Posts tonen met het label geest. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geest. Alle posts tonen

zaterdag 14 januari 2012

Maakt het geloof in het hiernamaals de mens egoïstisch?


In de christelijke leer gaat men ervan uit dat de mens een individuele, door God geschapen ziel heeft die door de zondeval beschadigd is geraakt. Daardoor is de weg van de menselijke ziel naar de hemel versperd. Om nu de band tussen God en mens te herstellen zond God zijn Zoon die door zijn leer en het offer van zijn kruisdood de weg naar de hemel weer heeft vrij gemaakt. Iedereen, die in zijn verlossend optreden gelooft en Hem navolgt, komt volgens die leer in een ‘verheerlijkt lichaam’ in de hemel terecht.

Kritiek op deze centrale gedachtegang in het christendom is er altijd al geweest. Deze kritiek komt erop neer dat de mens zozeer door zijn streven naar persoonlijke verlossing in beslag genomen wordt, dat men het aardse leven in feite onbelangrijk vindt. De prikkel om aan armoede, maatschappelijke wantoestanden en onderdrukking een einde te maken zou daardoor veel te zwak zijn. Volgens deze critici is de aarde voor veel christenen niet meer dan een wachtkamer of voorportaal, waar men punten hoopt op te sparen die men later kan verzilveren voor een eeuwig bestaan in hemelse gelukzaligheid.  De christen zou zich, kortom, te veel richten op zijn persoonlijke heil in het hiernamaals en te weinig op het gemeenschappelijke welzijn in het hier en nu. Graag ga ik hieronder op deze kritiek in.

DE INDIVIDUELE ZIEL EN HET LEERSTUK VAN DE WEDEROPSTANDING
Hoe ziet dat voortbestaan van de individuele ziel er volgens christenen uit? De voorstellingen hierover werden eeuwenlang beheerst door de leer van de lichamelijke wederopstanding. Deze leer werd in allerlei kerken, waaronder de Rooms-Katholieke kerk, aangehangen. Daarbij baseerde men zich op het dogma van de 'zielenslaap', zoals o.a. geformuleerd door Thomas van Aquino. Tot 'de jongste dag', die bij de terugkeer van Christus zou aanbreken, zouden de zielen van de overledenen slapen. Daarna zouden ze lichamelijk worden opgewekt om ofwel in de hemel, ofwel in de hel terecht te komen. 
Tegenwoordig geloven steeds minder mensen in een fysieke wederopstanding. De meeste predikanten, priesters en kerkleden denken dat dit veel meer geestelijk moet worden opgevat. Ook over de 'wederkomst van Christus' wordt heel verschillend gedacht. Alleen fundamentalisten geloven nog in een fysieke terugkeer van Christus. Zij denken dat Hij letterlijk ‘op de wolken’ zal terugkomen.

Sterker nog: met christelijke en bijbelse argumenten kun je aannemelijk maken dat dat dogma van de zielenslaap een enorme misvatting is. Zo heb ik in 2001 een boekje vertaald van Otto Feuerstein. Daarin laat hij zien hoe ongeloofwaardig deze leer is. Met ‘de jongste dag’ wordt bv. de dag bedoeld waarop de individuele mens sterft en in de geestelijke wereld aankomt. Daarom kan die dag nooit samenvallen met de wederkomst; voor iedereen is ‘de jongste dag’ immers weer verschillend, afhankelijk van de dag waarop men overgaat.   

VERZWAKT HET CONCEPT VAN DE INDIVIDUELE ZIEL DE AANDACHT VOOR DE MEDEMENS?  
De traditionele opvatting van de opwekking van de doden bij de wederkomst van Christus is dus discutabel, maar dat geldt binnen het christendom niet voor het idee dat de mens een individuele ziel heeft en dat men daarmee moet proberen de hemel te bereiken. Leidt dit streven naar persoonlijke verlossing nu niet tot egocentrisme en het verwaarlozen van de aandacht voor de medemens en de samenleving als geheel? M.a.w.: stimuleert dit mensen misschien tot wereldmijding en een eenzijdige gerichtheid op het hiernamaals, zoals veel critici menen?

