bij het rehabilitatieproces. Zo is het DSM-handboek in zijn ogen een ‘geïnstitutionaliseerde vorm van patiëntenhaat’. Zorgverleners eisen nl. dat nauwkeurig wordt bijgehouden hoe veel tijd er aan patiënten wordt besteed. Hulpverleners worden daardoor gedwongen om daarbij precies aan te geven welke handelingen zij bij een patiënt verrichten. Alles moet gekwantificeerd worden en het belangrijkste is dat een instelling zoveel mogelijk met zijn zorgproducten kan ‘scoren’. Patiënten worden na opname in een kort gesprek van een kwartier gediagnosticeerd, waarna diegene vaak voor de rest van zijn leven aan die diagnose vastzit. Alle zorghandelingen zijn gerelateerd aan de DSM-diagnose. Voor iemand, die de rehabilitatie van zijn patiënten centraal stelt, is dat zeer frustrerend.

In het hoofdstuk ‘Giftige psychiatrie’ beschrijft Petry de schadelijke werking van het langdurig gebruik van psychofarmaca. Veel van wat hij daarin vertelt is wel bekend aan mensen die te maken hebben met de psychiatrie. Zo beschrijft hij de verhoogde mortaliteit a.g.v. het langdurige gebruik van grote hoeveelheden anti-psychotica. Petry vindt dat dergelijke middelen het best in kleine hoeveelheden kunnen worden voorgeschreven: éérst praten, en dán pas medicijnen voorschrijven, is zijn devies. Jammer genoeg keert men die volgorde vaak om.

Het boek wordt afgesloten met een hoofdstuk over wijkteams, die in Maastricht zijn opgezet om mensen, die het risico lopen dat ze worden opgenomen in een GGZ-instelling, in hun eigen omgeving te begeleiden, zodat opname niet nodig is. Ook begeleidt men mensen die opgenomen zijn geweest en weer moeten aarden in de samenleving. Die teams bestaan voor een groot deel uit vrijwilligers. Dat lijkt mij een prima initiatief, want nazorg is in de GGZ vaak een ondergeschoven kindje.

Als toegift plakt Petry er nog een hoofdstuk aan vast waarin hij als gepensioneerde terugkijkt op zijn arbeidzame leven. Daaruit blijkt ook dat hij nog steeds contact onderhoudt met verschillende patiënten die hij door zijn jarenlange werk in “Vijverdal” als zijn vrienden is gaan beschouwen. Ontroerend.

“Uitbehandeld maar niet opgegeven” kan ik van harte aanbevelen aan iedereen die op welke manier dan ook betrokken is bij de GGZ in Nederland en op de hoogte wil blijven van nieuwe ontwikkelingen waarin de patiënt écht centraal wordt gesteld. Petry kan als een pionier op het gebied van de psychiatrie worden beschouwd; dit boek is daarvan het sprekende bewijs. Een aanrader!

maandag 16 mei 2011

Gezicht op een zomeravond


Het gebeurde iets voor twaalven. Terwijl ik op de dijk stond, met uitzicht op de zee vóór me en de eindeloze sterrennacht boven me, maakte een lichtpuntje zich los uit het sterrenbeeld Bootes. Eerst had ik er geen erg in. Met de handen losjes in m'n zakken stond ik naar de vuurtoren van Terschelling te kijken. Een prachtig gezicht is dat altijd, die zwaaibundel van de Brandaris die door de verten strijkt. Het heeft iets feeërieks, iets weemoedigs, die verre lichten aan de horizon, dat rusteloze tasten en speuren van een vuurtoren over de einder.

Omdat ik ingespannen naar de horizon tuurde, bemerkte ik niet dat er zich iets ongewoons voordeed aan het uitspansel. Het komt wel vaker voor dat je, staande op de dijk, plotseling vanuit je ooghoeken een meteoor opmerkt. Bliksemsnel richt je je blikken dan naar de plek waar het ongewone schijnsel zich voordoet. Soms heb je geluk en kun je nog net het laatste deel van het lichtend spoor volgen, maar vaak zijn die grappenmakers je te snel af en heb je het nakijken.
Dit was echter geen meteoor: het leek meer een ster, die zich geleidelijk los begon te maken uit het sterrenbeeld Bootes en langzaam helderder werd. Het bewoog naar het westen en kwam zo'n 45 graden boven de horizon tot stilstand. Ondertussen nam de helderheid ervan steeds meer toe. Oogverblindend werd het, maar juist op het moment waarop ik m'n blikken wilde afwenden, gebeurde er iets vreemds: het schijnsel van de ster veranderde geleidelijk in het beeld van een grote stad, die zich majestueus tussen de sterren uitstrekte.
Ik hapte naar adem, maar bleef gefascineerd kijken. Was dit misschien een hologram of een beeld dat door een laserbeam werd geprojecteerd? Maar nee, dat was volstrekt onmogelijk: het beeld, dat ik zag, was loepscherp. Het moest uit een andere dimensie komen. Diep van binnen bewaarde ik mijn kalmte en bleef geconcentreerd en met volledig overzicht van de situatie alles registreren wat zich voor mijn ogen afspeelde.

Vóór me, boven de lichtbundel van de Brandaris, zag ik een brede straat van een mij onbekende stad. Zo te zien lag deze straat op een heuvel, want hij liep glooiend af naar een plein dat ik nog net in de verte kon waarnemen. Aan weerszijden van de straat stonden huizen met drie en vier verdiepingen. Het leken wel huizen uit het eind van 19e en het begin van de 20e eeuw. De gevels ervan waren allemaal in verschillende kleuren beschilderd: groen, geel, zalmkleurig, blauw, diep donkerrood. Kennelijk was het het oude centrum van een grote stad. Het was midden overdag, maar toch was het behoorlijk donker. Inktzwarte wolken pakten zich boven de stad samen. Even later flitsten de eerste bliksemschichten door het zwerk. Maar het was geen gewone bliksem: ik huiverde toen ik een enorme bolbliksem zag, die zich als een slang van electriserend licht door de straat voortbewoog, als een wild, verscheurend dier, op zoek naar zijn prooi.
De hemel werd snel donkerder en steeds meer bliksems doorkliefden het zwerk. Enkele ogenblikken later begon het te stortregenen. Het water kolkte schuimend door de straten, terwijl de bolbliksems er overheen sisten als slangen.
Wat er zich in de huizen afspeelde, kon ik niet zien, daar kon ik alleen maar naar gissen. Maar de kracht van de electrische ontladingen was zó overweldigend groot, dat er ongetwijfeld slachtoffers moesten vallen. Op de straat zelf was het uitgestorven; er was geen sterveling te zien.

Op dat moment verschoof het beeld, alsof ik door een onzichtbare hand werd opgetild. Met grote snelheid zonk de stad onder me weg, zodat ik een overzicht kreeg van de omgeving waarin ik mij bevond. En plotseling drong het tot me door dat ik San Francisco onder me zag, San Francisco, en dat nog wel in het uur waarop de oude aarde verging...
De aarde brak open, spleet, scheurde. Ik keek in de gapende muil van een trechter in het aardoppervlak, een diepe voor die snel breder werd. Ik zag hele straten, wijken en wegen wegtuimelen in de afgrond. Daar bleef het niet bij, want vanuit mijn positie zag ik op veel meer plaatsen in de stad openingen ontstaan, waarin de bebouwing wegzakte.

