Posts tonen met het label planeet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label planeet. Alle posts tonen

zaterdag 9 maart 2013

Hypnose (2): op een verre sterrenwereld

 
De man had een jeugdig uiterlijk en droeg een lang, wit gewaad. Toen hij hem tot op een paar meter was genaderd, bleef zijn gestalte roerloos, als een tot leven gekomen hemelteken, voor hem in de ruimte zweven. Helder stak zijn silhouet af tegen het gitzwarte, met sterren bezaaide firmament. “Wat houdt je tegen om andere zonnestelsels te bezoeken?”, vroeg hij, alsof hij de aangesprokene kende en zijn gedachten had geraden. “Zie je op tegen de reis door de interstellaire ruimte? Dat hoeft niet: als je reist in de geest, wordt de duur van je reis niet door de materie, maar door je eigen gedachten bepaald. Alles is een kwestie van concentratie. Kies gerust een ster uit waar je naartoe wilt en richt al je aandacht daarop, dan zul je daar over enkele ogenblikken verschijnen.”
“Ongetwijfeld hebt u gelijk”, antwoordde de aangesprokene, “u schijnt te weten waarover u spreekt. Maar wie bent u? Hoe komt het dat u wist wat ik van plan was? Bent u een engel?”
“Dat ben ik”, antwoordde de man, “men noemt mij Naftaniël. Ik ben een gids voor reizigers tussen sterrenwerelden. Er zijn maar weinigen die over voldoende diepgang en verbeeldingskracht beschikken om de indrukken, die men op verre werelden opdoet, te kunnen verdragen. Maar als je je onder mijn bescherming stelt, zal ik alles in goede banen leiden. Ik wist, Peter, dat je zo ver zou komen, en heb je opgewacht. Als jij dat wilt, zal ik je planeten laten zien die sterk verschillen van de aarde. Zie je die witgele ster in de Kleine Hond? Op aarde noemt hem Procyon. Als je je daar op concentreert, zijn wij er over enkele ogenblikken.”
Peter stemde toe. Hij fixeerde al zijn aandacht op die ster, en merkte dat ze er even later waren aangekomen. Het firmament was plotseling veranderd; uit sommige constellaties waren sterren verdwenen, terwijl andere sterrenbeelden waren vervormd. Geen wonder: hij bevond zich nu op meer dan tien lichtjaar van de aarde. Onder hen bevond zich een planeet die wel iets weg had van de aarde; hij was alleen wat groter en bevatte minder oceanen. Ook ontbraken de poolkappen die zo kenmerkend zijn voor onze eigen wereld.   
 
“We dalen nu af naar het oppervlak. We maken een rondgang over deze planeet, die de derde is vanaf de hoofdster Procyon. Onthoud dat wij voor de bewoners ervan onzichtbaar zijn, maar wij kunnen hen wel zien. Als je iets weten wilt, kun je het mij gerust vragen, maar neem eerst maar op je gemak alle indrukken in je op. Dan zal jou veel duidelijk worden.”
Even later landde het tweetal in een zacht glooiend, heuvelachtig gebied. De toppen van de heuvels waren bedekt met hoog gras. Daaromheen groeiden reusachtige loofbomen, groene kathedralen waarvan de takken de hemel leken te raken. Er was geen levend wezen te zien. Langzaam zweefden ze voort boven een smal, slingerend pad totdat ze een dal bereikten waarin zich een kleine nederzetting bevond. In een wijde kring stonden daar zo’n dertig woningen, witbepleisterd en met een koepelvormig dak. Iets verderop was tegen een heuvelflank een soort tempel gebouwd, opgetrokken uit doorzichtig materiaal. Het gebouw was vrij groot, langwerpig en bezat verschillende torens. Voor de ingang stond een man in een lang, diepblauw gewaad; zijn handen rustten zegenend op de kruin van een vrouw die op een krukje voor hem zat. Beiden hadden hun ogen gesloten. Af en toe prevelde de man iets in een zangerige taal. Daarop viel de vrouw in slaap. De man – kennelijk een priester – riep iets, waarna twee helpers te voorschijn kwamen die de vrouw in het inwendige van de tempel droegen.