Daar heb ik mijn vraagtekens bij. Het hangt er van af hoe je het geloof vorm geeft. Zo is de ‘charitas’, de dienst aan de naaste, een wezenlijk onderdeel van het christelijke geloof. De zorg voor anderen weegt binnen het christendom heel zwaar. Het is niet voor niets dat Joep de Hart in zijn gedegen onderzoek “Zwevende gelovigen – oude religie en nieuwe spiritualiteit” heeft aangetoond dat het vooral christenen zijn die heel veel tijd steken in allerlei soorten vrijwilligerswerk. Veel meer dan andere groepen in de samenleving zetten zij zich hiervoor in. Tekenend is verder dat de gezondheidszorg in het Westen uit kerken en kloosters is voortgekomen. Dat is lijnrecht in tegenspraak met de gedachte dat het christendom zou leiden tot wereldmijding en egocentrisme. 

Wat is verder het eerste wat BDE-ers zien als ze een glimp van de geestelijke wereld mogen opvangen? Zijn dat niet de familieleden en vrienden van wie men heel veel houdt? Daarom geloof ik niet dat mensen zó ontzettend op zichzelf gericht zijn, dat ze alleen maar oog hebben voor hun eigen, eeuwige heil en anderen daarbij uit het oog verliezen. Zeker, het komt natuurlijk voor, maar het vloekt wel met de essentie van het christendom.

HEBBEN OOK ANDERE LEVENDE WEZENS EEN INDIVIDUELE ZIEL?
Sommige critici zullen misschien opmerken dat het inconsequent is om wél aan mensen een individueel voortbestaan toe te kennen, maar niet aan andere levende wezens. Daar kan ik twee dingen op zeggen. Allereerst zijn er ook stromingen (antroposofie e.d.) waarbij men ervan uitgaat dat ook de zielen van planten en dieren na de dood voortbestaan. Wél geloven zij dat deze zielen in een volgend leven worden samengevoegd tot complexere levensvormen. Ze verdwijnen dus niet, maar worden ingepast in een groter geheel. Zo uniek is de mens volgens hen dus ook weer niet. 

In de tweede plaats wordt de mens binnen het christendom als 'de kroon van de schepping' beschouwd, met de notie dat de mens het enige wezen is dat naar het evenbeeld van God geschapen is. Daarmee bedoelt men dat alleen de mens (naast een lichaam en een ziel) over een geest beschikt, terwijl andere levende wezens alleen beschikken over een lichaam en een ziel. Op iemand die puur natuurwetenschappelijk denkt, komt dat heel arbitrair over, maar dat is wel de verklaring voor dit kenmerkende verschil.

Het idee van een individuele menselijke ziel, die onafhankelijk van het fysieke lichaam kan bestaan, is dan ook niet strijdig met het streven naar medemenselijkheid, geloof, hoop en liefde. Soms hoor je mensen ook opperen dat het bestaan van zo’n individuele ziel niet wetenschappelijk kan worden aangetoond. Dat berust op een gebrek aan kennis van de vorderingen op het gebied van de parapsychologie. Van minstens vijf paranormale verschijnselen, die uitgaan van het bestaan van de individuele ziel, heeft men voldoende wetenschappelijk kunnen aantonen dat ze bestaan. Jammer genoeg gaat men daar vaak met een boogje omheen. Dat geldt ook voor de talloze authentieke verhalen van BDE-ers, die zeer overtuigend zijn. 

HET EINDE VAN HET GELOOF IN DE MATERIE
Ik geloof dan ook dat de reductionistische wetenschap, inclusief zijn ontkenning van de individuele menselijke ziel, op de lange duur geen stand kan houden. Het is nog maar een kwestie van tijd voordat men niet langer om de realiteit van het leven na de dood heen kan. De nooddijken die men in steeds hoger tempo opwerpt om dat ontkennen, staan op instorten. De heftigheid waarmee men bv. authentieke BDE-verhalen probeert te ontkrachten door ze toe te schrijven aan hallucinaties, zuurstofgebrek en andere puur fysiologische oorzaken, is een onmiskenbaar teken van angst en onzekerheid. Ergens voelt men wel dat er een voortbestaan is en dat datgene, wat een mens tijdens zijn leven heeft gezegd, gedacht en gedaan, niet zomaar kan worden uitgewist. Maar met alle geweld loopt men voor de consequenties ervan weg.