Terwijl het bleef bliksemen en donderen en de regen onophoudelijk neergutste, begon het allerergste wat ik ooit gezien heb: er openden zich steeds meer vurige aders in de aarde, die alles opslokten wat nog overeind was gebleven. Rook steeg op uit de vurige schachten en een dichte smog hulde de miljoenenstad in nevelen. Een waas van rook en vuur onttrok de stad steeds meer aan het zicht.

Het was alsof ik nog verder werd opgetild en nu zo'n tweehonderd kilometer boven de aarde zweefde. Heel westelijk Californië brak af van het Amerikaanse vasteland en zonk in een orgie van rook en vuur in zee. Enorme dampen stegen uit de Pacific op, giftige dampen vol zwavel. Vanaf de plek waar ik me bevond kon ik andere delen van de aarde zien. Overal zag ik hetzelfde beeld: enorme bliksemschichten, inktzwarte wolken, aardbevingen en ook vulkanen die sidderend tot ontlading kwamen. Was dit nu het definitieve einde van de aarde, het laatste shot van de wereld zoals ik die kende?

Heel langzaam trokken de nevels op. De damp, die boven verschillende continenten en oceanen had gehangen, vervluchtigde. Toen de contouren van de zeeën en de landmassa's weer geleidelijk opdoemden uit de sluier die boven de planeet had gehangen, zag ik dat het aanzien van de aarde grondig was veranderd. Waar eens het water van de oceaan had geklotst in eindeloze deining, strekte zich nu een breed vasteland uit; delen van de oude continenten waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor de zee. Het leek wel alsof ik naar een andere planeet keek met een andere topografie: de aarde was onherkenbaar geworden.
Het belangrijkste verschil met vroeger zat 'm echter niet in de verdeling van water en land: de hardheid van de vroegere contouren was verdwenen. Het leek alsof de aarde werd omspeeld door een onaards, mild licht, een tintelende gloed, een zachte aanraking van licht, alsof ze door een engelenhand was beroerd.
Ik bleef kijken, ademloos, staande op de dijk, maar in de geest als door een reuzenhand hoog boven de aarde weggetild. Onder me straalde een vriendelijk licht me tegemoet, de glans van een andere wereld, een nieuwe aarde, een aarde waaruit al het kwaad was verdwenen, verdampt, wegbelicht door een hemelse gloed.

Het beeld van de aarde, dat ik al die tijd boven de horizon had gezien, loste geleidelijk op. Toen alle contouren waren vervaagd, verdichtte het zich tenslotte tot dezelfde ster, die aanvankelijk mijn aandacht had getrokken. Terwijl de intensiteit van zijn schijnsel langzaam afnam, zocht hij zijn oorspronkelijk plaats tussen de sterren van Bootes weer op.
Lang bleef ik naar dat onooglijk sterretje van de vierde grootte kijken. Wat had die ster in vredesnaam met de radicale omvorming van de aarde te maken? Misschien wel niets, misschien betekende dat alleen maar een verandering van perspectief en duidde het op een verplaatsing in tijd en ruimte.

Zwijgend, roerloos bleef ik staan. Maar toen er tien minuten later niets bijzonders meer was voorgevallen, herademde ik weer. Ik kreeg weer aandacht voor de geluiden van de zee, voor meeuwen die krijsend overscheerden, voor de lichten in de verte van schepen die langzaam voortstoomden, op weg naar Duitse en Scandinavische havensteden. En plotseling, als uit een oude, diepe zweer, welden tranen in me op, tranen weertegen ik geen verweer had. Tranen van vreugde en verdriet, tranen over het heden, het verleden en de toekomst van de aarde, de planeet waar hemel en hel dicht bij elkaar leven, waar liefde en haat zich met elkaar lijken te vermengen, waar woorden, daden en gedachten een mens kunnen optillen naar het goddelijke licht, maar ook naar de diepste afgronden van de hel. En ik zegende de dag waarop er eind zou komen aan alle kwaad, alle duisternis, alle onvrede, alle haat, al het onrecht dat er wordt begaan...
Ik spreidde mijn armen uit, met mijn handpalmen omhoog naar de sterren, en bad om innerlijke vrede. Alle onrust verdween daardoor uit me, zodat ik even later met een gerust hart terug kon reizen naar de stad, peinzend, ontroerd, een intense ervaring rijker.

woensdag 11 mei 2011

Gestrand


"Scribo, ergo sum", waren de woorden die in hem klonken, "ik schrijf, dus ik besta." Een eigenaardig bestaan was dat trouwens, want toen hij wakker werd uit zijn gepeins, zag hij een onafzienbare, donkere oceaan voor zich. Bulderende, donkergrijze en zwarte golven met witte schuimkoppen strekten zich voor hem uit tot aan de horizon. Hij stond op een uitstekende rotspunt, een meter of tien boven het zeeoppervlak.

In zijn linkerhand hield hij een zilverwitte, glanzende pen. Hoe kwam hij daaraan? Wat moest hij daarmee doen? En plotseling schoot hem te binnen dat het zijn opdracht was om te schrijven. Vaag was dat besef, maar allengs werden de beelden helderder. En mét dat besef doemde er boven de einder een planeet op: blauw, groen en wit. Het licht van een onbekend klein sterretje weerspiegelde blinkend in zijn grote oceaan. Was dat misschien de planeet die hij moest zien te bereiken? Hij krabde zich achter zijn oor. Maar terwijl hij dat deed, voelde hij de gloed van een heldere ster branden in zijn rug. Hij draaide zich om: daar, recht voor hem, zag hij een baaierd van licht. Hij dorst er bijna niet naar te kijken, zó verblindend was het schijnsel van die reuzenster.

Gestrand, hij was gestrand, realiseerde hij zich. Maar hoe, waardoor, met welk doel? En opeens drong het tot hem door dat hij ooit op een kleine, maar heldere lichtstraal, precies groot genoeg om hem te dragen, op weg was gegaan van die reuzenster naar de planeet in de verte. Het doel van zijn reis had iets met die pen te maken, maar hij kon het zich niet meer precies herinneren.

Ooit was hij op weg gegaan naar die prachtige planeet boven de horizon, maar onderweg was hij eraf gevallen. Of eigenlijk was het nog weer iets anders gegaan; om de één of andere reden was hij van die lichtstraal afgesprongen. Iets had hem ervan weerhouden om de laatste stap te zetten en te landen op die planeet, waarvoor hij steeds meer liefde begon te voelen. Was het angst geweest, een onbekende huiver die hem doorvoer toen hij had besloten van zijn koers af te wijken? Hij wist het niet. In gepeins verzonken bleef hij uitstaren over de golven. En boos werd hij, want wat deed hij hier, zo helemaal alleen in deze uitgestrekte, eindeloze eenzaamheid?

Het zicht schrompelde in, en hij werd omgeven door een mist die steeds dichter en dichter begon te worden. Daarop kwam hij tot bedaren. Hij herademde. De mist trok op en het zicht werd weer helder. Gelukkig! Maar nu? Wie kon hij om hulp vragen? Was er ergens redding, iemand die hij kon vragen hoe hij zijn reis kon vervolgen?
En hij begon te huilen, staande op de uitstekende rotspunt boven de ziedende zee.