Vragend keek Peter zijn gids aan. “De priester, die je daar ziet, heeft een vrouw die hulp bij hem zocht in een genezende slaap gebracht en daarna naar binnen laten brengen”, verklaarde hij. “Daar zal ze herstellen, maar dat kan wel een paar dagen duren. Op deze wereld worden mensen genezen door de krachten van de geest, soms aangevuld met een behandeling door kruiden. Dat gebeurt allemaal heel kalm en ordelijk. Valt jou trouwens in het dal iets op? Kijk eens goed naar de huizen van de nederzetting; wat zie je?”
Peter draaide zich om en keek naar het dorp. Enkele vrouwen stonden daar met elkaar te praten. Verderop speelden een paar kinderen. Maar ook zag hij schimmen die tussen de huizen liepen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Eén van de vrouwen voerde zelfs een geanimeerd gesprek met hen, terwijl hij zeker wist dat het zielen van overledenen waren. Wat moest dat betekenen? Op wat voor een vreemde wereld was hij terecht gekomen?

- wordt vervolgd -

dinsdag 5 februari 2013

Kirsten Dunst als bruid van de dood in “Melancholia”

 Kirsten Dunst als de bruid Justine in "Melancholia"
 
Films waarin de mensheid bijna kopje onder gaat, zijn er zo langzamerhand een heleboel. Ik denk daarbij aan “Asteroid”, “The Day after Tomorrow” en “2012”. De nadruk in deze producties ligt meestal op het vette spektakel. Wolkenkrabbers storten als kaartenhuizen in elkaar, tsunami´s overspoelen met nietsontziend geweld de kust en snelwegen zijn verstopt met automobilisten die in paniek aan apocalyptische verschrikkingen proberen te ontkomen. Veel minder vaak worden films uitgebracht waarin de regisseur probeert te laten zien welk effect zo’n catastrofe heeft op de psyche van degenen die erdoor worden getroffen. Lars von Trier deed met zijn in 2011 uitgebrachte `Melancholia´ een poging om dat thema nader uit te werken; ik denk dat hij in zijn opzet is geslaagd.

De hoofdrol in deze productie is weggelegd voor de actrice Kirsten Dunst. Zij speelt de rol van de depressieve Justine. ‘Melancholia’ begint met een close up van haar. Uiterst traag en met een in-trieste blik opent zij haar ogen, alsof ze het liefst meteen weer terug zou willen zinken in een diepe lethargie. Deze openingsscene wordt gevolgd door minutenlange beelden in slow motion van een parkachtig landschap. Aan de hemel is niet alleen de maan te zien, maar ook een planeet die een blauwige gloed werpt over het landschap. Deze opnamen worden afgesloten met beelden van een botsing tussen deze planeet en de aarde.
In feite is dat de essentie van de hele film: melancholie die zó onnoemelijk zwaar is, dat hij leidt tot het definitieve einde. Toch zou je dat niet denken als je kijkt naar wat er op die slow motion-beelden volgt. De eerste helft van de film speelt zich namelijk af in een landhuis waar een pas getrouwd paar zijn bruiloftsfeest viert. De bruid Justine, gespeeld door Kirsten, probeert de schijn op te houden dat ze gelukkig is, maar achter dat masker wordt ze verteerd door angst en diepe melancholie. Naarmate de avond vordert vlucht ze daarom steeds vaker de feestzaal uit. Haar zus Claire, gespeeld door Charlotte Gainsbourg, en haar zwager, een rol van Kiefer Sutherland, weten haar telkens over te halen om terug te keren, maar haar gedrag blijft zonderling.
Zo rijdt ze ’s avonds laat in een golfkarretje door het park rondom het landhuis om naar een blauwe planeet te kijken die de aarde steeds dichter nadert. Iedereen weet dat hij de aarde rakelings zal passeren, maar het is onzeker wat er daarna gaat gebeuren: misschien keert hij daarna terug om op de aarde te botsen. Bij een volgende ontsnapping uit de feestzaal komt één van de gasten, een collega van haar, bezorgd achter haar aan. Zonder veel omhaal gooit ze hem op het gazon en heeft seks met hem, en dat nota bene op de avond van haar bruiloftsfeest. Alsof er niets gebeurd is, loopt ze daarna terug naar de feestzaal.
Rond middernacht gaat ze samen met haar nieuwbakken echtgenoot naar de bruidssuite. Verlekkerd begint hij zich uit te kleden, maar merkt al snel dat zijn bruid geen gemeenschap met hem wil en de kamer verlaat. Als hij even later ziet dat ze ook nog ruzie met één van de gasten staat te maken, besluit hij om afscheid van haar te nemen.
In het tweede gedeelte van de film wordt steeds duidelijker dat de planeet Melancholia op ramkoers ligt. Opvallend genoeg wordt Claire, die haar zaakjes altijd zo goed voor elkaar heeft, steeds onrustiger, terwijl de depressieve Justine steeds kalmer wordt. Af en toe kijkt Claire naar internetpagina’s met een prognose van de baan van Melancholia. Die zien er niet best uit: na een nauwe passage spiraleert de planeet terug naar de aarde, waarna ze op elkaar zullen botsen. Haar man John probeert haar gerust te stellen, maar dat is maar toneelspel: als duidelijk wordt dat een botsing onvermijdelijk is, pleegt hij zelfmoord. Justine reageert heel anders. In de nacht voor de ramp loopt ze naar buiten en gaat in het blauwe schijnsel van Melancholia naakt op een rots liggen, met haar gezicht naar de planeet toegekeerd. Ze ziet er heel kalm uit, alsof het vooruitzicht van het einde haar oplucht. Het lijkt wel alsof ze met de planeet flirt. 