Als de authenticiteit van BDE’s als beschrijvingen van een hiernamaals onomstotelijk wordt aangetoond, valt de materialistische manier van denken en wetenschap bedrijven in duigen en heeft het atheïsme het pleit voor eens en voor al verloren. Tot die tijd zullen er nog wel de nodige achterhoedegevechten worden geleverd. Niettemin heeft het geloof dat er niet meer is dan de materie zijn beste tijd gehad. Daarvoor stapelen zich té veel bewijzen en aanwijzingen op dat zo’n eenzijdige kijk op de werkelijkheid ons echt niet verder brengt, maar het zicht op de ware natuur van mens en kosmos eerder onnodig beperkt. 

woensdag 17 augustus 2011

In de stilte kunnen we God ervaren



"Leef in het nu, carpe diem, pluk de dag". Dat is het motto van deze tijd. Duurzaamheid, geduld en matiging zijn woorden die men vandaag de dag niet meer wil horen. Veel mensen moeten een voortdurende 'muur van geluid' om zich heen hebben, anders voelen ze zich niet prettig. Men is op de vlucht: op de vlucht voor pijn, voor verdriet, voor teleurstelling, op de vlucht voor angst en alles wat angst kan oproepen.
Meer dan ooit is dit een tijd waarin men bang is voor de stilte, voor de stilte waarin God tot het hart van de mens kan spreken. Vandaar dat we muren om ons heen optrekken. Veilig zitten we in ons cocon. Maar zijn we daar wel gelukkig? Of proeven we het geluk van de verslaafde, van degene die zich verdoofd heeft om iets anders vooral niet te voelen?
Niet alleen beeld en geluid - muziek, internet, radio en t.v. - maar ook woorden vormen een barrière tussen ons en God, en tussen ons bewustzijn en de diepten van onze ziel.

Woorden structureren onze gedachten, geven er een begrijpelijke vorm aan, maar tegelijkertijd beperken ze ons ook. Ze kunnen weliswaar heel helder en gestructureerd zijn, maar toch geven ze noodgedwongen een beperkt en eenzijdig beeld van datgene wat we willen uitdrukken. Gedachten zijn altijd rijker en veelzijdiger dan de taal waarin we ze onder woorden brengen. Taal bestaat immers bij de gratie van tegenstellingen, taal maakt onderscheid, plaatst dingen tegenover elkaar, maar onze ziel is een eenheid die tegenstellingen in zich kan verenigen.
Daarom is er maar één radicale manier om je open te stellen voor de diepten van je ziel: alle beelden, woorden en geluiden loslaten en je verbinden met God in je binnenste. Alleen vanuit de leegte en de stilte kan God op je inwerken. Zelfs voor mensen die niet geloven is het beoefenen van de stilte heilzaam. Het is de weg naar binnen die ons voert naar de grond van ons bestaan zelf. Alleen dan kunnen we onszelf ook ervaren als een geestelijk wezen.

zondag 7 augustus 2011

Sluiten geloof en wetenschap elkaar uit?


Malafide wetenschapper pur sang: dr. Faust

  

Sinds mijn studententijd heb ik me afgevraagd of geloof en wetenschap wel met elkaar kunnen samengaan en zo ja, waarom er desondanks vaak sprake lijkt van een onoverbrugbare kloof tussen die twee. Waarom verdragen ze elkaar toch vaak zo slecht? Zijn het dan twee volkomen van elkaar gescheiden gebieden, of is het mogelijk ze met elkaar te verenigen zonder dat één van beide tekort wordt gedaan? Om die vraag te kunnen beantwoorden heb ik eerst geïnventariseerd hoe door de grondleggers van stromingen als de theosofie, de antroposofie en de nieuwe openbaringen (een onderdeel van de christelijke mystiek) tegen de wetenschap wordt aangekeken. Het waren alle drie mensen die veel over de relatie tussen die twee hebben nagedacht.