Tijden lang moet hij daar zo gestaan hebben, toen hij een zacht stemmetje hoorde. Het werd aangedragen over de zee, kwam als een vogel, als een soort meeuw - maar dan onzichtbaar - op hem aanvliegen. En het sprak tegen hem, zacht, lieflijk, maar ook met een stem die gezag inboezemde, hoewel niet dwingend. Hij luisterde. Na verloop van tijd klaarde zijn gezicht op. Dus toch...? Hij glimlachte: als het zó eenvoudig was, moest hem dat zeker gelukken!
Hij zocht naar een stukje papier in de witte tuniek die hij droeg en die tot zijn knieën reikte. Hij vond een beduimeld velletje papier en beschreef het in een schrift dat hemzelf onbekend was. Toen hij daarmee klaar was, ontstond er in zijn rechterhand een zilvergrijze koker. Hij rolde het beschreven velletje op, stopte het behoedzaam in de koker en wierp het ding met een krachtige uithaal in de oceaan. Heel kort zag hij het even drijven op een zwarte draaggolf; toen werd het door de bulderende golven opgeslokt.

Het aanzien van de oceaan veranderde daardoor. De golven gingen liggen en er stak een mild briesje op, dat hem deed herademen. Vreemd was wel dat de koker met zijn brief erin plotseling weer opdook uit de golven. Door een onzichtbare hand werd het met grote kracht naar de verte gestuwd, naar de blauwe planeet die laag boven de horizon in de wereldruimte prijkte.
Het licht boven hem veranderde van kleur: niet langer was de hemel donkergrijs. De grijze tinten verdwenen en er brak licht door, steeds meer licht. Tenslotte werd het zó fel dat hij het bewustzijn dreigde te verliezen. In een tweede stuwende golf, die de eerste golf met de koker volgde, werd hij opgetild en naar de blauwe planeet gedragen door een onzichbare hand, die hem warm en mild, lieflijk maar ook gedecideerd naar zijn onbekende stemming voerde.
"Vader, Mijn Vader", stamelde hij nog, "de Grote Geest moest veranderen in Mijn Vader." Toen verloor hij het bewustzijn.

dinsdag 26 april 2011

E.T.'s zijn niet altijd schattig

E.T. phone home... Helaas zijn niet alle E.T.'s zo schattig.
In mijn tienerjaren was ik een groot liefhebber van auteurs als Erich von Däniken, Jochim Pahl en Stefan Denaerde. Zij waren gefascineerd door het idee dat andere beschavingen af en toe onze aarde bezoeken. Volgens hen hebben veel civilisaties het stadium van de interstellaire ruimtevaart bereikt en stimuleren ze de ontwikkeling op planeten waarvan de hoogste levensvormen zich nog met knots en speer staande proberen te houden. Een soort ontwikkelingshulp dus, en niet geheel zonder bijbedoelingen. De aarde moet immers worden opgestoten in de interstellaire vaart der volkeren, zodat de andere ruimtevarende intelligenties daarvan kunnen meeprofiteren en het in de ruimte geen rommeltje wordt.

Later las ik dat Von Däniken jaren lang in de nor heeft doorgebracht wegens valsheid in geschrifte. Van Jochim Pahl heb ik na zijn ene bestseller niets meer vernomen. Stefan Denaerde bleek het pseudoniem te zijn van iemand die een utopie wilde schrijven over de aardse samenleving. Voor dat doel verzon hij een ontmoeting met een ruimteschip vol Engels sprekende buitenaardsen met een soort apensnuit. Tijdens een aantal gesprekken met de auteur onthulden deze ufonauten hoe hun samenleving alle problemen waar wij nu nog mee worstelen op een elegante manier had opgelost. Zij leefden nl. in communes waarin regelmatig groepssessies werden gehouden, zodat de sfeer er altijd harmonieus en ontspannen bleef.

Toch werken boeken over dit exotische onderwerp niet allemaal op de lachspieren. Een voorbeeld van hoe het ook kan wordt gevormd door de boeken van de Amerikaanse sterrenkundige prof. Allen Hynek. Jarenlang deed hij onderzoek naar UFO-meldingen. Door ze minutieus te onderzoeken kon hij vaststellen dat sommige meldingen wel degelijk authentiek zijn. Deze verslagen zijn zo gedetailleerd dat je alleen maar kunt concluderen dat onze planeet af en toe wel degelijk door ruimteschepen van andere werelden wordt bezocht. Een boek als “The UFO Experience” laat zien hoe zorgvuldig hij te werk ging.

Nu staat Hynek gelukkig niet alleen: er zijn méér serieuze UFO-onderzoekers. Ze brachten duizenden meldingen in kaart en systematiseerden alle onderzoeksgegevens. Als je deze lectuur moet geloven, staan veel van deze buitenaardse bezoekers niet echt op een hoog niveau. Zo zijn er enkele goed gedocumenteerde ontvoeringsgevallen, waarbij medische experimenten op mensen werden uitgevoerd. In sommige gevallen werd er zelfs grof geweld gebruikt. Een ontmoeting met buitenaardsen is dus niet altijd een verheffende ervaring.

Nu hoef je niet van de authenticiteit van UFO-meldingen overtuigd te zijn om toch de conclusie te kunnen trekken dat eventuele bezoekers uit de ruimte lang niet altijd hoogstaande motieven hebben voor hun interstellaire trips. Ik denk dat je hun motieven enigszins kunt vergelijken met die van Columbus en andere ontdekkingsreizigers. Waarom trokken zij erop uit om andere werelddelen te verkennen? Was dat niet vooral om hele gebieden te veroveren, flink wat buit te maken en de bewoners met geweld te bekeren? Technisch hoogstaande beschavingen kennen die drang tot beheersing en controle misschien in afgezwakte vorm, maar ik denk dat deze oerdrift niet snel verdwijnt. Als de mensheid nu al in staat was om naar andere zonnestelsels te reizen, zou dat ook wel ‘es heel slecht kunnen uitpakken voor de levende wezens die daar wonen. De mens is immers een gevaarlijke soort.

Er is nog een ander argument waarom eventuele bezoekers uit de ruimte waarschijnlijk niet afkomstig zijn van beschavingen op een hoog moreel en geestelijk peil. Om interstellaire reizen te kunnen maken heb je een mentaliteit nodig die sterk gericht is op het beheersen van de materie. Die controle over al het materiële kan heel nuttig worden toegepast, bv. voor het genezen van soortgenoten, voor woningbouw en het uitwisselen van informatie. Maar om te kunnen reizen naar andere zonnestelsels moet men enorm veel tijd en energie stoppen in het ontwikkelen van apparatuur – tijd en energie die men beter zou kunnen gebruiken om elk lid van de eigen soort een gelukkig en gezond leven te kunnen garanderen.

Het laatste – en voor mijn gevoel ook het sterkste – argument heeft te maken met de vraag wat het uiteindelijke doel is van de materiële schepping. Als we nl. kunnen vaststellen dat het bewustzijn van de mens niet verdwijnt bij de fysieke dood, moet dat ook gelden voor andere intelligente beschavingen. Waarom zouden we in dat opzicht uniek zijn? Is de mens immers niet een geestelijke wezen in een fysiek lichaam? Alle materiële beperkingen zijn in religieus opzicht bedoeld om liefde, mededogen en wijsheid bij ons op te wekken. Als dat een universeel verschijnsel is, geldt dat ook voor andere beschavingen. De totale bevrijding van de geest uit de wereld van de materie wordt dan een belangrijk doel. En als dat het belangrijkste doel van alles is, waarom zouden we dan met technische hulpmiddelen het heelal moeten veroveren? Is dat niet een paradox?