Justine en Claire staren naar Melancholia.

In het zicht van het definitieve einde voeren de zussen de volgende dag hun laatste gesprekken. Justine is ervan overtuigd dat er geen weg terug is. “Er is alleen leven op aarde”, zegt ze. “Maar niet lang meer”, laat ze er met trillende stem op volgen. Ze weet zeker dat niemand de mensheid ooit zal missen. “De aarde is kwaadaardig. We hoeven er niet om te rouwen.” Vlak voor het moment van de botsing gaan de beide zussen, samen met het zoontje van Claire, naar het gazon voor het landhuis om het einde af te wachten. De film eindigt in een oogverblindende gloed van blauwwit licht, waarna een diepe stilte valt. De aarde heeft opgehouden te bestaan.
Deze film heeft diepe indruk op me gemaakt. Zo vond ik Kirsten Dunst in haar rol van Justine fenomenaal goed. Heel geloofwaardig speelt zij de rol van een zwaar depressieve jonge vrouw. Dat ze er op het filmfestival van Cannes in 2011 een award mee won als beste actrice vind ik dan ook terecht. Maar deprimerend vond ik de film desondanks wel. Er is wat mij betreft maar één tegengif tegen dat gevoel: het besef dat we elkaar vooral als medemensen moeten zien. Dreigingen uit de kosmos werpen ons terug op de essentie. Een open, liefdevolle houding tegen elkaar is voor mijn gevoel dan ook ontzettend waardevol. Samen kunnen we zo’n dreiging misschien aan, maar een diep verdeelde mensheid staat machteloos als er ooit een planeet of grote planetoïde op ons afstormt. En ooit zal dat gebeuren.  

Impending disaster: de planeet doemt op boven de horizon.
 