BLAVATSKY
Dr. Murdoch, een kenner van haar werk, schrijft over haar:
”Het voornaamste doel van H.P. Blavatsky was wetenschap, religie en filosofie te doen samensmelten, zoals blijkt uit de ondertitel van ‘De Geheime Leer’. Dit doel vindt men bovendien exact terug in het tweede Doeleinde van de Society.”

RUDOLF STEINER
Rudolf Steiner omschrijft het doel van zijn werk a.v.:
"wetenschap en godsdienst weer verenigen, God weer invoeren in de wetenschap, en de natuur in de godsdienst en zodoende de kunst en het leven opnieuw bevruchten."

JAKOB LORBER
Deze 19e-eeuwse mysticus schreef: "Pas in die tijd (d.w.z. de tijd van de wederkomst van Christus) zal Ik de oude boom der kennis zegenen en door hem zal de boom des levens in de mens weer zijn kracht terugkrijgen."

Als je dieper doorspit in deze materie, kom je veel meer voorbeelden tegen van zieners, theologen en mystici die beslist niet wars zijn van wetenschap, ontdekkingen of nieuwe inzichten. Ze zoeken eerder naar een synthese tussen de kennis van het hoofd en die van het hart, tussen magie en rede. Willekeur en subjectivisme horen daar zeker niet bij. Wél orde, systematiek en het open staan voor de wereld om ons heen. Een grappig voorbeeld daarvan is het feit dat het Vaticaan tegenwoordig over een eigen sterrenwacht beschikt waaraan wetenschappers van naam zijn verbonden.

Voor mijn gevoel is er niets mis met het verzamelen en systematiseren van wetenschappelijke kennis over de materiële wereld. Die kennis kan uitstekend worden gebruikt om het leven van mensen aangenamer, gezonder en gelukkiger te maken. Toch zijn er ook grenzen aan wat ik nog acceptabel vind. Zo houden heel veel wetenschappers zich bezig met het ontwikkelen, verbeteren en testen van wapentechnologie. Wat daarbij vooral ontbreekt zijn algemeen aanvaarde normen over wat in ethisch opzicht wél en wat niet verantwoord is. Natuurlijk wordt daar wel over nagedacht, maar in de praktijk zie je dat in elke dubieuze industrie en veld van onderzoek geleerden werkzaam zijn, om over corrupte regimes maar te zwijgen.

Wat de wetenschap blijkbaar te weinig heeft, heeft het geloof misschien wel te veel. Alle religies kennen een stelsel van normen, waarden, leefregels en sancties die het individuele en openbare leven reguleren. Ook kennen religies verschillende niveaus of dimensies van de werkelijkheid. Waar de reguliere wetenschappen alleen uitgaan van het bestaan van een fysieke wereld waarin vaste wetten regeren, gaan godsdiensten uit van verschillende bestaansniveaus.
Naast de fysieke wereld, die door de wetenschap wordt onderzocht, onderscheiden zij ook een geestelijke wereld, die het domein is van goden, hemelse en lagere geesten, evenals de zielen van de overledenen. Verder gaan religies uit van interactie tussen die bestaansniveaus. Zo kan God, een engel of de ziel van een overledene zich volgens alle religies aan een levend persoon kenbaar maken, bv. door een verschijning, het horen van een stem of materiële manifestaties.

Uiteraard staat men daar in de wetenschap o.h.a. heel gereserveerd, om niet te zeggen sceptisch of zelfs cynisch tegenover. Gelukkig zijn er uitzonderingen. De parapsychologie bv. onderzoekt verschijnselen als bv. telepathie, telekinese, bandstemmen en geestverschijningen. Je kunt zulke verschijnselen alleen onderzoeken als je ervan uitgaat dat er méér bestaansniveaus of frequenties zijn dan alleen de materiële. Naast de parapsychologie wordt ook in de theologie uitgegaan van een geestelijke wereld, die in wisselwerking staat met de concrete werkelijkheid.