In de wereld van de materie werkt één centraal principe, en wel dat alles in het heelal zich langzaam maar zeker ontwikkelt tot steeds hogere vormen, totdat alles op den duur volkomen vergeestelijkt is en in fysieke zin 'oplost'. Je ziet dat ook bij sterren, planeten en kometen. Ons bestaan op aarde hebben wij te danken aan explosies van een verdwenen generatie supernova’s, waarin zware elementen werden gevormd die hier veel voorkomen. Sterren doven na miljarden jaren uit, en uit die materie vormen zich nieuwe werelden. Aan het eind van hun ontwikkeling lossen ze volkomen op: ze 'verdampen' als ze hun tijd hebben uitgediend.

Precies hetzelfde geldt ook voor de mens. We zijn niet geschapen om in de wereld van de materie te blijven hangen. Dit is maar een tussenstadium, een noodzakelijk kwaad om onze geest te ontwikkelen tot een steeds groter bewustzijn van liefde en verbondenheid. Daarbij zullen we onze grenzen steeds verder verleggen en barrières opruimen. En één van de grootste barrières lijkt me wel de enorme hang naar de materie en de veroveringsdrang van de mens. Voor mijn gevoel is er geen krachtiger symbool van veroveringsdrang dan een ruimtevloot die het ene zonnestelsel na het andere binnendringt. Juist om die reden kunnen ruimteschepen van andere werelden nooit afkomstig zijn van beschavingen met een hoog geestelijk peil. E.T.’s zijn dus niet altijd schattig.

dinsdag 19 april 2011

De oerknal - een slag in de lucht?


In zijn boek “Herinneringen aan de dood”, een wetenschappelijk onderzoek naar de realiteit van bijna-dood-ervaringen, doet de cardioloog Michael B. Sabom verslag van zijn discussie met dr. Blacher, een fanatiek bestrijder van het verschijnsel BDE. De kern van Blachers kritiek kwam erop neer dat mensen, die dergelijke ervaringen serieus nemen, zich schuldig maken aan het aanvaarden van religieus geloof als wetenschappelijke feiten. Sabom antwoordde daarop met de opmerking dat men ervoor moet waken om wetenschappelijk geloof aan te nemen als wetenschappelijke feiten.

Dat is een krasse uitspraak, maar ik denk dat er genoeg redenen zijn om aan te nemen dat niet alleen de medische, maar ook de natuurwetenschap soms van ideeën uitgaat die men op geen enkele manier hard kan maken, simpelweg omdat ze het karakter hebben van een geloof. Eén van die uitgangspunten is de gedachte van de ‘oerknal’ waarmee ons heelal zou zijn ontstaan. Atheïsten, die wars zijn van het geloof in God of in geestelijke wezens en ook niets moeten hebben van een hiernamaals, gaan er meestal van uit dat ons waarneembare heelal met een enorme explosie is ontstaan. Hoe redelijk is het om dat aan te nemen? Is dat echt een alternatief voor religieus geloof of – is dat idee misschien gebaseerd op drijfzand?

Om te beginnen vind ik het vreemd dat mensen, die zich van het geloof hebben gedistantieerd en zich graag als vertegenwoordiger van het gezonde verstand opwerpen, kennelijk toch geen moeite hebben met de gedachte dat er zomaar vanuit het niets een minuscuul klein bolletje te voorschijn kon ploppen. Dat bolletje zou even veel massa hebben bevat als ons tegenwoordige heelal en kort na zijn mysterieus ontstaan met een gigantische snelheid zijn gaan uitzetten. Geleidelijk zouden zich – zomaar, volgens natuurwetten die kennelijk ook spontaan waren gaan werken – uit die oermaterie sterrenstelsels hebben gevormd, waarin door plaatselijke verdichtingen sterren, planeten en manen ontstonden.
Dat er allerlei natuurwetten bestaan en de materie in het heelal zich in allerlei vaste patronen rangschikt en ontwikkelt, staat vast. Het geheel doet denken aan een intelligent ontwerp. De vraag is alleen hoe die intelligente blauwdruk is ontstaan. Gebeurde dat ook zomaar, spontaan, of was er misschien een schepper bij betrokken die de wetten en mogelijkheden van de materiële kosmos vaststelde en de materie vervolgens aan het spel van die natuurkrachten prijsgaf?

Ik vind die laatste gedachte minder vreemd dan die van de oerknal. Het hele idee van een 'oerknal' is ontstaan als een concept waarmee men de waargenomen uitdijing van het heelal probeert te verklaren. Alles in het heelal vlucht nl. in alle richtingen van ons vandaan. Hoe verder een sterrenstelsel van ons af staat, hoe hoger de snelheid waarmee hij van ons wegvlucht. Zo is de snelheid waarmee een sterrenstelsel op een afstand van 5 miljoen lichtjaren zich van ons verwijdert twee maal zo hoog als die van een sterrenstelsel op een afstand van 2,5 miljoen lichtjaren. In principe gaat dat tot in het oneindige door. Zo moeten er sterrenstelsels zijn die met zo’n waanzinnige snelheid van ons wegvluchten, dat ze sneller zijn dan het licht, dat 300.000 km. per seconde aflegt. Daardoor kunnen we ze niet eens meer zien: ze blijven voor altijd ‘voortvluchtig’

Als men nu, uitgaande van de huidige expansiesnelheid, terugrekent in de tijd, komt men uit op een ontstaan van het heelal in de periode van tussen de 13 en de 18 miljard jaren geleden. Ergens in die periode zou er een bolletje zijn geweest - de 'oerknalsingulariteit' - dat een oneindig kleine ruimte innam. Je kunt het vergelijken met het denkbeeldige punt waar zich de exacte noordpool bevindt: dat punt is in theorie ook oneindig klein. Een enkele singulariteit is echter in de praktijk niet mogelijk. Heeft iemand ooit gehoord van een noordpool die bestond zonder een corresponderende zuidpool? Precies: dat is nu het hele probleem van die gedachte aan een oerknal. Iets wat oneindig klein is, kan nooit en te nimmer een gigantische massa bevatten. Om die reden zijn er ook steeds meer sterrenkundigen die dat idee hebben losgelaten. Men gelooft vaak niet letterlijk meer in een oerknal of in een piepklein bolletje dat met een enorme knal openbarstte – een soort kosmisch ei – maar gebruikt dat alleen als een rekenmodel waarmee men probeert te verklaren hoe de kosmos zich heeft ontwikkeld.
Het verbaast me dan ook dat mensen, die zich atheïstisch noemen en geloven dat het heelal zomaar uit het niets tevoorschijn is gekomen, gelovigen vaak beschouwen als een soort Neanderthalers die behoren tot een soort achtergebleven levensgolf. Hun eigen aannames zijn immers nog veel irrationeler.

Op medisch gebied bestaat er een paradigma dat even irrationeel is en met nog veel grotere hardnekkigheid wordt aangehangen, nl. het idee dat ons bewustzijn het product zou zijn van onze hersenfuncties. Vallen die hersenfuncties bij de lichamelijke dood weg, dan verdwijnt ook ons bewustzijn. D.w.z.: volgens het traditionele medische model. Maar inmiddels is door Pim van Lommel, Michael B. Sabom en anderen al lang aangetoond dat dat paradigma niet klopt. Ons bewustzijn verdwijnt nl. niet bij de dood, maar wordt juist veel helderder en veelomvattender.
Omdat die gedachte enorme consequenties heeft en veel bestaande belangen aantast – o.a. het idee dat je met psychofarmaca mensen zou kunnen genezen, waardoor jaarlijks voor tientallen miljarden kan worden omgezet - levert de gevestigde medische stand een wanhopig achterhoedegevecht tegen wetenschappers zoals Van Lommel, die kunnen aantonen dat ons bewustzijn niet met de dood verdwijnt.