Slotscène van Melancholia: Justine bouwt een 'magische hut' voor het zoontje van Claire en vertelt hem dat ze daar veilig zullen zijn. Gedrieën wachten ze het einde van de wereld af.  

dinsdag 2 oktober 2012

Integratie, een doodnormaal kosmisch verschijnsel


 
In bijna elk land zijn wel politici te vinden die zo’n hekel hebben aan buitenlanders dat hun politieke programma’s vooral zijn gebaseerd op vreemdelingenhaat. Het idee hierachter is dat een land er wel bij vaart als het ‘van vreemde smetten vrij’ is. Meestal komt dat erop neer dat zo veel mogelijk buitenlanders eruit moeten worden geschopt omdat zij verantwoordelijk zouden zijn voor alle maatschappelijke onrust, criminaliteit en werkloosheid. Als we die gekleurde, koeterwaals sprekende figuren het land uit hebben gewerkt, breken gouden tijden aan en is het weer rustig op straat en in de tram, zo luidt de simpele redenering die nog steeds een grote aantrekkingskracht uitoefent op eenvoudige lieden.
 

Vanuit de kosmos lijkt die gedachtegang nu te worden tegengesproken: ook in het heelal zijn allochtonen een doodnormaal verschijnsel. Heel veel zonnestelsels bevatten namelijk planeten, die vroeger rondom een andere ster hebben gedraaid. Het gebeurt soms dat een planeet op korte afstand wordt gepasseerd door een grotere, zwaardere planeet of door een ster. Daardoor kan hij uit zijn normale baan rondom een ster worden geslingerd. Zijn de krachten, die op zo’n planeet worden uitgeoefend, sterk genoeg, dan verdwijnt hij in de diepten van het heelal. In theorie kan dat zelfs met bewoonde planeten gebeuren!

Dat betekent trouwens niet dat een dergelijke planeet gedoemd is om voor altijd in zijn eentje door het heelal te zwerven. Na verloop van miljoenen jaren kan onze kosmische landloper opnieuw rakelings een toevallige ster passeren. Als zo’n ster met ongeveer dezelfde snelheid om het centrum van het melkwegstelsel draait en in dezelfde richting beweegt, kan die planeet zelfs voorgoed in zijn zwaartekrachtsveld terecht komen. Hij gaat dan baantjes draaien rondom zijn nieuwe gastheer. In sterrenkundig jargon spreekt men dan van een planeet die is ‘ingevangen’.
Zulke planeten komen redelijk vaak voor. Ongeveer één op de twintig sterren heeft een planeet om zich heen draaien die hij op zijn tocht door de ruimte heeft gevangen. Dat is kort geleden door twee sterrenkundigen ontdekt. De Nederlandse astronoom Thijs Kouwenhoven en zijn Israëlische collega Hagai Perets hebben dit vastgesteld nadat ze hadden onderzocht hoe de sterren in zgn. ‘open sterrenhopen’ om elkaar heen bewegen. Open sterrenhopen zijn groepen van tussen de 100 en de 1000 sterren. Ze staan vrij dicht op elkaar en zijn in dezelfde periode geboren. Omdat men tegenwoordig weet dat er om heel veel sterren planeten draaien – op 2 oktober dit jaar waren er al 838 ontdekt! – zal het in zo’n dichtbevolkte sterrenhoop af en toe gebeuren dat een planeet van het ene zonnestelsel naar het andere hopt. Zo’n reis van het ene zonnestelsel naar het andere kan zo maar miljoenen jaren duren. Sommige migrantenplaneten komen zelfs nooit bij een andere ster aan. Zo zijn er vrije planeten ontdekt die niet om een ster, maar om een andere vrije planeet zijn gaan draaien. Dat zijn twee eenzame zielen die elkaar gevonden hebben, zeg maar. In kosmische zin hokken ze samen op een eiland dat verder onbewoond is.

Sterrenkundigen hebben intussen ook verklapt dat het met die allochtone planeten goed gaat. Van botsingen of opstootjes is geen sprake, laat staan van scheldpartijen over en weer. Autochtone planeten en de pas binnengekomen migranten laten elkaar altijd met rust. Keurig netjes draaien de verse allochtonen op gepaste afstand rondom hun nieuwe ster. Meestal zijn hun banen wat groter dan die van hun autochtone broertjes en zusjes. Dat is normaal. Ze zijn immers net uit het heelal aan komen waaien. Ook gebeurt het vaak dat ze onder een wat andere hoek rondom hun nieuwe ster cirkelen. Toch is hun integratie keurig netjes verlopen. Geen wonder, want in het heelal maakt het geen lichtseconde uit waar je vandaan komt. Naar afkomst en grootte wordt in de kosmos niet gekeken. Relletjes komen in de ruimte dan ook niet voor. Wat wil je ook: in tegenstelling tot op aarde is integratie in het heelal een doodnormaal verschijnsel.