Het grootste probleem dat zich voordoet in de relatie tussen de wetenschappen en religies is voor mijn gevoel dat vooral binnen de wetenschappen, die materiëel of biologisch zijn geöriënteerd (bv. de natuurwetenschappen en de medische wetenschap) ervan wordt uitgegaan dat alleen het concrete, fysieke bestaansniveau de werkelijke is. Andere bestaansniveaus worden als niet-bestaand beschouwd. Preciezer gezegd: daar wordt volstrekt geen rekening mee gehouden.

Zo wordt binnen de medische wetenschap al vrij lang vastgehouden aan het paradigma, dat het bewustzijn het product is van de hersenfuncties. Dat betekent concreet, dat bij afwezigheid van aantoonbare hersenactiviteit géén bewustzijn meer mogelijk is. Desondanks heeft de cardioloog Pim van Lommel op een overtuigende manier laten zien dat het menselijke bewustzijn ook onafhankelijk van de hersenen kan functioneren. Mensen die tijdens een bijna-dood-ervaring geen enkele hersenactiviteit meer vertoonden (zgn. ‘flatliners’, bij wie het EEG een vlakke lijn vertoont, wat wijst op de hersendood), rapporteerden later, als ze gereanimeerd waren, vaak dat hun geest zich tijdens zulke momenten buiten het lichaam bevond. Vanuit die positie nam men allerlei dingen waar die later geverifiëerd konden worden. Dit verschijnsel heeft men bij duizenden BDE's kunnen waarnemen. Dat roept de vraag op of dit een bewijs is voor een voortbestaan na de fysieke dood. Het maakt het bestaan van een hiernamaals in elk geval wel aannemelijk.

De felle weerstanden die de resultaten van dit BDE-onderzoek bij veel van zijn collega’s hebben opgeroepen, geven duidelijk aan dat in dit geval een paradigma onder vuur is komen te liggen. Zijn conclusies zijn immers moeilijk te loochenen. Daarom haalt men alles uit de kast om zijn werk te torpederen. Zelfs aanvallen op zijn persoonlijke integriteit schuwt men daarbij niet. Blijkbaar is men bang dat een heleboel uitgangspunten, die met het paradigma van het bewustzijn samenhangen, op de helling moeten als men aanvaardt dat het bewustzijn ook onafhankelijk van de hersenen kan functioneren. Zelfs het accepteren van een hiernamaals komt dan immers binnen bereik.

Het onderzoek naar bijna-dood-ervaringen, waar Van Lommel zich mee bezig heeft gehouden, zou daarom de scharnier kunnen betekenen tussen de materiëel en biologisch georiënteerde wetenschappen aan de ene kant, en disciplines als bv. de theologie en de parapsychologie aan de andere kant, omdat zij verschillende bestaansniveaus onderscheiden, waarvan de fysieke wereld er maar één is.

De verschillen tussen de theologie en de natuurwetenschappen laten zien dat ook het begrip ‘wetenschap’ maar een verzamelnaam is voor een heleboel disciplines die onderling sterk kunnen verschillen. De theologie als de wetenschap die allerlei verschijnselen, teksten en uitingen op het gebied van de religies bestudeert, mag gerust uitgaan van een geestelijke wereld, terwijl daar in bijna alle andere disciplines – de parapsychologie uitgezonderd – geen rekening mee hoeft te worden gehouden. De verschillen tussen geloof en wetenschap kom je dus in zekere zin ook binnen het terrein van de wetenschappen zelf tegen, al worden ze daar niet zo sterk als echte tegenstellingen gevoeld. Je kunt bv. ook theologie studeren zonder dat je in God gelooft; je bestudeert dan alleen uitingen van het geloof van anderen, zoals teksten en rituelen, en probeert daar theorieën over op te stellen.

Groter is de tegenstelling tussen de religies zelf en de meeste wetenschappelijke disciplines. Dat heeft vooral te maken met de bron van de kennis waar ze uit putten. Godsdiensten baseren zich op openbaringen, terwijl wetenschappen zich bezig houden met het verzamelen, beschrijven en klassificeren van kennis die door onderzoek is verkregen; daarbij mogen alleen methoden worden gebruikt die binnen die disciplines als geldig worden beschouwd.