De medische wetenschap is één van de conservatiefste van allemaal. Daarom ben ik bang dat op deze geneesheren en pillendraaiers een uitspraak van Max Planck van toepassing is. Hij zei ooit: “Een nieuwe wetenschappelijke waarheid overwint niet door de tegenstanders te overtuigen en hen het licht te laten zien, maar omdat de tegenstanders tenslotte sterven en er een nieuwe generatie opgroeit die ermee vertrouwd is.”

Hopelijk sterft het paradigma van het bewustzijn een zachte dood voordat de huidige generatie medici de geest heeft gegeven.

maandag 21 maart 2011

Undercover in de ouderenzorg


Mummelende oudjes die uren achtereen in een poepluier moeten liggen, bewoners die blikvoer krijgen voorgeschoteld, oude vrouwtjes die tegen hun wil op een stoel worden vastgebonden – de lijst met horrorverhalen over verpleeghuizen is schier eindeloos. De nood in deze sector heeft inmiddels zo’n amplitude bereikt dat sociale wetenschappers en journalisten steeds vaker een tijdje meedraaien in de ouderenzorg om verslag te doen van de verschrikkingen waaraan onze geronten blootstaan.

Gewoonlijk resulteren deze boeken in een reeks aanbevelingen hoe het allemaal beter kan en ook beter zou móeten: schrap een laag even overbodige als overbetaalde managers, verminder de administratieve rompslomp, geef elke bewoner een eigen kamer en – vooral – zorg voor meer handen aan het bed, dan komt het goed. Ministers en staatssecretarissen beloven met het schaamrood op de kaken beterschap bij Pauw & Witteman, er worden commissies ingesteld en rapporten geschreven, en na verloop van tijd verflauwt de aandacht voor dit onderwerp weer.

Baanbrekend op dit gebied was “In de wachtkamer van de dood” van de cultureel antropologe en juriste Anne-Mei The. Twee jaar lang werkte ze als onderzoeker in een verpleeghuis in de Randstad. Zonder opsmuk en met veel oog voor details beschreef ze haar ervaringen in deze instelling. Het boek, dat in april 2005 verscheen, maakte de tongen los: was het nu echt zó erg in de ouderenzorg, had opa het werkelijk zo slecht?
Interviews volgden, de opschudding was groot. Maar ondertussen nam het personeelsgebrek in de zorg alsmaar toe, waardoor er steeds meer schrijnende situaties ontstonden. Voor een deel kwam dat door de uittocht van gediplomeerden in de ouderenzorg, waardoor er relatief veel mensen kwamen te werken met weinig scholing en ervaring. Door de hoge werkdruk en de lage salariëring is het beroep niet aantrekkelijk voor jongeren. Bovendien kampt men met het hardnekkige imago dat men er vooral de billen van oude vrouwtjes moet wassen. Vacatures kunnen daardoor moeilijk worden vervuld.

Om te inventariseren hoe de zorg aan ouderen er tegenwoordig uitziet, werkte verpleegkundige en HP-journalist Ivo van Woerden vorig jaar twee maanden lang als uitzendkracht in vijf verschillende verpleeg- en verzorgingshuizen in Rotterdam. In eerste instantie had hij in alle openheid aan allerlei instellingen gevraagd of hij een tijdje volwaardig mee mocht lopen voor het maken van een journalistiek verslag. Sommige instellingen waren daartoe bereid, maar altijd wilden ze controleren wat hij te zien zou krijgen en hoe laat hij op de afdeling aanwezig was. Het is begrijpelijk dat hij daar niet op in kon gaan; hij wilde in alle vrijheid kunnen rondkijken waar en wanneer hij maar wilde. Vandaar zijn keuze om undercover te gaan. Dat hield natuurlijk ook het risico in dat hij zou worden ontmaskerd. Zijn boek krijgt daardoor iets Pietje Bell-achtigs: hij gaat de zorg in met een c.v. met een gat van drie jaar en moet voortdurend op zijn tellen passen.

Wat mij bij de lezing van dit boek vooral opviel is dat kleinschalige woonvormen voor demente bejaarden, die zich op de borst slaan omdat men er cliëntgericht te werk gaat, soms nog slechter zijn dan grootschalige verpleeghuizen. Zo vertelt Van Woerden dat hij in zijn eentje in zo’n woongroep moest zorgen voor negen zwaar demente bejaarden. Hij moest er ook medicijnen uitdelen. Toen hij vroeg hoe hij de bewoners kon herkennen, zei men tegen hem dat hij dan maar moest kijken in het lipje in hun kraag. Natuurlijk bestond daarbij het risico dat ze elkaars kleren hadden aangetrokken. Foutje bedankt. Bovendien werden in die kleinschalige woonvorm enkele bewoners tegen hun wil gefixeerd. Eén oude vrouw, die vroeger door haar man was mishandeld, werd zelfs strak vastgesnoerd in een tuigje en daarna op haar bed vastgebonden. Dat heeft natuurlijk niets meer met cliëntgerichte zorg te maken. Van Woerden is daar dan ook terecht verontwaardigd over.

Eén element springt er in dit boek uit: het gigantische personeelsgebrek in de ouderenzorg. Het eerste wat hij bij binnenkomst altijd hoorde was wie er allemaal ziek waren en welke afdeling handen te kort kwam. Bijna nooit werd er gewerkt met het aantal personeelsleden dat minimaal vereist was om de zorg goed uit te kunnen voeren. Die enorme werkdruk heeft pijnlijke gevolgen. Zo zijn er ouderen die hun best doen om vooral niet ‘lastig’ te worden gevonden en daardoor niet de zorg krijgen die ze verdienen, terwijl bewoners die wel krachtig voor zichzelf opkomen soms door het personeel worden verwaarloosd, bv. doordat men hen extra lang op de w.c. laat zitten.

Van Woerden doet een aantal aanbevelingen voor verbetering van de zorg. Zo beschrijft hij een kleinschalige woonvorm in Arnhem, een initiatief van `De Drie Nooteboomen´, een organisatie die zich ervoor inzet om de zorg beter en goedkoper te maken. In dat huis wordt niemand gefixeerd en doen de bewoners veel dingen gezamenlijk. Ze hebben er heel veel vrijheid. Als ze een wijntje willen drinken, dan kan dat. Willen ze om half twaalf naar bed? Geen probleem. Er is genoeg personeel om het iedereen naar de zin te maken. Bovendien - en dat is de kern van alles - heerst er een andere cultuur dan in de meer traditionele verpleeghuizen. De bewoner staat er echt centraal en er is volop aandacht voor zijn of haar verhaal. Wie zou er als bejaarde niet in zo´n huis willen wonen?
De schrijver heeft in zijn boek een aantal interviews opgenomen, o.a. met Jan Hamers, hoogleraar ouderenzorg aan de Maastrichtse universiteit, en Erik Scherder, professor in de bewegingswetenschappen in Groningen. Zij doen aanbevelingen voor een cultuuromslag in de zorg, waardoor de bewoner minder afhankelijk wordt gemaakt: kijk niet te veel naar wat de bewoner allemaal niet kan, maar ga vooral uit van de mogelijkheden die hij of zij nog wel heeft. Betrek hem bij het huishouden, laat hem meer en vrijer bewegen, vermijd zoveel mogelijk het gebruik van onrustmedicatie en fixeermiddelen.
Door deze pleidooien voor een betere zorg, waarbij de bewoner écht centraal staat, gaat Van Woerden verder dan Anne-Mei The, die de aandacht wilde vestigen op de wantoestanden die vooral in de Randstad in de ouderenzorg waren ontstaan. Ik hoop dan ook dat er iets met zijn aanbevelingen wordt gedaan en men niet opnieuw in het prevelen van goede voornemens zal blijven steken. Zijn boek verdient m.i. een beter vervolg.