vrijdag 28 oktober 2011

Schepping

 
 
Schepping

“Jij ging op weg als tastend licht
dat over de wateren zwierf:
glanzende kiem, geduldige vonk
waaruit de sterren zijn geboren.

Het melkwegstelsel streek jij aan
tot een flonkerend wiel van licht:
om elke ster, uit gas en stof verdicht,
schiep jij groene werelden
vol hunkerend, denkend leven.”

(Hendrik, 1983)

Traag kolkten donkere massa’s door de ruimte. Als ijle, inktzwarte wolken, lichtjaren diep, wentelden ze door het heelal. Nergens was er een plaatselijke verdichting, nergens flonkerde licht, nergens was er een sprankje leven te bekennen. Miljarden jaren dreven de massa’s zo rond, door geen mensenoog bekeken, door geen hand beroerd – vormloos, stuurloos, onbezield.
Vanuit deze onbezielde leegte, deze ongeordende duisternis, maakte zich een lichtje los – aarzelend nog, tastend, alsof het zocht naar houvast. Allengs werd het sterker, krachtiger, zelfbewuster. Toen het zich sterk genoeg voelde zond het een eerste puls uit die door de verten streek, een zwakke trilling, een vage gloed nog die over de donkere afgronden zweefde. Na deze eerste verkenning trok het zich peinzend in zijn punt van oorsprong terug.
Aeonen verstreken voordat het opnieuw naar buiten trad, krachtiger en zelfbewuster nu dan eerst. Het had de vorm aangenomen van een lans van licht die als een vuurtorenbundel de donkere wolken aftastte, doorboorde, bevoelde met zijn bewustzijn in een steeds versnellende, golvende beweging.  
Als antwoord op het pulserende licht gloeiden de nevels op. Ze klonterden samen, voegden zich aaneen tot steeds grotere massa’s. Behaaglijk koesterden ze zich in het licht vanuit de centrale bron. Tussen hen in ontstonden openingen, miljoenen lichtjaren diep
Traag begonnen de nevels daarop als reusachtige wielen rond te draaien, en in de spaken van die wielen gloeiden de eerste sterren op. Steeds meer sterren werden geboren, rij na rij, golf na golf, totdat er flonkerende netwerken waren ontstaan, lappendekens van lichtpuntjes die traag rondwentelden door de eindeloze wereldruimte. De eerste sterrenstelsels, roterende eilanden van licht, waren geboren. En rond een klein sterretje, geel van kleur, vormde zich een stofring die zich langzaam verdichtte tot een kleine, rotsachtige planeet. De aarde was geboren. 


woensdag 11 mei 2011

Gestrand


"Scribo, ergo sum", waren de woorden die in hem klonken, "ik schrijf, dus ik besta." Een eigenaardig bestaan was dat trouwens, want toen hij wakker werd uit zijn gepeins, zag hij een onafzienbare, donkere oceaan voor zich. Bulderende, donkergrijze en zwarte golven met witte schuimkoppen strekten zich voor hem uit tot aan de horizon. Hij stond op een uitstekende rotspunt, een meter of tien boven het zeeoppervlak.

In zijn linkerhand hield hij een zilverwitte, glanzende pen. Hoe kwam hij daaraan? Wat moest hij daarmee doen? En plotseling schoot hem te binnen dat het zijn opdracht was om te schrijven. Vaag was dat besef, maar allengs werden de beelden helderder. En mét dat besef doemde er boven de einder een planeet op: blauw, groen en wit. Het licht van een onbekend klein sterretje weerspiegelde blinkend in zijn grote oceaan. Was dat misschien de planeet die hij moest zien te bereiken? Hij krabde zich achter zijn oor. Maar terwijl hij dat deed, voelde hij de gloed van een heldere ster branden in zijn rug. Hij draaide zich om: daar, recht voor hem, zag hij een baaierd van licht. Hij dorst er bijna niet naar te kijken, zó verblindend was het schijnsel van die reuzenster.