Als je godsdienst puur opvat als de verzameling kennis die door openbaringen is verkregen, dan moet ook heel goed gekeken worden naar de eigenschappen, sterke en zwakke punten van de persoon die de openbaring heeft ontvangen. Ook de tijd en de cultuur waarbinnen de openbaringen zijn verkregen is van belang. Die menselijke factor mag nooit uitgeschakeld worden, maar ook niet overschat.

Zo heb ik de afgelopen jaren bv. gekeken in hoeverre de openbaringen van verschillende mystici over het heelal te rijmen zijn met natuurwetenschappelijk onderzoek. Daarbij kwam ik heel grote verschillen tegen: sommige mystici deden uitspraken over het heelal, die verrassend goed overeenkwamen met wat later door sterrenkundigen is ontdekt, terwijl anderen een beeld van de kosmos gaven dat daar sterk van afweek. In het laatste geval is er vaak sprake van het gebruik van allerlei symbolen en mogen de beschrijvingen niet letterlijk worden opgevat.

Als voorbeeld van het eerste wil ik o.a. mystici noemen als Lorber en Swedenborg; zij beschreven in de 18e en 19e eeuw structuren in het heelal, die sterk aan sterrenstelsels en clusters (groepen sterrenstelsels) doen denken. Ook wisten ze dat alles uit atomen is opgebouwd. Hildegard von Bingen, een Duitse mystica uit de 12e eeuw, gebruikte veel symbolen uit de toenmalige astrologie, waardoor haar uitspraken over de kosmos veel moeilijker toegankelijk zijn. Toch zit er een duidelijke systematiek in. Haar enorme kennis van de werking van geneeskrachtige kruiden, waarover zij veel heeft geschreven, laat zien dat ze een heel praktisch ingesteld iemand was. De symbolen zijn dan wel wat gedateerd, maar haar scherpe manier van denken doet toch heel modern aan.

Veel uitspraken van deze mystici kun je vrij goed verifiëren; ze zijn vaak betrouwbaar. Ook in deze tijd kun je ze nog wel toepassen. Toch zijn er ook wel openbaringen met een (voor mijn gevoel) dubieus karakter. Altijd blijkt dan weer dat de kwaliteit van een openbaring sterk afhankelijk is van de eigenschappen van de persoon die de openbaring ontvangt. Kortom: de geestelijke wereld heeft mensen nodig om zich kenbaar te maken, maar die openbaringen hullen zich dan wel in de gedaante van de tijd en de persoon in kwestie. Vaak wordt dat vergeten.

Dat brengt me meteen bij een ander punt, dat bij een vergelijking tussen wetenschappen en religies héél belangrijk is: de taal van openbaringen en van mystici verschilt sterk van de taal van wetenschappers. Een woord of begrip binnen de mystiek kan bv. een heel andere betekenis hebben dan in de natuurwetenschappen. Zo wordt binnen de mystiek onder de term ‘licht’ meestal het geestelijke licht – dus de wijsheid – verstaan, terwijl de natuurwetenschappen daarbij denken aan het fysieke licht van een aardse of kosmische bron.

Daar liggen nogal wat addertjes onder het gras. Om een simpel voorbeeld te noemen: de beide scheppingsverhalen in Genesis (er staan immers twee scheppingsverhalen in het Oude Testament) beschrijven het ontstaan van de wereld, waarbij elke fase een ‘dag’ wordt genoemd. Die dagen staan voor perioden of tijdperken, niet letterlijk voor een periode van 24 uur. Jammer genoeg zijn er hele volksstammen die toch vasthouden aan die letterlijke interpretatie. Het spreekt vanzelf dat dit op de buitenwacht heel ongeloofwaardig overkomt. Willen wetenschap en geloof ooit op een zinvolle manier met elkaar in gesprek raken, dan zal er allereerst gekeken moeten worden naar de taal en de betekenis van de begrippen die men hanteert, want daar zitten haast nog de grootste problemen.