zondag 6 maart 2011

Sterrennacht (tanka)

Hoog aan de hemel
flonkert oeroud sterrenlicht
spoelt in stilte aan.
Vlammend valt een meteoor
door de steilten van de nacht.

donderdag 3 maart 2011

Borderline en andere toverballen van de moderne GGZ

Borderliners zijn psychiatrische lapjeskatten met kenmerken van alle andere psychiatrische aandoeningen. Ze vormen een restcategorie die pas in 1980 voor het eerst in het DSM-handboek, de bijbel van de psychiatrie, wordt genoemd.
Dat het woord ‘border’ erin voorkomt, betekent niet – zoals meestal wordt gedacht – dat deze mensen geen grenzen kennen. Dat woord is toentertijd in de benaming opgenomen omdat men vond dat het om patiënten ging die op het grensgebied zaten van psychose en neurose. ‘Border’ verwijst dus naar de verlegenheid en onzekerheid van hulpverleners en niet naar kenmerken van de patiënten zelf. Psychiaters zagen in de zeventiger jaren mensen die ze in geen enkel bestaand hokje konden onderbrengen, en als er één ding is waar men in de psychiatrie een bloedhekel aan heeft, dan is dat wel dat men iemand geen bruikbaar etiket op kan plakken.
Ook in die nood werd natuurlijk voorzien. Vandaar de drakerige term ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’. Wat verstaat men er nu onder? Het Trimbosinstituut (landelijk kennisinstituut voor de GGZ) omschrijft de borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) a.v.: “Borderline kenmerkt zich door sterke wisselingen in stemmingen, gedachten en gedrag. Mensen met borderline zijn enorm impulsief, denken vaak zwart-wit, reageren extreem. Relaties zijn moeilijk te onderhouden en wisselen ook sterk.”
Je kunt er dus alle kanten mee op. Bovendien kan men er in allerlei gradaties mee zijn behept. De kritiek op die benaming is daarom nooit van de lucht geweest. Om die kritiek te pareren heeft men vaak aan de kenmerken van de borderliner zitten sleutelen. Zo heeft men in de DSM-IV-editie van 2000 aan de bestaande definitie toegevoegd dat borderliners last zouden hebben van ‘micropsychotische’ perioden. Gedurende enkele uren zouden ze psychotisch zijn, waarna die nare aanval weer even spoorloos verdwijnt als hij gekomen is.
Rara, hoe kan dat? Aan creativiteit ontbreekt het de psychiatrische elite dus niet. Het lijkt er sterk op dat een diagnose die nogal lukraak is gekozen, daarna vaak is bijgesteld om er een schijn van geloofwaardigheid aan te verlenen. We zullen in dit verband maar niet al te diep ingaan op het feit dat de meerderheid van de medici, die zitting hebben in de DSM-commissie die nieuwe psychische aandoeningen bedenkt, op de loonlijst staat van de farmaceutische industrie. Dit artikel wordt dan immers al te pijnlijk. Ook zullen we maar niet stilstaan bij het feit dat bij elke volgende editie van het DSM weer een aantal nieuwe soorten gekte aan de erelijst mogen worden toegevoegd, want dan begint dit verhaal pas echt navrant te worden. Dat geldt al helemaal als je bedenkt dat voor die nieuwe 'stoornissen' weer een heleboel nieuwe soorten medicijnen kunnen worden ontwikkeld waarvan je maar mag hopen en bidden dat ze voldoende zijn uitgetest.

Nee, laten we ons maar beperken tot de kern van de zaak. Die kern is dat het hier - net zoals bij ‘ziekten’ en ‘stoornissen’ als ADHD en PDD-NOS, en hoe die wilde bloemen van de psychiatrische flora en fauna ook allemaal mogen heten - vooral lijkt te gaan om een soort modeziekte, een gedachtenconstructie, een virtuele aandoening, een gekte die op de creatieve tekentafel van de psychiatrie is ontstaan. Daarmee wil ik niet zeggen dat er geen mensen bestaan die een aantal borderlinekenmerken hebben, maar wel dat het begrip als geheel een construct is, een verzamelnaam waarmee men mensen met uiteenlopende klachten op één hoop probeert te vegen.

Als men deze mensen dan toch een diagnose wil geven, lijkt de term ‘emotieregulatiestoornis’, die door sommigen als alternatief wordt voorgesteld, me beter op zijn plaats. Die benaming geeft immers duidelijker aan wat het kernprobleem is van borderliners: het gaat om mensen die moeite hebben om hun emoties onder controle te houden.
Een bijkomend voordeel is dat die term minder beladen is. Mensen met BPS worden in de hulpverlening nl. vaak extreem negatief bejegend. Vaak hoor je mensen die in de zorg werken, kreten slaken als “Je moet niet met hen in discussie gaan, ze moeten gewoon lúisteren!” en “Je moet ze hard aanpakken, want anders pakken ze je in”. Met dergelijke kreten wordt het personeel vaak geïnstrueerd als borderline-patiënten op een afdeling worden opgenomen: ze zouden een bijna onbedwingbare behoefte hebben om hun omgeving naar hun hand te zetten. De verpleging in de GGZ wordt dan ook meteen al bij de opleiding ingepeperd dat ze streng en resoluut moeten zijn tegen dit onbetrouwbare volkje. Natuurlijk leidt dit soms tot allerlei wantoestanden, met misbruik van de machtsmiddelen in de GGZ tot gevolg.

Op fora voor zorgpersoneel kwam ik zelfs uitlatingen tegen van verpleegkundigen die borderliners moeiteloos over één kam scheren met ‘criminelen, moordenaars en verkrachters’. Het laat zich raden dat zorgwerkers die zo’n beeld hebben van patiënten met BPS, geneigd zijn om op een heel afstandelijke, om niet te zeggen intolerante manier met deze groep om te gaan. Een dergelijke aanpak helpt beslist niet om moeilijkheden te voorkomen, maar roept gemakkelijk de problemen op die men juist met alle geweld wil bestrijden. Het gaat hier in de eerste plaats om patiënten die liefde, aandacht en zorg nodig hebben, niet om criminelen die moeten worden gedetineerd.

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de mensen met dat etiket vroeger het slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, mishandeling of emotionele verwaarlozing. Het gaat dus wel degelijk om slachtoffers, om patiënten. Misschien uiten zij zich later nogal vreemd, maar niettemin zijn het mensen die hulp nodig hebben. Door constant maar te hameren op orde, hardheid en structuur in de benadering van borderliners worden de verhoudingen met deze patiënten totaal verziekt. Wie voortdurend op zo'n manier wordt bejegend, gaat zich op den duur immers ook zo gedragen.