Gestrand, hij was gestrand, realiseerde hij zich. Maar hoe, waardoor, met welk doel? En opeens drong het tot hem door dat hij ooit op een kleine, maar heldere lichtstraal, precies groot genoeg om hem te dragen, op weg was gegaan van die reuzenster naar de planeet in de verte. Het doel van zijn reis had iets met die pen te maken, maar hij kon het zich niet meer precies herinneren.

Ooit was hij op weg gegaan naar die prachtige planeet boven de horizon, maar onderweg was hij eraf gevallen. Of eigenlijk was het nog weer iets anders gegaan; om de één of andere reden was hij van die lichtstraal afgesprongen. Iets had hem ervan weerhouden om de laatste stap te zetten en te landen op die planeet, waarvoor hij steeds meer liefde begon te voelen. Was het angst geweest, een onbekende huiver die hem doorvoer toen hij had besloten van zijn koers af te wijken? Hij wist het niet. In gepeins verzonken bleef hij uitstaren over de golven. En boos werd hij, want wat deed hij hier, zo helemaal alleen in deze uitgestrekte, eindeloze eenzaamheid?

Het zicht schrompelde in, en hij werd omgeven door een mist die steeds dichter en dichter begon te worden. Daarop kwam hij tot bedaren. Hij herademde. De mist trok op en het zicht werd weer helder. Gelukkig! Maar nu? Wie kon hij om hulp vragen? Was er ergens redding, iemand die hij kon vragen hoe hij zijn reis kon vervolgen?
En hij begon te huilen, staande op de uitstekende rotspunt boven de ziedende zee.

Tijden lang moet hij daar zo gestaan hebben, toen hij een zacht stemmetje hoorde. Het werd aangedragen over de zee, kwam als een vogel, als een soort meeuw - maar dan onzichtbaar - op hem aanvliegen. En het sprak tegen hem, zacht, lieflijk, maar ook met een stem die gezag inboezemde, hoewel niet dwingend. Hij luisterde. Na verloop van tijd klaarde zijn gezicht op. Dus toch...? Hij glimlachte: als het zó eenvoudig was, moest hem dat zeker gelukken!
Hij zocht naar een stukje papier in de witte tuniek die hij droeg en die tot zijn knieën reikte. Hij vond een beduimeld velletje papier en beschreef het in een schrift dat hemzelf onbekend was. Toen hij daarmee klaar was, ontstond er in zijn rechterhand een zilvergrijze koker. Hij rolde het beschreven velletje op, stopte het behoedzaam in de koker en wierp het ding met een krachtige uithaal in de oceaan. Heel kort zag hij het even drijven op een zwarte draaggolf; toen werd het door de bulderende golven opgeslokt.

Het aanzien van de oceaan veranderde daardoor. De golven gingen liggen en er stak een mild briesje op, dat hem deed herademen. Vreemd was wel dat de koker met zijn brief erin plotseling weer opdook uit de golven. Door een onzichtbare hand werd het met grote kracht naar de verte gestuwd, naar de blauwe planeet die laag boven de horizon in de wereldruimte prijkte.
Het licht boven hem veranderde van kleur: niet langer was de hemel donkergrijs. De grijze tinten verdwenen en er brak licht door, steeds meer licht. Tenslotte werd het zó fel dat hij het bewustzijn dreigde te verliezen. In een tweede stuwende golf, die de eerste golf met de koker volgde, werd hij opgetild en naar de blauwe planeet gedragen door een onzichbare hand, die hem warm en mild, lieflijk maar ook gedecideerd naar zijn onbekende stemming voerde.
"Vader, Mijn Vader", stamelde hij nog, "de Grote Geest moest veranderen in Mijn Vader." Toen verloor hij het bewustzijn.