Om te kijken in hoeverre religie en wetenschap elkaar verdragen op het internet, heb ik twee jaar geleden een rondje gemaakt langs verschillende forums over het Oude Egypte en over sterrenkunde. Wat me daarbij opviel, was dat noch sterrenkundige, noch archeologische sites uitingen met een religieus of politiek karakter accepteerden. Wie daarover begon, liep het risico dat zijn forumbericht werd verwijderd. Een discussie over de raakvlakken tussen geloof en wetenschap, spiritualiteit en rationaliteit, was daardoor onmogelijk.
Ik ben ook het tegenovergestelde tegengekomen, nl. dat op spirituele sites wetenschappelijke info - zeker als het in strijd was met de opvattingen van de beheerders - niet erg werd gewaardeerd. Ook uitingen met een christelijk karakter werden soms verwijderd.

In feite waren dat een paar steekproeven, maar helemaal toevallig was dat natuurlijk niet. Wat ik daarmee bedoel is, dat het vaak schort aan de wisselwerking tussen die twee. Men wil ófwel puur 'wetenschappelijk' blijven, maar neemt daarbij dan een houding aan van "Ben je religieus? Prima, maar doe dat dan maar bij een ander voor de deur", ófwel men blijft in spirituele sferen hangen, maar laat dan niet of slechts mondjesmaat gedegen informatie uit de hoek van de wetenschap toe. Men spreekt vaak niet met elkaar en houdt de boot zelfs af.
Dat vind ik jammer. Op die manier blijven het twee volkomen van elkaar gescheiden gebieden. Eigenlijk zou er véél meer uitwisseling en contact moeten zijn. Mijn hele leven ben ik al op zoek naar een synthese tussen die twee, naar een harmonisch evenwicht tussen verstand en gevoel, hoofd en hart, emotie en verstand, magie en rede. Ik denk wel dat zoiets mogelijk is, maar het is binnen spirituele kringen vaak verhipte moeilijk om de inhoud van een bepaald geloof te confronteren met wetenschappelijk onderzoek, zoals wetenschappers vaak ook de boot afhouden als het erom gaat hun kennis te vergelijken met de inhoud van religies.

De tijden lijken sinds de middeleeuwen niet echt veranderd. Nog steeds is er die kloof. Nog steeds is er veel onwil om de dialoog aan te gaan. Dat is jammer. Niet alleen voor mijzelf, maar vooral omdat er een tijd zit aan te komen waarin die kloof zal worden overbrugd. Ik geloof vast en zeker dat de komende transformatie van de aarde óók een transformatie van de wetenschap zal inhouden en dat er dan eindelijk wetenschap zal worden bedreven die een duidelijke ethiek kent en doordrongen is van het bestaan van een geestelijke wereld.

Er zullen technieken worden ontwikkeld om mensen sneller en effectiever te genezen. Misschien zullen ooit alle ziekten worden uitgebannen. Ook zullen er meer ontdekkingen in Egypte worden gedaan - ontdekkingen waardoor we sommige inzichten over die cultuur zullen moeten bijstellen. Het heelal zal beter in kaart worden gebracht. Nieuwe planeten zullen worden ontdekt, veraf en dichtbij, naast de ruim 300 die al door telescopen vanaf de aarde en in de ruimte (zoals de Hubble en de Spitzer) zijn waargenomen. Op den duur zal men ook met aardse instrumenten leven op andere planeten ontdekken. Het verleden zal steeds meer open voor ons komen te liggen en misschien zullen mensen ooit nog reizen ondernemen naar andere sterren.

Dat alles wordt pas mogelijk als éérst die kloof wordt gedicht, waardoor de wetenschap de geestelijke dimensie herontdekt, en ook de liefde met wijsheid wordt verbonden. Vaak is het nu óf het één, óf het ander. Beide polen – aarde en hemel, lichaam en geest – hebben elkaar nodig, horen onverbrekelijk samen. Pas als ze weer worden samengebracht krijgt ook de wetenschap de diepgang die nodig is om de mensheid verder te brengen. Door de eenzijdige gerichtheid op de materie staat ze nu immers nog vaak in dienst van allerlei kortzichtige doelen.