Wat me verder opvalt is de enorme tegenstrijdigheid tussen aan de ene kant het vage, algemene karakter van de diagnose ‘borderline’ en aan de andere kant het feit dat mensen met dit etiket als de moeilijkst te behandelen categorie patiënten binnen de GGZ worden beschouwd. Bovendien gaan de meeste hulpverleners ervan uit dat deze problematiek ongeneeslijk is. Het komt er dus op neer dat een stoornis, die zo glibberig is dat men hem niet goed kan definiëren, tegelijkertijd als chronisch wordt beschouwd, waarbij een bikkelharde aanpak vereist is. Is dat misschien een uiting van extreme onzekerheid? In ieder geval lijkt me dat een gevaarlijke ontwikkeling.

Hoe het ook kan, blijkt uit het gedrag van een verpleegkundige waarover ik op een forum las. Een bewoonster, die als borderliner op een afdeling werd binnengebracht, werd altijd met heel veel begrip en warmte door haar behandeld. Haar collega's waren vaak heel hard tegen die mevrouw omdat hun dat door het afdelingshoofd was opgedragen: borderliners moet je hard aanpakken, want anders pakken ze je in.
Drie maal raden wie de meeste problemen met die mevrouw ondervond: dat waren juist de gehospitaliseerde verpleegkundigen die braaf het advies van de leiding opvolgden. De verpleegster die wél met die borderliner in gesprek bleef en haar vriendelijk en normaal behandelde, had nóóit problemen met haar. Geen wonder. Psychische ellende kun je beter niet met pillen, hardheid en dwangmaatregelen bestrijden, maar met aandacht, liefde en een open oor. Tergend langzaam begint men dat nu in de GGZ te beseffen, alle kouwe drukte over ‘cliëntgerichte zorg’ ten spijt.

vrijdag 25 februari 2011

Zullen we ooit de sterren bereiken?

Al jaren zijn een paar enthousiastelingen in de VS bezig om technieken te bedenken waardoor het mogelijk wordt om naar andere zonnestelsels te reizen. Hun fantasie is bijna grenzeloos. Zo hebben ze zelfs al een methode onderzocht die ze hebben afgekeken van Star Trek, de zgn. ‘warp drive’. Daarbij maakt men gebruikt van een rimpeling in de structuur van ruimte en tijd om snel enorme afstanden af te leggen. Zulke rimpelingen noemt men wormgaten. Ze zijn reuze handig, want als het je lukt om er heelhuids doorheen te glippen, heb je voor je ruimtereis geen brandstoftanks zo groot als een touringcar meer nodig en kun je zelfs sneller reizen dan het licht. Je vliegt dan gewoon ‘binnendoor’ naar andere werelden. Jammer genoeg is men nog nooit verder gekomen dan het speculeren over deze mogelijkheid. Maar ook met de beste raketten waarover men nu beschikt zal het nooit lukken om in enkele tientallen jaren een andere ster te bereiken. Volgens Marc Millis, de leider van de Tau Zero Foundation die daar onderzoek naar doet, zijn we pas in de 23e eeuw in staat om voldoende energie op te wekken om interstellaire reizen mogelijk te maken.

Dat klinkt vrij somber. Betekent dit nu - voorlopig tenminste - einde verhaal voor de droom van de mensheid om andere zonnestelsels te verkennen en daarbij andere beschavingen tegen te komen? Als we ons doel voor ogen blijven houden, zullen we het in elk geval over een heel andere boeg moeten gooien. De vraag is dan of er wel andere manieren bestaan om dit probleem te benaderen.

Ik geloof dat dit mogelijk is. We zullen dan wel af moeten stappen van het idee dat de techniek ons hierin verder kan brengen. Het antwoord is simpel: met de geest kun je veel langere en betere reizen maken dan met een ruimteschip. Het is een bekend verschijnsel dat mensen tijdens uittredingen, waarbij hun geest zich van hun lichaam verwijdert, elke willekeurige plaats op aarde kunnen bezoeken. Men kan dan waarnemingen doen van de personen of de omgeving waar men om de één of andere reden affiniteit mee voelt. Achteraf blijken die waarnemingen in de regel te kloppen. De geest van zo iemand is dan alleen nog maar met een dunne band, het ‘zilveren koord’, met het lichaam verbonden.

Toch is niet elke uittreding voor ons doel geschikt. Er zijn nl. globaal genomen twee soorten uittredingen. In sommige gevallen gebeurt het spontaan en heeft degene, die het overkomt, er geen controle over. Dergelijke uittredingen komen bv. voor tijdens een bijna-doodervaring of vergelijkbare ervaringen waardoor mensen plotseling uit hun lichaam worden geslingerd. De tweede categorie uittredingen vindt bewust en gecontroleerd plaats. Mensen, die jarenlang hebben gemediteerd of over bijzondere gaven beschikken, kunnen dan bij vol bewustzijn uit hun lichaam treden. Er zijn Indiase yogi’s die deze techniek beheersen, maar in principe zijn heel veel mensen hiertoe in staat, vooropgesteld dat men in zekere zin ‘onthecht’ is van de uiterlijke wereld en zichzelf onder controle heeft. Al deze uittredingen beperken zich tot verplaatsingen in de geest naar andere plekken op aarde. Zou deze techniek nu ook gebruikt kunnen worden om reizen te ondernemen naar andere werelden?

De Zweedse wiskundige, uitvinder en theoloog Emanuel Swedenborg heeft in zijn in 1758 gepubliceerde werk "Over de aarbollen in ons zonnestelsel en andere hemellichamen" beschreven dat dit wel degelijk mogelijk is. In dit boek vertelt hij dat hij uittrad en met zijn geest verschillende planeten rondom andere sterren bezocht. Hij sprak ook met de bewoners ervan. Opvallend in zijn relaas is het feit dat deze bewoners allemaal een menselijke vorm hebben. Hun lichaamsbouw en huidskleur vertonen een aantal varianten, vergelijkbaar met de verschillende soorten mensen op aarde. Ook hebben die planeten een rijke flora en fauna.
In andere opzichten verschillen die mensen wel sterk van ons. Zo zijn ze allemaal diep religieus en vereren ze God als de schepper van het heelal. Via engelen onderhouden ze contact met de geestelijke wereld. Technische ontwikkeling kennen deze beschavingen nauwelijks, simpelweg omdat zij zich alleen maar interesseren voor geestelijke ontwikkeling en al het materiële daaraan ondergeschikt achten.
Veel mensen zullen deze beschrijvingen wonderlijk vinden of moeite hebben met het idee dat men in zijn geest andere plaatsen kan bekijken terwijl het lichaam in een slaaptoestand verkeert. De combinatie van uittredingen en reizen naar andere werelden moet hun wel helemaal vreemd voorkomen. Weinig mensen in het Westen geloven immers meer in het bestaan van een menselijke geest die zich van het lichaam los kan maken en de dood overleeft. Toch is het verschijnsel van de uittreding vanuit de parapsychologie en de bijna-doodervaringen bekend. Het is al vaak onderzocht en blijkt iets reëels te zijn dat niet zomaar kan worden weerlegd. Swedenborg, die in zijn tijd ook faam genoot als sterrenkundige, heeft daar een nieuw element aan toegevoegd. Zijn helderziende gaven werden door zijn tijdgenoten erkend. Ook maakte hij naam als uitvinder. Zo ontwierp hij al in 1714 een vliegtuig, waarvan het ontwerp in onze tijd door de NASA is nagebouwd – en het bleek te kunnen vliegen.
Het mag dan zo zijn dat dit reizen naar andere werelden nooit gemeengoed zal worden, maar een interessante mogelijkheid is het in elk geval wel. Misschien zullen de huidige budgetproblemen van de NASA er nog eens voor zorgen dat men deze mogelijkheid gaat verkennen. Wat we ermee kunnen winnen is niet meer of minder dan kennis over andere beschavingen in het heelal. Het reizen in de geest blijkt uiteindelijk misschien wel het ‘wormgat’ te zijn waardoor we het heelal zullen leren kennen op een manier die met technische middelen nauwelijks haalbaar is.

Hendrik Klaassens.

zondag 13 februari 2011

Hoe reizen andere beschavingen door het heelal?

Vroeger was ik een groot liefhebber van de boeken van Erich von Däniken, Jochim Pahl en Stefan Denaerde. Ook werkjes over ufo´s verslond ik, hoewel ik ze met de nodige scepsis las. Al deze schrijvers waren gefascineerd door het idee dat andere beschavingen af en toe onze aarde bezoeken. Volgens hen hebben veel civilisaties het stadium van de interstellaire ruimtevaart bereikt en stimuleren ze de ontwikkeling op planeten waarvan de hoogste levensvormen zich nog met knots en speer staande proberen te houden. Een soort ontwikkelingshulp dus, en niet geheel zonder bijbedoelingen. De aarde moet immers worden opgestoten in de interstellaire vaart der volkeren, zodat ook de andere ruimtevarende intelligenties daarvan kunnen meeprofiteren en het in de ruimte geen rommeltje wordt.

Opvallend bij al deze schrijvers is de Star Trek-achtige manier waarop ze de werkelijkheid van het heelal benaderen. Meestal speelt de techniek een allesoverheersende rol. Toch heb ik daar grote twijfels over. Wat is nl. het belangrijkste doel van de hele materiële schepping? Is dat niet de vergeestelijking van het bewustzijn van de mens en de totale bevrijding uit de wereld van de materie? En als dat het belangrijkste doel van alles is, waarom zouden we dan met technische hulpmiddelen het heelal moeten veroveren? Is dat niet een paradox?

Na het lezen van de boeken van verschillende mystici ben ik dit alles systematisch gaan vergelijken met modern ruimteonderzoek. Daarbij heb ik gemerkt dat er in de hele wereld van de materie wel degelijk één centraal principe is, en wel dat alles in het heelal zich langzaam maar zeker ontwikkelt tot steeds hogere vormen, totdat alles op den duur volkomen vergeestelijkt is en in fysieke zin 'oplost'.
Je ziet dat ook bij sterren, planeten en kometen. Aan het eind van hun ontwikkeling lossen ze volkomen op: ze 'verdampen' als ze hun tijd hebben uitgediend. Precies hetzelfde geldt ook voor de mens. We zijn beslist niet geschapen om in de wereld van de materie te blijven hangen. Dit is maar een tussenstadium, een noodzakelijk kwaad omdat we ooit door een bewuste keuze - de val uit de geestenwereld - onze frequentie hebben verlaagd. Zo kon het stoffelijke heelal ontstaan. Het is een hulpmiddel om via een aantal incarnaties terug te keren naar de geestelijke wereld.

Wat doen nu al die levende wezens op de sterren en planeten? Als ze zich van hun geestelijke opdracht bewust zijn, zullen ze kiezen voor een ontwikkeling van hun geest en niet van de materie, omdat materie op zichzelf genomen praktisch dood is. Miljarden en nog eens miljarden beschavingen zijn er in het heelal. Hun aantal moet zó onnoemelijk groot zijn, dat we dit niet eens met een aards getal uit kunnen drukken. Toch zullen de meest wijze civilisaties nooit beginnen aan een ongeremde technische ontwikkeling. Waarom niet? Het antwoord is simpel: met de geest kun je veel langere en betere reizen maken dan met een ruimteschip.

De Zweedse ontdekker, geleerde en ziener Emanuel Swedenborg heeft dat in zijn boek "Over de aarbollen in ons zonnestelsel" duidelijk laten zien. Hij trad uit en bezocht met zijn geest verschillende werelden. Hij sprak met de bewoners daar. En overal spreken de meer ontwikkelde wezens dezelfde taal: ze kunnen met elkaar communiceren en bezitten een wijsheid, waarbij vergeleken de wijsheid van ons meestal maar een hersenschim is.
Om te reizen in het heelal heb je geen techniek, geen ruimteschepen nodig, maar een wakkere, heldere geest. Een geest die zich volkomen op Jezus richt en vast op Hem vertrouwt. Neem van mij aan dat de rest dan vanzelf gaat. Maar bijna niemand op aarde heeft dát vermogen, díe geestelijke kracht, omdat we in de materie verzonken zijn. Ons bewustzijn is ongelofelijk mat.

Daar zal beslist verandering in komen. De ontwikkeling op aarde kan niet blijven stilstaan, we móeten echt verder. Zoals Jezus de materie volkomen overwon, zo zullen wij dat ook ooit 'es moeten doen. Niet met techniek, niet met ruimteschepen, maar alleen met onze vrije geest, die peilloos ver boven de materie staat.
Wat er tijdens de laatste fase van de wederkomst van Christus zal gebeuren, God only knows. Maar ik weet wel dat dat een transformatie van de aardse omstandigheden zal betekenen waar we ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken.
Wie zullen er na de wederkomst overblijven? Jezus zei ooit: "De zachtmoedigen zullen de aarde beërven". Ik denk dat dat betekent, dat niet de slechte mensen achter zullen blijven, maar juist de liefdevolle, deemoedige mensen. De rest zal weggevoerd worden. Niet met ruimteschepen, maar in de geest. Op andere werelden mogen ze hun ontwikkeling vervolgen. Soms zal dat materiëel gebeuren, soms ook niet. Want ook de geestelijke wereld heeft heel veel sferen waarin de mens kan worden opgevoed.

In die zin kijk ik ook tegen de voorspellingen over de drie dagen van duisternis aan, die volgens velen onmiddellijk voorafgaan aan de transformatie van de aarde. De opvatting dat een heleboel mensen met ruimteschepen van de aarde worden opgehaald, kom je o.a. tegen in de boekjes van Bertha Dudde. Ook binnen New Age doen zulke verhalen de ronde. Toch geloof ik dat niet. UFO's zijn al vaak beschouwd als vertegenwoordigers van de 'goden' of als bezoekers uit een andere dimensie. Ik heb die ideeën bestudeerd, maar er nooit overtuigende bewijzen voor gevonden. UFO's bestaan wel, maar ze kunnen nooit zijn gebouwd door hoogstaande beschavingen. Simpelweg omdat hoogstaande beschavingen hun heil niet zoeken in de materie, maar in de mogelijkheden van de vrije, op God gelijkende geest.
Alleen beschavingen die in het materiële stadium zijn blijven steken, zullen ruimteschepen bouwen die de afstanden tussen de sterren - gemiddeld ca. 4 lichtjaren - kunnen overbruggen. Een bewijs voor hun geestelijke superioriteit is dat echter allerminst. Het wijst eerder op een sterke gehechtheid aan de materie en op een fascinatie voor de verworvenheden van de techniek. De boodschappen die we van dergelijke beschavingen kunnen opvangen, hebben in spiritueel opzicht dan ook maar een heel beperkte waarde. Een civilisatie die immers grondig over haar eigen plaats en oorsprong heeft nagedacht, zal zich vooral in geestelijke zin ontwikkelen en de techniek hooguit gebruiken als een middel om geestelijke doeleinden te verwerkelijken.